De rechtbank overweegt als volgt.
2.3 In navolging van de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 21 april 2005 (Rechtspraak.nl, LJN: AT4358) overweegt de rechtbank ten aanzien van het toepasselijke recht het volgende. Met ingang van 1 januari 2004 is de WWB in werking getreden en is de Abw ingetrokken, met dien verstande dat enkele bepalingen van de WWB en Abw eerst op een later tijdstip in werking treden, dan wel vervallen. De rechtbank volstaat hier wat dit laatste betreft met de vaststelling dat de artikelen 69 en 78 tot en met 90 van de Abw met ingang van 1 januari 2004 zijn vervallen, dat de artikelen 54 en 58 van de WWB met ingang van eveneens 1 januari 2004 in werking zijn getreden en dat artikel 65 van de Abw is vervallen met ingang van 1 januari 2005.
2.4 Voor de situatie, waarin ná 1 januari 2004 een besluit wordt genomen met betrekking tot aanspraken op bijstand van vóór 1 januari 2004, zonder dat daaraan een aanvraag is voorafgegaan, zijn geen specifieke voorschriften van overgangsrecht gegeven. Uit het ontbreken van specifieke bepalingen van overgangsrecht ter zake en uit de geschiedenis van de totstandkoming van de Invoeringswet Werk en Bijstand (IWWB) heeft de CRvB afgeleid dat de wetgever hantering van de artikelen 54 en 58 van de WWB uitdrukkelijk heeft beoogd, ook voor zover verleende bijstand betrekking heeft op de periode vóór de (inwerkingtreding van de) WWB. Dit betekent dat het betrokken bestuursorgaan vanaf 1 januari 2004 aan de artikelen 54 en 58 van de WWB zijn bevoegdheid ontleent om tot herziening of intrekking en tot terugvordering over te gaan.
2.5 In artikel 17, eerste lid, WWB is bepaald dat de belanghebbende aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling doet van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of recht op bijstand. Voor de inwerkingtreding van artikel 17 WWB gold in dit opzicht artikel 65 Abw, welk artikel eenzelfde strekking had als artikel 17 WWB.
2.6 In artikel 31, eerste lid, WWB is bepaald dat tot de middelen worden gerekend alle vermogens- en inkomensbestanddelen waarover de alleenstaande of het gezin beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. Tot de middelen worden mede gerekend de middelen die ten behoeve van het levensonderhoud van de belanghebbende door een niet in de bijstand begrepen persoon worden ontvangen. In elk geval behoort tot de middelen de ten aanzien van de alleenstaande of het gezin toepasselijke heffingskorting, bedoeld in hoofdstuk 8 van de Wet op de inkomstenbelasting 2001.
2.7 In artikel 54, derde lid, aanhef en onder a WWB is bepaald dat onverminderd het elders in deze wet bepaalde ter zake van herziening of intrekking van een besluit tot toekenning van bijstand en ter zake van weigering van bijstand, kan het college een dergelijk besluit herzien of intrekken indien het niet of niet behoorlijke nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand.
2.8 Volgens artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, WWB kan het college van de gemeente die bijstand heeft verleend de kosten van bijstand terugvorderen, voor zover de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend.
2.9 In het proces-verbaal van de Sociale Recherche Noord-Holland-Noord van 11 oktober 2006 wordt, onder 'gegevens RDW', vermeldt dat eiser in de periode van 16 januari 2003 tot en met november 2005 in totaal 14 kentekens op zijn naam had staan. Eiser heeft dit niet betwist. Verder staat vast dat eiser het bezit van de auto's met deze kentekens, op één auto na (zie onder 2.17), niet heeft gemeld bij verweerder.
2.10 Ingevolge vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) rechtvaardigt het gegeven dat het kentekenbewijs van een auto op naam van de bijstandsgerechtigde staat, de veronderstelling dat deze daarover ook daadwerkelijk de beschikking heeft dan wel redelijkerwijs kan beschikken. In een dergelijke situatie is het vervolgens aan betrokkene om in genoegzame mate aan te tonen dat het tegendeel het geval is. Eiser is daarin niet geslaagd. Eiser heeft op geen enkele wijze aannemelijk gemaakt dat er kentekens waren die hij alleen voor zijn broer of neef op zijn naam heeft gezet.
2.11 Evenmin heeft eiser aannemelijk gemaakt dat verweerder in de persoon van
A. Haanstra aan eiser zou hebben meegedeeld dat hij het bezit van auto's niet zou hoeven melden. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat verweerder een verklaring van Haanstra overgelegd waaruit blijkt dat deze ontkent iets dergelijks tegen eiser te hebben gezegd.
2.12 De rechtbank stelt vervolgens vast dat op de in het dossier aanwezige rechtmatigheidsformulieren door verweerder niet expliciet wordt gevraagd naar het bezit van auto's. Weliswaar wordt bij vraag 6 gevraagd: "is het vermogen van u zelf en/of uw echtgeno(o)t(e)/partner en/of uw kind(eren) in deze periode toegenomen" en wordt in het kopje boven deze vraag gezegd dat "onder vermogen valt de waarde van uw bezittingen zoals - onder meer - een auto". Maar hieruit blijkt volgens de rechtbank niet duidelijk dat eiser hier opgave had moeten doen van iedere auto waarvan het kenteken op zijn naam staat. Gevraagd wordt immers naar de toename van vermogen en niet naar het bezit van een auto.
2.13 Gelet hierop staat de rechtbank voor de vraag of eiser alle 14 auto's/kentekens uit eigen beweging - zoals vereist ingevolge artikel 17 WWB en artikel 65 Abw - bij verweerder had moeten melden.
2.14 De rechtbank is, onder verwijzing naar de uitspraken van de CRvB van 29 november 2005 (LJN: AU7252) en 23 januari 2007 (LJN: AZ7927) van oordeel dat eiser in ieder geval de auto's had moeten melden die betrekkelijk kort op zijn naam hebben gestaan. Van deze auto's moet worden aangenomen dat eiser met deze auto's handel heeft bedreven. Dat de auto's alleen voor eigen gebruik zouden zijn geweest, acht de rechtbank gelet op het aantal transacties in drie jaar tijd en het feit dat de auto's vaak maar enkele dagen op naam van eiser stonden, niet aannemelijk. De rechtbank gaat er verder met verweerder vanuit dat de datum met ingang waarvan het kenteken niet langer op naam van eisers staat, de datum is waarop de transactie heeft plaatsgevonden. Deze transacties zijn onmiskenbaar van belang voor de verlening van bijstand. Dat eiser met deze transacties geen inkomsten heeft gegenereerd, zoals hij heeft aangevoerd, heeft hij niet aannemelijk gemaakt.
2.15 Ten aanzien van eisers stelling dat nu hij in de strafzaak is vrijgesproken, dit ook gevolgen zou moeten hebben voor onderhavige procedure overweegt de rechtbank dat eiser blijkens het dossier is vervolgd voor valsheid in geschriften, opgave van onware gegevens en schending van de verplichting gegevens te verstrekken (artikel 227b Wetboek van Strafrecht), en dat hij hiervan is vrijgesproken. Echter, ingevolge rechtspraak van de CRvB (zie LJN: AZ2386) is de bestuursrechter bij de vaststelling van de feiten en de beoordeling van het hem voorgelegde geschil niet gebonden aan hetgeen in een strafrechtelijk geding door de strafrechter is geoordeeld, te minder nu in een strafrechtelijke procedure een andere rechtsvraag voorligt en een ander procesrecht van toepassing is. Daarbij blijkt uit het overgelegde vonnis niet op welke gronden de politierechter het telastegelegde niet wettig en overtuigend bewezen heeft geacht. De rechtbank kent dan ook aan eisers vrijspraak niet de waarde toe, die eiser hieraan wenst toe te kennen.
2.16 Wel is de rechtbank van oordeel dat, gelet op het feit dat verweerder zelf op genoemde rechtmatigheidsformulieren niet expliciet heeft gevraagd naar het bezit van auto's, eiser niet gehouden was uit eigen beweging melding te doen van auto's die langere tijd op zijn naam stonden en slechts een geringe waarde vertegenwoordigden. Van deze auto's kan worden aangenomen dat die bestemd waren voor eigen gebruik.
2.17 Dit leidt ertoe dat van de 14 kentekens die op eisers naam hebben gestaan, eiser van de auto met kenteken [kenteken], uit eigen beweging aan verweerder geen melding heeft hoeven doen. Immers, deze auto stond van 10 februari 2004 tot en met 29 december 2004 op eisers naam, ruim 10 maanden, terwijl de waarde van deze auto volgens verweerder niet meer is te achterhalen. Bovendien blijkt uit de rapportage RDW van verweerder op pagina 2 (gedingstuk 55) dat eiser op het heronderzoeksformulier het bezit van deze auto wel heeft gemeld bij verweerder. Ten aanzien van deze auto is de rechtbank dan ook van oordeel dat eiser zijn inlichtingenverplichting niet heeft geschonden. Nu verweerder wat betreft december 2004, de maand waarin dit kenteken van eisers naam is afgeschreven, toch eisers bijstandsuitkering heeft ingetrokken en teruggevorderd ontbeert het bestreden besluit op dit punt een feitelijke grondslag.
2.18 De rechtbank is wat betreft de overige 13 kentekens van oordeel dat eisers in de maanden waarin transacties van auto's hebben plaatsgevonden de op hem rustende inlichtingenverplichting wel heeft geschonden. Verweerder was dan ook bevoegd om met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, WWB en artikel 58, eerste lid aanhef onder a, WWB over te gaan tot intrekking en terugvordering van de bijstand over genoemde perioden. De rechtbank is echter van oordeel dat verweerder niet in redelijkheid van deze bevoegdheid gebruik heeft gemaakt, door eisers gehele uitkering over de betreffende maanden in te trekken en terug te vorderen. Hiertoe wordt overwogen dat uit de door verweerder opgestelde waarde-indicatie blijkt dat de auto's waar het om gaat slechts een geringe waarde vertegenwoordigden. Met eiser is de rechtbank van oordeel dat eiser met de auto's geen inkomen of vermogen kan hebben gegenereerd dat ook maar in de buurt komt van het bedrag dat nu door verweerder wordt teruggevorderd. Verweerder heeft dan ook niet in redelijkheid kunnen besluiten over de betreffende maanden de gehele uitkering van eiser in te trekken en terug te vorderen.
2.19 Gelet op het voorgaande kan het bestreden besluit geen stand houden. Omdat het onvoldoende is gemotiveerd, is het besluit genomen in strijd met artikel 7:12 Awb.
2.20 Het beroep zal gegrond worden verklaard. Het bestreden besluit moet worden vernietigd.
2.21 Voorts bestaat aanleiding voor een proceskostenveroordeling ten aanzien van verweerder.
3. Beslissing
De rechtbank:
3.1 verklaart het beroep gegrond;
3.2 vernietigt het bestreden besluit van 5 juli 2007;
3.3 bepaalt dat verweerder met inachtneming van deze uitspraak een nieuwe beslissing op bezwaar dient te nemen;
3.4 veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten tot een bedrag van in totaal € 644,- , te betalen door de gemeente Heiloo aan eiser;
3.5 gelast dat de gemeente Heiloo het door eiser betaalde griffierecht van € 39,- aan hem vergoedt.