ECLI:NL:RBGRO:2011:BP4576

Rechtbank Groningen

Datum uitspraak
11 januari 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
120503/FA RK 10-1983
Instantie
Rechtbank Groningen
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:205 lid 1 BWArt. 1:205 lid 4 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging van erkenning door niet-biologische vader in belang van minderjarige

Op 13 augustus 2010 diende de moeder namens haar minderjarige kind een verzoek in tot vernietiging van een erkenning die door C. was gedaan. De erkenning betrof het kind B., geboren op 28 juli 1998, erkend op 1 april 2003 door C., die niet de biologische vader is.

De rechtbank stelde vast dat de moeder sinds 1995 een affectieve relatie had met D., de biologische vader van B., en dat B. ook contact heeft met D. De erkenning door C. was mede ingegeven door de behoefte van het kind aan een vaderfiguur, maar feitelijk is C. niet de biologische vader.

De rechtbank oordeelde dat het verzoek tot vernietiging binnen de wettelijke termijn was ingediend en dat er geen feiten waren die aan toewijzing in de weg stonden. Daarom werd de erkenning vernietigd en de bijzondere curator niet-ontvankelijk verklaard in haar verzoek, waarmee de juridische situatie werd aangepast aan de feitelijke situatie.

Uitkomst: De rechtbank vernietigt de erkenning van het kind door de niet-biologische vader en verklaart de bijzondere curator niet-ontvankelijk.

Uitspraak

RECHTBANK GRONINGEN
Sector civielrecht
Meervoudige familiekamer
Zaaknummer 120503/FA RK 10-1983
Beschikking d.d. 11 januari 2011
in de zaak van:
A. in haar hoedanigheid van gezaghebbende ouder namens de minderjarige B.,
v e r z o e k s t e r q.q.,
hierna te noemen de moeder,
advocaat mr. J.G. Brands,
en
v e r w e e r d e r,
verder te noemen C.,
in persoon verschenen.
PROCESVERLOOP
Op 13 augustus 2010 is ter griffie een verzoekschrift met bijlagen van dezelfde datum ingediend ertoe strekkende dat bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de op 1 april 2003 door C. gedane erkenning van B. bij de burgerlijke stand van de gemeente Groningen wordt vernietigd.
Bij beschikking van deze rechtbank van 7 september 2010 is mr. J. Dijkman, advocaat te Groningen, tot bijzondere curator over voornoemde minderjarige benoemd.
Ter griffie is op 1 december 2010 een verzoekschrift van de bijzondere curator ontvangen, strekkende tot vernietiging van voormelde erkenning.
De rechtbank heeft B. op 1 december 2010 gehoord.
De rechtbank heeft de zaak behandeld ter zitting met gesloten deuren van 7 december 2010.
Daarbij zijn de moeder, C., de advocaat mr. S. Wiersma, optredende in plaats van
mr. Brands, de belanghebbende D. en de bijzondere curator verschenen en gehoord.
RECHTSOVERWEGINGEN
vaststaande feiten
Moeder heeft van ongeveer 1995 tot eind 1998 een affectieve relatie gehad met belanghebbende D.
Op 28 juli 1998 is moeder in de gemeente Groningen bevallen van het thans nog minderjarige kind B..
Moeder heeft een affectieve relatie gehad met [C.].
Deze heeft [B.] op 1 april 2003 erkend.
Laatstgenoemde relatie is medio 2005 beëindigd.
Moeder heeft alleen het gezag over [B.] en [B.] heeft hoofdverblijf bij haar.
beoordeling
Gelet op hetgeen daarover ter zitting is verklaard zal de rechtbank het door mr. Brands ingediende verzoek beschouwen als een verzoek van moeder namens [B.] in haar hoedanigheid van gezaghebbende ouder van [B.].
Op grond van artikel 1:205 lid Pro 1, aanhef en sub a BW kan een verzoek tot vernietiging van de erkenning, op grond dat de erkenner niet de biologische vader van het kind is, bij de rechtbank worden ingediend door het kind zelf, tenzij de erkenning tijdens zijn meerderjarigheid heeft plaatsgevonden. Ingevolge het vierde lid van dat wetsartikel wordt het verzoek door het kind ingediend binnen drie jaren nadat het kind bekend is geworden met het feit dat de man vermoedelijk niet zijn biologische vader is. Indien het kind evenwel gedurende zijn minderjarigheid bekend is geworden met dit feit kan het verzoek tot uiterlijk drie jaren nadat het kind meerderjarig is geworden, worden ingediend.
Gelet op het vorenoverwogene is het namens [B.] gedane verzoek binnen de wettelijke termijn ingediend en is zij daarom ontvankelijk in dat verzoek.
De moeder van [B.] en de heer [C.] hebben verklaard, dat [B.] op een gegeven moment net als de uit hun relatie geboren dochter, de geslachtsnaam [C.] ging gebruiken.
Moeder en [C.] hebben toen besloten dat het in het belang was van [B.], die ook dringend behoefte had aan een vaderfiguur, dat [C.] haar zou erkennen.
Moeder, [C.] en belanghebbende [D.] hebben verklaard, dat [D.] de biologische vader van [B.] is. [B.] is hiervan op de hoogte gebracht op het moment dat moeder en [C.] hun relatie hebben beëindigd.
[B.] heeft altijd contact met [D.] gehad, de eerste jaren bij zijn ouders en vanaf haar zevende levensjaar bij [D.] thuis.
Momenteel gaat [B.] vrijwel ieder weekend naar [D.] toe en gebruikt zij zijn geslachtsnaam. [D.] heeft verklaard voornemens te zijn om [B.] te erkennen.
De bijzondere curator heeft verzocht om het verzoek toe te wijzen, zodat de juridische situatie in overeenstemming wordt gebracht met de feitelijke situatie.
Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen staat naar het oordeel van de rechtbank vast, dat [C.] niet de biologische vader van [B.] is.
Nu ook overigens niet is gebleken van feiten of omstandigheden die aan toewijzing van het verzoek in de weg staan, zal de rechtbank de door moeder namens [B.] verzochte vernietiging van de door [C.] gedane erkenning als op de wet gegrond toewijzen.
Gelet hierop is het belang aan het verzoek van de bijzondere curator, dat exact dezelfde strekking heeft, komen te ontvallen.
De bijzondere curator wordt daarom in dat verzoek niet-ontvankelijk verklaard.
BESLISSING
verklaart de bijzondere curator mr. J. Dijkman niet-ontvankelijk in haar verzoek;
vernietigt de door C. gedane erkenning van [B.];
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Gegeven door mrs. D.A. Flinterman (voorzitter), D.J. Klijn en J.H.H.M. Dorscheidt en door eerstgenoemde uitgesproken ter openbare zitting van 11 januari 2011, in tegenwoordigheid van G.D. Kuilman, griffier.