ECLI:NL:RBHAA:2010:BO6433
Rechtbank Haarlem
- Eerste aanleg - meervoudig
- J.H.M. van de Ven
- G. Guinau
- M. Zijp
- Rechtspraak.nl
Beoordeling wijziging subsidierelatie en beëindiging rechtspositionele verantwoordelijkheid door provincie Noord-Holland
Diverse stichtingen die cultuureducatieve activiteiten ondersteunen in Noord-Holland ontvingen jarenlang subsidie van de provincie. In 2006 werd het subsidiëringssysteem verzakelijkd, waarbij subsidie werd verstrekt op basis van activiteitenplannen in plaats van exploitatiebegrotingen. Verweerders besloten per 1 januari 2009 de rechtspositionele verantwoordelijkheid voor medewerkers van deze stichtingen te beëindigen.
De stichtingen maakten bezwaar en voerden onder meer aan dat de provincie onvoldoende duidelijkheid bood over de verantwoordelijkheid voor rechtspositionele gevolgen en dat het besluit onvoldoende gemotiveerd was. De rechtbank oordeelde dat de wijziging in de subsidierelatie voldoet aan artikel 4:51 Awb Pro, omdat de wijziging reeds in december 2006 was aangekondigd, waardoor een redelijke termijn in acht is genomen.
Verder overwoog de rechtbank dat de provincie zich bereid heeft verklaard onvermijdbare frictiekosten te dragen bij overdracht van taken aan gemeenten en in bepaalde gevallen tegemoetkoming te bieden voor rechtspositionele gevolgen. Hoewel de provincie zich op verschillende momenten anders heeft uitgelaten, achtte de rechtbank dit onvoldoende reden voor vernietiging van het besluit.
De rechtbank concludeerde dat het beroep ongegrond is en dat er geen strijd is met het motiveringsbeginsel uit artikel 3:4 Awb Pro. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: Het beroep van de stichtingen wordt ongegrond verklaard en het besluit tot beëindiging van de rechtspositionele verantwoordelijkheid blijft in stand.