ECLI:NL:RBHAA:2009:BK8442
Rechtbank Haarlem
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Boeteoplegging wegens overtreding Wet arbeid vreemdelingen niet gegrond wegens onvoldoende bewijs werkgeverschap
Verweerder legde eiser een boete van €22.000 op vanwege vier overtredingen van artikel 2, eerste lid, en vier overtredingen van artikel 15, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen (Wav). De boete was gebaseerd op het vermoeden dat eiser de werkgever was van vier vreemdelingen die zonder tewerkstellingsvergunning werkzaamheden verrichtten op een bouwlocatie.
De rechtbank oordeelt dat het boeterapport onvoldoende bewijs bevat dat eiser als werkgever kan worden aangemerkt. Hoewel vaststaat dat de vreemdelingen werkzaamheden verrichtten, is niet met de vereiste mate van zekerheid vastgesteld dat deze werkzaamheden in opdracht of ten dienste van eiser waren. Geen van de betrokken vreemdelingen of andere getuigen wijst eiser ondubbelzinnig aan als opdrachtgever.
De rechtbank benadrukt dat aan de bewijsvoering en motivering van een punitieve sanctie strenge eisen worden gesteld, waaraan verweerder niet heeft voldaan. Hierdoor ontbreekt de grondslag voor de boeteoplegging op basis van de Wav. Het beroep wordt gegrond verklaard, het besluit vernietigd en verweerder wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: De boete van €22.000 wegens overtreding van de Wet arbeid vreemdelingen wordt vernietigd wegens onvoldoende bewijs van werkgeverschap.