ECLI:NL:RBHAA:2006:AY9029
Rechtbank Haarlem
- Eerste aanleg - meervoudig
- J. van de Merwe
- J.L. Bruinsma
- S.C.W. Douma
- Rechtspraak.nl
Beoordeling naheffingsaanslag en boete loonbelasting bij onvolledige afdracht
Eiseres hield in 2001 loonbelasting in op het loon van haar directeur, maar droeg slechts een deel van deze belasting af. Verweerder legde een naheffingsaanslag en een vergrijpboete op wegens het niet volledig afdragen van de ingehouden loonbelasting.
De kern van het geschil betrof de vraag of de naheffing via het eindheffingsregime van artikel 31 van Pro de Wet op de loonbelasting 1964 kon plaatsvinden. De rechtbank oordeelde dat na volledige inhouding van de loonbelasting geen plaats meer is voor heffing via eindheffing, ook al valt de situatie formeel onder artikel 31, tweede lid. De naheffingsaanslag is daarom terecht opgelegd op grond van artikel 27 van Pro de Wet.
Verder stelde eiseres dat de opgelegde boete niet in redelijke verhouding stond tot de ernst van het vergrijp en dat zij niet aan grove schuld had geleden. De rechtbank vond dat eiseres redelijkerwijs had moeten beseffen dat zij de volledige ingehouden loonbelasting moest afdragen en dat zij naliet actie te ondernemen. Wel werd de boete met 10% verminderd vanwege overschrijding van de redelijke termijn.
De rechtbank wees het beroep tegen de naheffingsaanslag en heffingsrente af, maar verklaarde het beroep tegen de boete gegrond en matigde deze. Tevens werd verweerder veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: De naheffingsaanslag loonbelasting wordt bevestigd, de boete wordt gematigd tot €2.164 wegens overschrijding van de redelijke termijn.