ECLI:NL:RBHAA:2007:AZ8615
Rechtbank Haarlem
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing schadevergoeding wegens kennelijk onredelijk ontslag bij bedrijfseconomische reorganisatie
De werknemer trad in 1990 in dienst bij TOM en werd in 2006 ontslagen wegens bedrijfseconomische redenen binnen een reorganisatie waarbij 17 werknemers werden afgevloeid. TOM had toestemming van het CWI gekregen voor het ontslag en bood een vergoeding aan conform een sociaal plan dat met de OR en FNV was overeengekomen.
De werknemer vorderde een schadevergoeding op grond van artikel 7:681 lid 1 BW Pro, stellende dat het ontslag kennelijk onredelijk was omdat geen vergoeding conform de kantonrechtersformule was aangeboden en de gevolgen van het ontslag voor hem te ernstig zouden zijn.
De kantonrechter oordeelde dat de kantonrechtersformule niet van toepassing is op vergoedingen wegens kennelijk onredelijk ontslag en dat eerst moet worden vastgesteld of het ontslag kennelijk onredelijk is. De aangeboden vergoeding was passend en gebaseerd op een sociaal plan dat voor een groep werknemers gold waartoe de eiser behoorde.
Omdat de werknemer onvoldoende feiten had gesteld waaruit bleek dat de vergoeding niet passend was, werd de vordering afgewezen. De kantonrechter benadrukte dat een werkgever niet verplicht is alle negatieve aspecten van ontslag te neutraliseren, maar wel een passende voorziening moet bieden, wat hier het geval was.
Uitkomst: De vordering tot schadevergoeding wegens kennelijk onredelijk ontslag wordt afgewezen omdat de aangeboden afvloeiingsregeling passend is.