ECLI:NL:RBGRO:2010:BM5255
Rechtbank Groningen
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- G.R. van Baak-Klijnsma
- Rechtspraak.nl
Onbevoegdheid gewone rechter bij geschil over advocaatshonorarium
Bout Advocaten vorderde betaling van een openstaand honorarium van €4.945,82 van mevrouw Q. voor verleende juridische diensten. Mevrouw Q. betwistte de hoogte van de declaratie en stelde dat zij de vordering niet heeft erkend, mede vanwege vermeend verzuim van de advocaat om gefinancierde rechtsbijstand aan te vragen.
Bout Advocaten stelde dat door het sluiten van een betalingsregeling en gedeeltelijke nakoming de vordering erkend was, maar de rechtbank oordeelde dat dit niet leidde tot onherroepelijke erkenning van de volledige declaratie. De rechtbank overwoog dat mevrouw Q. vrij stond de hoogte van de declaratie te betwisten.
Vervolgens stelde de rechtbank vast dat op grond van artikel 32 van Pro de Wet tarieven in burgerlijke zaken de gewone rechter onbevoegd is om kennis te nemen van geschillen over het honorarium van een advocaat. De rechtbank volgde het standpunt dat de bevoegde instantie de raad van toezicht is en verklaarde zich daarom onbevoegd.
Bout Advocaten werd veroordeeld in de proceskosten, welke aan de zijde van mevrouw Q. nihil werden vastgesteld. Het vonnis werd uitgesproken op 29 april 2010 door kantonrechter G.R. van Baak-Klijnsma.
Uitkomst: Rechtbank verklaart zich onbevoegd en verwijst geschil over advocaatshonorarium naar raad van toezicht.