ECLI:NL:RBGRO:2003:AF6098
Rechtbank Groningen
- Kort geding
- W. Duitemeijer
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vordering tot opheffing van beslag in kort geding over arbeidsovereenkomst
In deze kortgedingprocedure vorderden eiseressen de opheffing van diverse beslagen die door gedaagde waren gelegd ter verzekering van een geldvordering. Gedaagde baseerde zijn vordering op een vermeende arbeidsovereenkomst of overeenkomst van opdracht met eiseressen. Het hof had eerder in een arrest geoordeeld dat het bestaan van deze arbeidsovereenkomst niet aannemelijk was, maar dat bewijslevering in een bodemprocedure niet was uitgesloten.
De voorzieningenrechter overwoog dat in een kort geding slechts summierlijk kan worden getoetst of de vordering ondeugdelijk is. Het enkele feit dat het hof de vordering in kort geding had afgewezen, betekent niet automatisch dat de vordering in een bodemprocedure ook zal worden afgewezen. Gedaagde had zijn vordering onderbouwd met producties en schriftelijke verklaringen, waardoor niet kon worden uitgesloten dat hij in een bodemprocedure zou slagen.
Daarom wees de voorzieningenrechter de vordering tot opheffing van het beslag af en veroordeelde eiseressen in de proceskosten. Het beslag onder de ING Bank en het beslag van gedaagde op een bedrag van € 45.378,02 bleef gehandhaafd. Tevens werd de vordering tot terugbetaling van dat bedrag afgewezen.
De uitspraak bevestigt dat in kort geding een voorlopige toets wordt toegepast en dat bewijslevering in een bodemprocedure essentieel kan zijn voor de uiteindelijke beoordeling van de vordering.
Uitkomst: De vordering tot opheffing van het beslag wordt afgewezen en het beslag blijft gehandhaafd.