ECLI:NL:RBGRO:2005:AT9355
Rechtbank Groningen
- Kort geding
- W.J.A.M. Dijkers
- Rechtspraak.nl
Toepassing van art. 7:668a lid 2 BW bij doorstart na faillissement en gevolgen voor arbeidsovereenkomst
Eisers, werknemers van De Brasserie, vorderen wedertewerkstelling en salarisbetaling na beëindiging van hun arbeidsovereenkomst door de faillissementscurator van hun vorige werkgever. Zij stellen dat de arbeidsovereenkomst niet van rechtswege is geëindigd vanwege toepassing van art. 7:668a lid 2 BW bij doorstart na faillissement.
De rechtbank stelt vast dat de ontslagaanzegging door de curator rechtsgeldig was, maar dat de arbeidsovereenkomst met Zeemossel BV en vervolgens HCG voortduurde. De rechtbank oordeelt dat art. 7:668a lid 2 BW ook bij faillissement van toepassing is, waardoor de werknemers bij overname voor onbepaalde tijd in dienst zijn getreden. Eisers hebben daarmee recht op wedertewerkstelling en salarisbetaling.
De vorderingen jegens Plassania worden afgewezen omdat onvoldoende feiten zijn gesteld om Plassania als werkgever aan te merken. De rechtbank wijst de vorderingen tegen HCG toe, matigt de wettelijke verhoging tot 10% en legt een dwangsom op. Eisers worden veroordeeld in de kosten jegens Plassania.
Uitkomst: HCG wordt veroordeeld tot wedertewerkstelling en betaling van salaris met wettelijke verhoging vanaf 8 april 2005.