ECLI:NL:RBGRO:2011:BQ6874

Rechtbank Groningen

Datum uitspraak
5 april 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
124479 -FA RK 11-305
Instantie
Rechtbank Groningen
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:204 lid 1 BWArt. 4 Wet conflictenrecht afstammingArt. 60 Somalische personen- en familiewetArt. 61 Somalische personen- en familiewet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Erkenning van vaderschap op grond van nauwe persoonlijke betrekking tussen man en kind

De man, van Somalische nationaliteit en gehuwd met een andere vrouw, heeft een affectieve relatie met de vrouw en samen hebben zij een kind, [A.]. De man woont al sinds voor de geboorte van [A.] met de vrouw samen en is betrokken bij de verzorging en opvoeding van het kind.

Op grond van artikel 4 van Pro de Wet conflictenrecht afstamming (WCA) is het Somalische recht van toepassing op de erkenning van het kind door de man. De Somalische wet staat erkenning toe, ook buiten het huwelijk, mits het leeftijdsverschil het toelaat en de erkenning met instemming van het kind plaatsvindt. Gezien onduidelijkheid over de Somalische rechtsopvatting toetst de rechtbank ook aan Nederlands recht.

Volgens artikel 1:204 lid 1 sub e BW Pro kan erkenning plaatsvinden indien tussen man en kind een nauwe persoonlijke betrekking bestaat die vergelijkbaar is met een huwelijk. De rechtbank oordeelt dat deze band aanwezig is, mede op basis van de verklaring van de bijzondere curator en het feit dat partijen samenwonen en de man betrokken is bij de opvoeding.

De rechtbank verklaart voor recht dat een nauwe persoonlijke betrekking bestaat en wijst het verzoek tot erkenning toe. Hierdoor kunnen de vrouw en het kind in Nederland blijven en worden zij niet uitgezet.

De uitspraak is gedaan op 5 april 2011 door de meervoudige kamer van de rechtbank Groningen.

Uitkomst: De rechtbank verklaart dat tussen de man en het kind een nauwe persoonlijke betrekking bestaat, waardoor erkenning mogelijk is en verblijf in Nederland kan worden voortgezet.

Uitspraak

RECHTBANK GRONINGEN
Sector Civielrecht
Meervoudige Kamer
zaaknr.: 124479 /FA RK 11-305
beschikking d.d. 5 april 2011
in de zaak van:
verzoeker,
hierna te noemen de man,
advocaat mr. J.S. Özsaran,
en
belanghebbende,
hierna te noemen de vrouw,
in persoon verschenen.
PROCESVERLOOP
De man heeft op 14 februari 2011 bij deze rechtbank een verzoekschrift ingediend met het verzoek, uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat er tussen hem en het minderjarige kind A. een nauwe persoonlijke betrekking bestaat.
Bij beschikking van 15 februari 2011 is mr. F.B. Flooren benoemd tot bijzondere curator over A.
Op 28 maart 2011 is ter griffie van de rechtbank een brief d.d. 25 maart 2011 van de advocaat van de man binnengekomen.
Op dinsdag 5 april 2011 heeft ter zitting met gesloten deuren de behandeling van het verzoek plaatsgevonden. Verschenen zijn: de man, bijgestaan door zijn advocaat, de vrouw en de bijzondere curator mr. F.B. Flooren.
Ter zitting van 5 april 2011 is direct mondeling uitspraak gedaan.
RECHTSOVERWEGINGEN
Vaststaande feiten
De man heeft de Somalische nationaliteit. Hij heeft een verblijfsvergunning die geldig is tot 14 april 2014. Hij is gehuwd met C., hierna te noemen de echtgenote. Hij heeft een affectieve relatie en woont al sinds voor de geboorte van [A.] samen met de vrouw. Zij is geboren in Somalia en heeft eveneens de Somalische nationaliteit. Uit hun relatie is [A.] geboren.
Artikel 4 Wet Pro conflictenrecht afstamming (hierna te noemen: WCA) luidt - voor zover hier van belang -:
Of erkenning door een man familierechtelijke betrekkingen doet ontstaan tussen hem en een kind, wordt, wat betreft de bevoegdheid van de man en de voorwaarden voor de erkenning, bepaald door het recht van de staat waarvan de man de nationaliteit bezit. Indien volgens dat recht erkenning niet of niet meer mogelijk is, is bepalend het recht van de staat van de gewone verblijfplaats van het kind. (...)
Artikel 60 van Pro de Somalische wet nr. 23 van 11.1.1975 (personen- en familiewet) luidt – voor zover hier belang –:
De erkenning van het vaderschap ten gunste van een persoon met een onbekende afstamming doet het vaderschap van een man voor een kind ontstaan, zelfs wanneer die op het moment van overlijden wordt gegeven vooropgesteld dat het leeftijdsverschil tussen hen het toelaat.
Artikel 61 van Pro de Somalische wet nr. 23 van 11.1.1975 (personen- en familiewet) luidt – voor zover hier belang –:
De erkenning van het vaderschap of moederschap doet de afstamming ontstaan, vooropgesteld dat de persoon ten gunste van wie de erkenning heeft plaatsgevonden, hiermee instemt en het leeftijdsverschil tussen hen het toelaat.
Standpunt van de man
De man heeft gesteld dat hij de biologische vader van [A.] is. Hij is sinds de geboorte van [A.] betrokken bij de verzorging en opvoeding. Tussen hen bestaat een nauwe persoonlijke betrekking. Hij leeft al enige jaren gescheiden van zijn echtgenote waarmee hij in 2007 is gehuwd, met wie hij geen kinderen heeft. Hij heeft een echtscheidingsprocedure aangespannen maar deze neemt veel tijd in beslag omdat de woonplaats van de echtgenote bij de man niet bekend is. Er is nu geen tijd meer om af te wachten omdat uitzetting van de vrouw en [A.] dreigt.
Standpunt van de vrouw
De vrouw heeft aangegeven dat de man de biologische vader van [A.] is en dat zij er mee in stemt dat hij haar erkent.
Standpunt van de bijzondere curator
De bijzondere curator heeft naar voren gebracht dat er sprake is van een nauwe persoonlijke betrekking tussen de man en [A.]. Zij is bij de man thuis geweest en heeft dit zelf vastgesteld. Zij is van mening dat de ouders een relatie met elkaar hebben die met een huwelijk te vergelijken is. Het is in het belang van [A.] dat beide ouders in staat zullen blijven de verzorging en opvoeding gezamenlijk voort te zetten. Wanneer de man de juridische vader wordt van [A.] mogen zij en de vrouw voorlopig in Nederland verblijven en zullen zij niet worden uitgezet. Er zijn geen bezwaren tegen het verzoek en de erkenning.
Beoordeling
Partijen zijn het er over eens dat de man de verwekker is van [A.]. De rechtbank heeft, mede gezien de verklaring van de bijzondere curator, geen reden om hieraan te twijfelen.
Het is naar het oordeel van de rechtbank in het belang van [A.] dat de man haar kan erkennen.
Op grond van artikel 4 van Pro de WCA is Somalisch recht bepalend voor de vraag of de man [A.] kan erkennen, aangezien de man de Somalische nationaliteit heeft. Uit onder meer de artikelen 60 en 61 van de Somalische personen en familiewet uit 1975 kan worden afgeleid dat naar Somalisch recht de man het kind kan erkennen. Uit deze artikelen is niet met zoveel woorden af te leiden dat erkenning buiten het huwelijk naar Somalisch recht niet is toegestaan. Tegen die achtergrond, en rekening houdend met de niettemin bestaande ongewisheid over de gangbare Somalische rechtsopvatting inzake buitenechtelijke erkenning, zal de rechtbank op basis van het bepaalde in artikel 4 van Pro de WCA eveneens toetsen aan Nederlands recht, nu [A.] in Nederland verblijft.
Op grond van artikel 1:204 lid 1 aanhef Pro en sub e Burgerlijk Wetboek kan de man het kind erkennen wanneer voldoende aannemelijk is dat tussen partijen een band bestaat die in voldoende mate met een huwelijk op één lijn valt te stellen of wanneer tussen de man en het kind een nauwe persoonlijke betrekking bestaat.
Gezien de overgelegde stukken en hetgeen ter zitting naar voren is gekomen is de rechtbank van oordeel dat aannemelijk is dat tussen de man en de vrouw een dergelijke band bestaat en dat tussen de man en [A.] een dergelijke betrekking bestaat. Partijen woonden al voor de geboorte van [A.], samen, vormen een gezin en de man is betrokken bij de verzorging en opvoeding van het kind.
Gelet op het voorgaande zal het verzoek worden toegewezen op de wijze zoals weergegeven onder de beslissing.
BESLISSING
verklaart voor recht dat tussen de man en [A.] een nauwe persoonlijke betrekking bestaat als bedoeld in artikel 1:204 lid 1 aanhef Pro en sub e Burgerlijk Wetboek;
verklaart deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad.
Aldus gegeven door mrs. D.J. Klijn , voorzitter, D.A. Flinterman en J.H.H.M. Dorscheidt en door eerstgenoemde, in bijzijn van de griffier, mondeling uitgesproken, ter openbare zitting van 5 april 2011.