ECLI:NL:RBGEL:2026:943

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
11 februari 2026
Publicatiedatum
10 februari 2026
Zaaknummer
AWB-25_994
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:2 AwbArt. 8:1 AwbParticipatiewet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep niet-ontvankelijk wegens gebrek aan belang bij intrekking bijstand

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van het Dagelijks Bestuur van Fijnder tot intrekking en beëindiging van de bijstand van een derde persoon op grond van de Participatiewet. De rechtbank heeft onderzocht of eiser als belanghebbende kan worden aangemerkt voor het bestreden besluit.

De rechtbank oordeelt dat het belang van eiser niet rechtstreeks bij het besluit is betrokken, aangezien het besluit uitsluitend ziet op de intrekking en beëindiging van de bijstand van de derde persoon. Het feit dat eiser mede de kosten van de bijstand moet terugbetalen, maakt dit niet anders, omdat eiser tegen die terugvordering een eigen procedure kan starten.

Daarom is eiser geen belanghebbende in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht en is het beroep niet-ontvankelijk. De rechtbank beoordeelt de zaak niet inhoudelijk en wijst het verzoek om terugbetaling van griffierecht en proceskosten af.

Uitkomst: Het beroep van eiser is niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan rechtstreeks belang.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Zutphen
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 25/994

uitspraak van de enkelvoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiser], uit [plaats], eiser

(gemachtigde: mr. R.M. Noorlander),
en

het Dagelijks Bestuur van Fijnder, Fijnder

(gemachtigde: mr. A. Brons).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het beroep van eiser tegen de intrekking en beëindiging van de bijstand van [persoon A] op grond van de Participatiewet (Pw). Eiser is het niet eens met deze intrekking en beëindiging. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat niet is gebleken dat het belang van eiser rechtstreeks bij het bestreden besluit is betrokken. Eiser is dus geen belanghebbende als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het beroep is daarom niet-ontvankelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Met het primaire besluit 1 van 31 juli 2024 heeft Fijnder het recht op bijstand van [persoon A] vanaf 1 juli 2024 geblokkeerd.
2.1.
Met het primaire besluit 2 van 9 augustus 2024 heeft Fijnder het recht op bijstand van [persoon A] ingetrokken per 3 december 2022 en per direct (de rechtbank begrijpt: 9 augustus 2024) beëindigd.
2.2.
Met het primaire besluit 3 van 26 september 2024 heeft Fijnder het primaire besluit 2 herzien en (opnieuw) het recht op bijstand van [persoon A] ingetrokken per 3 december 2022 en per direct (de rechtbank begrijpt: 26 september 2024) beëindigd met een aangevulde motivering.
2.3.
Met het bestreden besluit van 15 januari 2025 op de bezwaren van [persoon A] heeft Fijnder:
- het bezwaar tegen het primaire besluit 1 ongegrond verklaard;
- het bezwaar tegen het primaire besluit 2 gegrond verklaard, het recht op bijstand ingetrokken met ingang van 1 maart 2024 en de beëindigingsdatum (de rechtbank begrijpt: 9 augustus 2024) in stand gelaten;
- het bezwaar tegen het primaire besluit 3 gegrond verklaard, het recht op bijstand ingetrokken met ingang van 1 maart 2024 en de beëindigingsdatum (de rechtbank begrijpt: 26 september 2024) in stand gelaten;
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Fijnder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 25 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van Fijnder.

Beoordeling door de rechtbank

3. De gemachtigde van eiser heeft een bezwaarschrift (gedateerd 7 november 2024) ingediend tegen de primaire besluiten 2 en 3, waarin Fijnder het recht op bijstand van [persoon A] heeft ingetrokken per 3 december 2022 en per direct beëindigd. Met het bestreden besluit van 15 januari 2025 heeft Fijnder op deze bezwaren beslist.
4. Het beroep in deze zaak is gericht tegen het bestreden besluit van 15 januari 2025, dat is genomen naar aanleiding van de bezwaren van [persoon A] tegen de primaire besluiten. Niet is gebleken dat het belang van eiser rechtstreeks bij het bestreden besluit is betrokken, aangezien dit besluit de intrekking en beëindiging van het recht op bijstand van [persoon A] (en niet eiser) betreft. De omstandigheid dat, mede ten gevolge van het bestreden besluit, de kosten van de bijstand mede bij eiser worden teruggevorderd, maakt dit niet anders. Tegen die mede terugvordering kan eiser namelijk zelfstandig beroep instellen en dat heeft hij ook gedaan (dat beroep is geregistreerd onder zaaknummer ARN 25/2410). In die procedure kan eiser al zijn argumenten naar voren brengen, die hij in deze procedure naar voren brengt. Eiser is dus geen belanghebbende als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb. Het beroep van eiser is daarom niet-ontvankelijk, op grond van artikel 8:1 van Pro de Awb. [1]

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is niet-ontvankelijk. De rechtbank beoordeelt daarom de zaak niet inhoudelijk. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.S.W. Kroon, rechter, in aanwezigheid van
mr. M.P. Hoenderboom, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op:
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 10 november 2023, ECLI:NL:RBROT:2023:10618.