De man verzocht de rechtbank om een wijziging van de omgangsregeling met zijn minderjarige kind en om een informatieregeling waarbij hij halfjaarlijks schriftelijk geïnformeerd wordt over de ontwikkeling van het kind. Eerder was een vergelijkbaar verzoek zeven jaar geleden afgewezen na een raadsonderzoek. De vrouw heeft geen verweer gevoerd en was niet aanwezig bij de zitting, evenals de man zelf. Zijn advocaat was wel aanwezig maar had geen persoonlijk contact met hem voorafgaand aan de zitting.
De rechtbank oordeelde dat de oproep voor de zitting de advocaat van de man had bereikt en dat het risico van het niet verschijnen voor rekening van de advocaat en daarmee de man kwam. De rechtbank kon op basis van de beschikbare informatie niet vaststellen dat de situatie in het belang van het minderjarige kind positief was gewijzigd. Omdat beide partijen niet verschenen en de Raad voor de Kinderbescherming geen aanvullend onderzoek werd verzocht, was het niet mogelijk het belang van het kind voldoende te beoordelen.
Daarom wees de rechtbank het verzoek van de man af. Partijen hadden een affectieve relatie gehad, de vrouw had het gezag en het hoofdverblijf van het kind. Het eerdere verzoek tot omgangsregeling was in 2005 afgewezen. Tegen deze beschikking staat hoger beroep open bij het Gerechtshof te Leeuwarden binnen drie maanden na betekening.