ECLI:NL:RBHAA:2010:BO4761

Rechtbank Haarlem

Datum uitspraak
12 november 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
AWB 10/536
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3.23 WroArt. 3:2 AwbArt. 7:12 AwbArt. 8:51a AwbArt. 8:75 Awb
Verwijzingen
8 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Redelijke verlening ontheffing bouwvergunning ondanks strijd met bestemmingsplan

Eiser stelde beroep in tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Velsen om aan een derde partij ontheffing en een bouwvergunning te verlenen voor het vergroten van een woonwinkelhuis, waarbij het bouwplan in strijd was met het bestemmingsplan vanwege overschrijding van goot- en bouwhoogte.

De rechtbank stelde vast dat verweerder een discretionaire bevoegdheid had om ontheffing te verlenen en dat de gevolgen van het bouwplan voor zon- en daglicht op het perceel van eiser in zijn totaliteit gering waren, zoals bleek uit een bezonningsstudie van juli 2010. Het bezwaar van eiser dat hij niet werd gehoord na zijn zienswijze werd verworpen omdat daartoe geen wettelijke verplichting bestond.

Hoewel eiser vreesde voor waardevermindering van zijn woning, kan hij daarvoor een aparte schadevergoeding aanvragen. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar veroordeelde het college in de proceskosten vanwege aanvankelijk onvoldoende motivering van het besluit.

Uitkomst: Het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard en het college wordt veroordeeld in proceskosten en vergoeding griffierecht.

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM
Sector bestuursrecht
zaaknummer: AWB 10 - 536
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 november 2010
in de zaak van:
[eiser],
wonende te Santpoort-Noord,
eiser,
gemachtigde: mr. M. Schouten, jurist bij SRK Rechtsbijstand,
tegen:
het college van burgemeester en wethouders van Velsen,
verweerder,
derde partij,
[naam],
wonende te Santpoort-Noord.
1. Procesverloop
Bij besluit van 22 september 2009 heeft verweerder aan de derde partij ontheffing als bedoeld in artikel 3.23 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) alsmede bouwvergunning verleend voor het veranderen en vergroten van een woonwinkelhuis met een dakopbouw op het terrein gelegen aan de [adres]
Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 2 november 2009 beroep ingesteld.
Verweerder heeft op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden en een verweerschrift ingediend.
Het beroep is behandeld ter zitting van 22 april 2010 alwaar eiser in persoon is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde voornoemd. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. drs. W. Dooijes. De derde partij is in persoon verschenen tezamen met [naam].
Bij tussenuitspraak van 27 mei 2010 heeft de rechtbank bepaald dat het bestreden besluit zich niet verdraagt met het bepaalde in artikel 3:2 alsmede Pro artikel 7:12 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en verweerder, op grond van artikel 8:51a, eerste lid, van de Awb, in de gelegenheid gesteld dit gebrek te herstellen. Verweerder heeft hierop een bezonningsstudie doen uitvoeren en het bestreden besluit bij brief van 24 augustus 2010 nader gemotiveerd.
Vervolgens heeft de rechtbank met toestemming van partijen het vooronderzoek ge-sloten zonder het houden van een nadere zitting en uitspraak bepaald op heden.
2. Overwegingen
2.1 Niet in geschil is dat het bouwplan in strijd is met het vigerende bestemmingsplan omdat zowel de goothoogte als de bouwhoogte de krachtens het bestemmingsplan geldende maatvoering overschrijdt. Verweerder heeft in verband hiermede de gevraagde bouwvergunning met toepassing van artikel 3.23 van de Wet ruimtelijke ordening verleend.
2.2 De grieven van eiser betreffen de vermindering van zon- en daglicht op zijn perceel. Voorts vreest hij dat het bouwplan de waarde van zijn woning zal verminderen.
2.3 Artikel 3.23 van de Wro kent verweerder een discretionaire bevoegdheid toe. Ter beoordeling van de rechtbank staat derhalve de vraag of verweerder bij afweging van alle betrokken belangen in redelijkheid tot verlening van ontheffing heeft kunnen besluiten.
2.4 De rechtbank is van oordeel dat zulks het geval is. Daarbij is acht geslagen op de resultaten van de alsnog ingebrachte bezonningsstudie van 2 juli 2010, waaruit naar voren komt dat de gevolgen van het bouwplan voor zon- en daglicht op het perceel van eiser in zijn totaliteit gering zijn. De invloed van het bouwplan voor het raam aan de achterzijde van de woning ontbreekt zelfs geheel. Dit geldt ook voor de tuin, zo leidt de rechtbank verder uit de tekeningen af. Dat, anders dan verweerder stelt, ook de invloed van het bouwwerk op het dakterras in aanmerking zou moeten worden genomen - partijen verschillen in dit verband van mening over de vraag of het dakterras zonder vergunning is gerealiseerd -, is niet aangetoond. Het enkele gegeven dat de huisnummers van de percelen van eiser en zijn eveneens in beroep gekomen buurman in de studie zijn omgedraaid, doet de rechtbank niet twijfelen aan de zorgvuldigheid waarmee het onderzoek naar de bezonning heeft plaatsgevonden.
2.5 Het betoog van eiser dat verweerder hem ten onrechte niet heeft gehoord naar aanleiding van zijn zienswijze, faalt. Verweerder is daartoe niet ingevolge enige wettelijke bepaling verplicht.
2.6 Voor zover eiser schade mocht ondervinden van het bouwplan in de vorm van waardevermindering van zijn woning, kan hij een verzoek om vergoeding van die schade indienen. Dat deze schade dan mogelijk niet (geheel) wordt gecompenseerd, kan niet tot een ander oordeel leiden in de onderhavige procedure.
2.7 Het beroep is derhalve uiteindelijk ongegrond. Wel is er aanleiding voor een veroordeling van verweerder in de proceskosten, omdat het besluit aanvankelijk niet naar behoren was gemotiveerd. De rechtbank zal met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, van de Awb verweerder veroordelen in de kosten die eiseres heeft gemaakt. De kosten zijn op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht € 874,- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, wegingsfactor 1). Ook zal verweerder worden gelast het griffierecht te vergoeden.
3. Beslissing
De rechtbank:
3.1 verklaart het beroep ongegrond;
3.2 veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Velsen in de door eiser gemaakte proceskosten tot een bedrag van in totaal € 874,- te betalen aan eiser;
3.3 gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Velsen het door eiser betaalde griffierecht van € 150,- aan hem vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I.M. Ludwig, rechter, in tegenwoordigheid van mr. J.K. N'Daw, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 12 november 2010.
afschrift verzonden op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag. Het hoger beroep dient te worden ingesteld door het indienen van een beroepschrift binnen zes weken onmiddellijk liggend na de dag van verzending van de uitspraak door de griffier.