ECLI:NL:RBGEL:2026:910

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
10 februari 2026
Publicatiedatum
9 februari 2026
Zaaknummer
ARN 23_5075
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:19 AwbArt. 7:2 AwbArt. 7:15 AwbArt. 8:45 AwbArt. 8:57 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag ouderdomspensioen wegens niet rechtmatig verblijf in Nederland

Eiser, geboren in Rwanda, heeft beroep ingesteld tegen de gedeeltelijke afwijzing van zijn aanvraag om ouderdomspensioen door de Sociale Verzekeringsbank (SVB). De SVB had geoordeeld dat eiser slechts recht had op pensioen over de periode waarin hij rechtmatig in Nederland verbleef en verzekerd was voor de AOW, namelijk van 22 september 1999 tot 1 april 2003.

De rechtbank oordeelt dat eiser in de overige perioden geen rechtmatig verblijf had en daarom geen pensioen heeft opgebouwd. Eisers beroep dat hij nog steeds vluchtelingenstatus heeft en dat zijn Nederlanderschap ten onrechte is ingetrokken, wordt verworpen. Ook zijn beroep op het EVRM, EU-recht, het evenredigheidsbeginsel en schending van de hoorplicht slaagt niet.

De rechtbank verklaart het beroep tegen het eerste besluit niet-ontvankelijk wegens gebrek aan procesbelang en het beroep tegen het tweede besluit ongegrond. De SVB wordt veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht en proceskosten van eiser. De rechtbank ziet geen aanleiding om prejudiciële vragen te stellen over EU-richtlijnen.

Eiser ontvangt derhalve slechts 8% van het ouderdomspensioen, corresponderend met de periode van rechtmatig verblijf, en geen pensioen over de overige jaren. De beslissing is gebaseerd op de geldende wet- en regelgeving, waaronder de Koppelingswet en de Rijkswet op het Nederlanderschap.

Uitkomst: De rechtbank wijst het beroep van eiser af en bevestigt dat hij slechts recht heeft op ouderdomspensioen over de periode van rechtmatig verblijf in Nederland.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 23/5075

uitspraak van de enkelvoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiser], uit [plaats], eiser

(gemachtigde: mr. E.C. Weijsenfeld),
en

de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank, de SVB

(gemachtigde: mr. L.M.J.A. Erkens-Hanssen).

Inleiding

1. Eiser heeft beroep ingesteld tegen de afwijzing van zijn aanvraag om een ouderdomspensioen op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW).
1.1.
De SVB heeft deze aanvraag met het besluit van 20 april 2023 afgewezen. Met het bestreden besluit 1 van 18 juli 2023 op het bezwaar van eiser is de SVB bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. [1]
1.2.
De SVB heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Eiser heeft hier op gereageerd.
1.3.
In het kader van het vooronderzoek heeft de rechtbank eiser schriftelijk vragen gesteld. [2] Bij e-mailbericht van 14 februari 2025 heeft eiser op deze vragen gereageerd. De rechtbank heeft de SVB vervolgens verzocht om inhoudelijk op het e-mailbericht van eiser van 14 februari 2025 te reageren, wat de SVB bij brief van 23 april 2025 heeft gedaan.
1.4.
Naar aanleiding van de schriftelijke ronde zoals vermeld in 1.3 heeft de rechtbank op grond van artikel 8:45 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op 7 mei 2025 de minister van Asiel en Migratie (hierna: de minister) verzocht om inlichtingen te verstrekken. Bij brief van 20 mei 2025 (met bijlagen) heeft de minister aan dit verzoek voldaan.
1.5.
Naar aanleiding van de inlichtingen van de minister hebben de SVB en eiser afzonderlijk schriftelijk gereageerd. [3] Op 25 augustus 2025 heeft de SVB de rechtbank bericht dat hij voornemens is om een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen.
1.6.
Met het bestreden besluit 2 van 11 september 2025 heeft de SVB het bestreden besluit 1 ingetrokken, (
de rechtbank begrijpt) het bezwaar van eiser tegen het besluit van 20 april 2023 gegrond verklaard en het volgende besloten:
a. Eiser heeft geen recht op ouderdomspensioen opgebouwd in de periode van 1 mei 1973 tot en met 21 september 1999;
b. Eiser heeft geen recht op ouderdomspensioen opgebouwd in de periode van 1 april 2003 tot en met 30 april 2023;
c. De totale periode waarin eiser geen recht op ouderdomspensioen heeft opgebouwd bedraagt 46 jaar, vijf maanden en 21 dagen, waardoor eiser afgerond naar beneden 92% [4] minder ouderdomspensioen ontvangt;
d. Eiser ontvangt vanaf de maand juni 2023 maandelijks 8% ouderdomspensioen;
e. Eiser ontvangt wegens detentie geen ouderdomspensioen in de periode van 1 mei 2023 tot en met 6 juni 2023 en vanaf 1 december 2023.
Hieruit volgt dat eiser in de periode van 22 september 1999 tot 1 april 2003 wel recht op ouderdomspensioen heeft opgebouwd (drie jaar en zeven maanden [5] ).
1.7.
Eiser heeft de rechtbank bericht dat hij zijn beroep handhaaft en heeft nadere gronden ingediend.
1.8.
De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting. [6]

Totstandkoming van de bestreden besluiten

2. Eiser, geboren op [geboortedatum] 1956 in Rwanda, heeft van 1 mei 1973 tot 26 juli 1994 in Rwanda gewoond, van 27 juli 1994 tot 12 januari 1998 in Kenia en vanaf 13 januari 1998 in Nederland. Op 22 september 1999 heeft eiser een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd gekregen en op 9 oktober 2002 het Nederlanderschap. Bij besluit van 22 mei 2013 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid eisers Nederlanderschap ingetrokken. In deze beslissing staat vermeld dat de intrekking van het Nederlanderschap niet verder kan terugwerken dan de datum van inwerkingtreding van de herziene Rijkswet op het Nederlanderschap, te weten 1 april 2003, dat het intrekkingsbesluit geen rechtsgevolg heeft ten aanzien van de periode van 9 oktober 2002 tot 1 april 2003 en dat eiser in deze periode in het bezit is geweest/gebleven van het Nederlanderschap. [7] Het intrekkingsbesluit van 22 mei 2013 is onherroepelijk. [8] Terwijl eiser buiten Nederland woonde, heeft hij niet in Nederland gewerkt en heeft hij geen pensioen of uitkering uit Nederland ontvangen. Eiser was ook niet verzekerd in Nederland op grond van sociale wetgeving. Sinds hij in Nederland verblijft heeft eiser wel gewerkt, namelijk als conciërge. Toen zijn er premies volksverzekering afgedragen. Ondanks dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft in Nederland, wordt hij niet uitgezet naar zijn land van herkomst.
2.1.
Op 2 april 2023 heeft eiser een aanvraag gedaan voor een ouderdomspensioen. Deze aanvraag is in eerste instantie afgewezen, welke afwijzing in bezwaar is gehandhaafd (bestreden besluit 1). In beroep heeft de SVB de aanvraag van eiser bij het bestreden besluit 2 deels gehonoreerd.

Beoordeling door de rechtbank

Omvang van het geding
3. De SVB heeft in het bestreden besluit 2 het bestreden besluit 1 ingetrokken. De rechtbank overweegt dat het bestreden besluit 2 niet geheel tegemoetkomt aan het beroep van eiser en dat het beroep daarom op grond van artikel 6:19 van Pro de Awb mede is gericht tegen het bestreden besluit 2.
3.1.
Eiser heeft geen feiten en omstandigheden naar voren gebracht op grond waarvan zou moeten worden geoordeeld dat hij nog belang heeft bij een beoordeling van zijn beroep tegen het bestreden besluit 1. De rechtbank zal eisers beroep voor zover gericht tegen bestreden besluit 1 wegens het ontbreken van procesbelang niet-ontvankelijk verklaren.
3.2.
Bij brief van 30 september 2025 heeft eiser inhoudelijke gronden ingediend tegen het bestreden besluit 2. Uit deze gronden leidt de rechtbank af dat eiser de beslissing van de SVB, inhoudende dat eiser in de periode van 1 mei 2023 tot en met 6 juni 2023 en vanaf 1 december 2023 wegens detentie geen ouderdomspensioen ontvangt, niet heeft betwist. Uit het voorgaande volgt dat in dit geding alleen nog de vraag voorligt of de SVB terecht heeft besloten dat eiser in verband met zijn verblijfsrechtelijke positie
alléénin de periode van 22 september 1999 tot 1 april 2003 verzekerd is geweest voor de AOW en in dat verband recht op ouderdomspensioen heeft opgebouwd. Uit de beroepsgronden van eiser volgt dat hij van mening is dat hij, vanwege rechtmatig verblijf, in de gehele periode tussen 22 september 1999 en zijn pensioengerechtigde leeftijd recht op ouderdomspensioen heeft opgebouwd. Dat eiser per jaar dat hij niet verzekerd is geweest 2% minder aan ouderdomspensioen ontvangt zal de rechtbank gezien de inhoud van de aanvullende beroepsgronden eveneens onbesproken laten.
3.3.
De rechtbank is van oordeel dat het hiervoor vermelde standpunt van eiser niet slaagt en dat de SVB terecht heeft besloten dat hij in verband met zijn verblijfsrechtelijke positie
alléénin de periode van 22 september 1999 tot 1 april 2003 verzekerd is geweest voor de AOW. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
3.4.
De voor de beoordeling van het beroep belangrijke wet- en regelgeving is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
Waarom is eiser - behoudens de periode van 22 september 1999 tot 1 april 2003 - niet verzekerd geweest voor de AOW?
4. De SVB heeft aan het bestreden besluit 2 – gelezen in samenhang met de brief van de SVB van 7 augustus 2025 – ten grondslag gelegd dat eiser over de periode van 9 oktober 2002 tot 1 april 2003 het Nederlanderschap heeft behouden en dat hij vanaf 1 april 2003 geen rechtmatig verblijf heeft in Nederland. Verder had eiser in de periode van 22 september 1999 tot 9 oktober 2002 de verblijfstitel asiel voor onbepaalde tijd. Eiser is dan ook alleen in de periode van 22 september 1999 tot 1 april 2003 verzekerd geweest voor de AOW.
4.1.
Eiser voert aan dat hij een klacht heeft ingediend bij het Europees Hof voor de Rechten van de Mens over zijn procedure tot intrekking van zijn Nederlanderschap. Rwanda heeft om uitlevering van eiser verzocht maar dat is (onherroepelijk) niet uitgevoerd. Zijn asielstatus geldt nog steeds totdat dit wordt ingetrokken. Volgens eiser moet de SVB zelfstandig beoordelen of hij rechtmatig in Nederland verblijft en op die grond verzekerd is voor de AOW. Eiser heeft langdurig premies volksverzekering betaald en hij kan het land ook niet verlaten.
4.2.
De rechtbank stelt voorop dat om vast te stellen of eiser verplicht verzekerd is geweest voor de AOW van belang is of hij in de periode vanaf zijn komst naar Nederland (13 januari 1998) tot aan zijn pensioengerechtigde leeftijd (in juni 2023) ingezetene was van Nederland of dat hij in Nederland arbeid heeft verricht en als zodanig aan de loonbelasting was onderworpen. Deze hoofdregel staat in artikel 6, eerste lid, van de AOW. Deze regel kent uitzonderingen. Zo worden in het tweede lid van artikel 6 van Pro de AOW vreemdelingen uitgesloten van de verzekeringsplicht als zij niet rechtmatig verblijf houden in de zin van artikel 8, onder a tot en met e en l, van de Vreemdelingenwet 2000. [9] Andere uitzonderingen zijn te vinden in het op artikel 6, derde lid, van de AOW gebaseerde Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1999 (hierna: het Besluit).
4.3.
Vast staat dat eiser in de periode van 9 oktober 2002 tot 1 april 2003 het Nederlanderschap heeft behouden. Dat hij in deze periode verzekerd was voor de AOW staat dan ook vast. Datzelfde geldt voor de periode van 22 september 1999 tot 9 oktober 2002 toen eiser de verblijfstitel asiel voor onbepaalde tijd had. Partijen verschillen hierover ook niet van mening. Voorgaande maakt dat eiser in de periode van 22 september 1999 tot 1 april 2003, zijnde afgerond naar boven, in vier jaar recht op ouderdomspensioen heeft opgebouwd.
4.4.
De rechtbank is het verder met de SVB eens dat eiser in de overige perioden (13 januari 1998 tot en met 21 september 1999 en van 1 april 2003 tot en met 30 april 2023) geen recht op ouderdomspensioen heeft opgebouwd, omdat hij geen rechtmatig verblijf had. Eiser stelt dat het Nederlanderschap ten onrechte is ingetrokken en dat hij daarover een procedure heeft lopen bij het Europees Hof voor de Rechten van de Mens. De rechtbank is van oordeel dat de SVB zich bij het bestreden besluit 2 terecht heeft gebaseerd op de inhoud van de besluitvorming van de (toenmalige) staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, die inmiddels in rechte vast staat.
4.5.
Eisers argument dat hij nog steeds een vluchtelingenstatus heeft - de rechtbank begrijpt dat eiser stelt dat zijn asielvergunning voor onbepaalde tijd [10] niet is ingetrokken - slaagt niet. Uit artikel 1C, onder 3, van het Vluchtelingenverdrag [11] volgt dat het verdrag ophoudt van toepassing te zijn op de betrokkene die een nieuwe nationaliteit heeft verkregen en de bescherming geniet van het land waarvan hij de nieuwe nationaliteit bezit. Toen eiser op 9 oktober 2002 het Nederlanderschap verkreeg hield naar het oordeel van de rechtbank zijn vluchtelingenstatus op en is eisers verblijfstitel als gevolg van de verlening of verkrijging van het Nederlanderschap van rechtswege vervallen. Omdat het Nederlanderschap niet met terugwerkende kracht tot de datum van verlening of verkrijging is ingetrokken en eiser in de periode van 9 oktober 2002 tot 1 april 2003 het Nederlanderschap heeft behouden is – anders dan eiser lijkt te stellen – geen sprake van een situatie dat zijn rechtmatige verblijfsstatus is herleefd. Eiser kan alleen een rechtmatige verblijfsstatus krijgen als hij daarvoor een nieuwe aanvraag heeft gedaan waarop positief is beslist door het bevoegd gezag. [12] Van dit laatste is de rechtbank niet gebleken. Eiser heeft tot slot niet gesteld dat hij op grond van het Besluit anderszins verzekerd was voor de AOW.
Overige beroepsgronden
5. Eisers beroepsgrond dat de SVB onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar de vraag of hij recht op ouderdomspensioen heeft opgebouwd, hoeft de rechtbank niet meer te beoordelen, omdat dit bij het bestreden besluit 2 is hersteld.
6. Eiser wijst nog op een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep. [13] Eiser stelt dat zijn aanspraak en opbouw van voorzieningen pas is veranderd op 22 mei 2022, toen de intrekking van zijn verblijfsstatus onaantastbaar is geworden. Volgens eiser volgt uit deze rechtspraak dat wanneer daar anders over gedacht wordt, dit in strijd komt met de materiële rechtszekerheid. Volgens eiser is de intrekking van zijn Nederlanderschap pas in 2022 definitief geworden en kan dit hem vóór die tijd niet worden tegengeworpen.
6.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. In de zaak waarnaar eiser verwijst heeft betrokkene steeds feitelijk bijstand betaald gehad en had hij toen geen reden om aan te nemen dat hij dit onterecht ontving. Daarin verschilt deze zaak met onderhavig geschil. Zoals de SVB heeft aangegeven krijgt eiser pas vanaf zijn pensioengerechtigde leeftijd (juni 2023) ouderdomspensioen. Daarvoor was hem dat ook nooit toegekend en er wordt hem ook geen ouderdomspensioen afgenomen. Van een strijd met de materiële rechtszekerheid kan dan ook niet worden gesproken.
7. Eiser stelt dat het (deels) weigeren van een ouderdomspensioen in strijd is met verdragsrecht, EU-recht (artikelen 3, 6, 8, 13 en 14 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM)) en het evenredigheidsbeginsel.
7.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Voorop staat dat eiser niet heeft onderbouwd waarom de weigering om hem (een volledig) ouderdomspensioen toe te kennen leidt tot schending van de artikelen 3, 6, 8, 13 en 14 van het EVRM. De weigering om ouderdomspensioen toe te kennen wanneer betrokkene niet verzekerd is voor de AOW vloeit dwingend voort uit een wet in formele zin. Naar de huidige stand van de rechtsontwikkeling staat het toetsingsverbod van artikel 120 van Pro de Grondwet in zijn algemeenheid in de weg aan toetsing aan algemene rechtsbeginselen zoals het evenredigheidsbeginsel. Dat is slechts anders indien sprake is van bijzondere omstandigheden die niet of niet ten volle zijn verdisconteerd in de afweging van de wetgever, waardoor aanleiding kan bestaan om tot een andere uitkomst te komen dan waartoe toepassing van de wettelijke bepaling leidt. Dat is het geval indien die niet verdisconteerde bijzondere omstandigheden de toepassing van de wettelijke bepaling zozeer in strijd doen zijn met algemene rechtsbeginselen of (ander) ongeschreven recht, dat die toepassing achterwege moet blijven (zogenoemde ‘contra-legemtoepassing’). De rechtbank is van oordeel dat de omstandigheid dat een vreemdeling geen rechtmatig verblijf heeft in Nederland en hij om die reden niet verzekerd is voor de AOW een bijzondere omstandigheid is die onmiskenbaar (volledig) door de wetgever is verdisconteerd. Bij het invoeren van de Koppelingswet (en daarmee het opnemen van artikel 6 van Pro de AOW) kan het de wetgever niet ontgaan zijn dat een vreemdeling zonder rechtmatig verblijf geen recht heeft op ouderdomspensioen, ook niet nadat dat verblijf met terugwerkende kracht (voor een deel) is ingetrokken.
8. Eiser voert ten slotte nog aan dat de SVB ten onrechte niet heeft getoetst aan EU-recht. De weigering hem ouderdomspensioen toe te kennen komt in strijd met de menselijke waardigheid en evenredigheid. Eiser stelt dat hij niet kan terugkeren naar Rwanda, dat hij geen bijstand kan krijgen en dat de SVB zijn enige inkomen blokkeert. Eiser en zijn echtgenote kunnen hun vaste lasten niet meer betalen. Eiser wijst in dat verband op enkele arresten van het Hof van Justitie. [14]
8.1.
Deze beroepsgrond slaagt evenmin. Tussen partijen is niet in geschil dat eiser niet kan en hoeft terug te keren naar Rwanda. Dat maakt echter niet dat hij daardoor aanspraak kan maken op sociale voorzieningen (zoals het door hem gewenste ouderdomspensioen en de Aanvullende Inkomensondersteuning op grond van de Participatiewet). Niet gebleken is dat eiser niet anderszins is of kan worden ondersteund in zijn basisbehoeften. Dat hij hiervan tot zijn aanvraag om ouderdomspensioen is verstoken gebleven, heeft hij ook niet gesteld noch aannemelijk gemaakt. Nu eiser behoudens de periode van 22 september 1999 tot 1 april 2003 geen rechtmatig verblijf heeft in Nederland, komt de rechtbank niet toe aan de vraag of de weigering van de SVB om hem een ouderdomspensioen toe te kennen ertoe heeft geleid dat de essentie van de EU-burgerschapsrechten van eiser hem worden ontnomen. De stelling dat hij niet wordt uitgeleverd en hem desalniettemin geen verblijfsstatus wordt verleend, waardoor zijn fundamentele rechten in gevaar komen, is een discussie die niet ziet op onderhavig geschil. Dat geldt ook voor zijn stelling dat hij nog steeds vluchteling is, nog steeds bescherming geniet en er geen actuele bedreiging is voor de openbare orde.
9. Eiser verzoekt de rechtbank prejudiciële vragen te stellen over de uitleg van de Terugkeerrichtlijn en de Kwalificatierichtlijn met betrekking tot het onthouden van minimale voorzieningen aan een man die niet uitgezet kan worden. De rechtbank ziet hiervoor echter geen aanleiding. Wat er in de Terugkeerrichtlijn en de Kwalificatierichtlijn is geregeld en hoe dat zich verhoudt tot eisers verblijfsstatus, is geen onderdeel van dit geding. Onderhavig geschil valt dan ook niet binnen de werkingssfeer van dit EU-recht. De rechtbank ziet verder geen grond om te oordelen dat eiser aan deze twee richtlijnen, in weerwil van de Koppelingswet, aanspraak kan maken op ouderdomspensioen.
Hoorplicht
10. Eiser voert verder nog aan dat de SVB ten onrechte het bezwaar kennelijk ongegrond heeft verklaard en heeft afgezien van het horen van eiser. De rechtbank stelt vast dat, omdat het bestreden besluit 1 is ingetrokken, geen sprake meer is van een kennelijk ongegrond bezwaar. Echter de SVB heeft ook afgezien van het horen van eiser alvorens hij het bestreden besluit 2 heeft genomen. Anders dan eiser lijkt te veronderstellen geldt de hoorplicht, zoals vastgelegd in artikel 7:2 van Pro de Awb, voor de eerste beslissing op bezwaar. Hoewel er geen strikte verplichting is, had de SVB onder bepaalde omstandigheden eiser alsnog moeten horen, alvorens het bestreden besluit 2 te nemen. Bijvoorbeeld als de nieuwe beslissing op bezwaar berust op een wezenlijk andere motivering of nieuwe feiten en omstandigheden die de burger nog niet eerder heeft kunnen toelichten, als de rechter in de uitspraak specifieke aanwijzingen geeft over het betrekken van de burger bij de voorbereiding van de nieuwe beslissing of op grond van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur (zoals het zorgvuldigheidsbeginsel en hoor en wederhoor). Eiser heeft niet naar voren gebracht waarom hij alsnog had moeten worden gehoord alvorens de SVB het bestreden besluit 2 heeft genomen. Het is de rechtbank ook niet gebleken dat van dergelijke bijzondere omstandigheden sprake is in dit geding. De rechtbank betrekt hierbij dat eiser in beroep een ander standpunt heeft ingenomen, dan hij in bezwaar had ingenomen en dat hij daarover zijn visie (meermalen) schriftelijk naar voren heeft kunnen brengen.
Proceskostenvergoeding in bezwaar
11. Eiser voert ten slotte aan dat de SVB bij het bestreden besluit 2 ten onrechte geen proceskosten heeft vergoed voor de bezwaarfase. Deze beroepsgrond slaagt niet omdat (de gemachtigde van) eiser in bezwaar niet heeft verzocht om proceskostenvergoeding. Aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 7:15 van Pro de Awb is dan ook niet voldaan.

Conclusie en gevolgen

12. Het beroep tegen het bestreden besluit 1 is niet-ontvankelijk en tegen het bestreden besluit 2 ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijg. Omdat de SVB in beroep het bestreden besluit 1 heeft ingetrokken en het bestreden besluit 2 heeft genomen, ziet de rechtbank aanleiding om te bepalen dat de SVB aan eiser het griffierecht moet vergoeden. Hij krijgt ook een vergoeding van zijn proceskosten. De SVB moet die vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.401 (één punt voor het beroepschrift en een half punt voor de nadere gronden tegen het bestreden besluit 2). Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep voor zover gericht tegen bestreden besluit 1 niet-ontvankelijk;
  • verklaart het beroep voor zover gericht tegen bestreden besluit 2 ongegrond;
  • draagt de SVB op het betaalde griffierecht van € 50 aan eiser te vergoeden;
  • veroordeelt de SVB in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.401.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M.C. Schuurman-Kleijberg, rechter, in aanwezigheid van mr. N. ter Horst, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Het indienen van een hogerberoepschrift kan hetzij digitaal via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl hetzij door verzending per post aan de Centrale Raad van Beroep.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving
Verdrag betreffende de status van vluchtelingen
Artikel 1C onder 3
Dit Verdrag houdt op van toepassing te zijn op elke persoon die valt onder de bepalingen van afdeling A, indien:
Hij een nieuwe nationaliteit heeft verkregen en de bescherming geniet van het land waarvan hij de nieuwe nationaliteit bezit.
Algemene wet bestuursrecht
Artikel 7:2
1. Voordat een bestuursorgaan op het bezwaar beslist, stelt het belanghebbenden in de gelegenheid te worden gehoord.
2. Het bestuursorgaan stelt daarvan in ieder geval de indiener van het bezwaarschrift op de hoogte alsmede de belanghebbenden die bij de voorbereiding van het besluit hun zienswijze naar voren hebben gebracht.
Artikel 7:15
1. Voor de behandeling van het bezwaar is geen recht verschuldigd.
2. De kosten, die de belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, worden door het bestuursorgaan uitsluitend vergoed op verzoek van de belanghebbende voor zover het bestreden besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid.
3. Het verzoek wordt gedaan voordat het bestuursorgaan op het bezwaar heeft beslist. Het bestuursorgaan beslist op het verzoek bij de beslissing op het bezwaar.
4. Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over de kosten waarop de vergoeding uitsluitend betrekking kan hebben en over de wijze waarop het bedrag van de kosten wordt vastgesteld.
5. Indien aan de belanghebbende in verband met het bezwaar een toevoeging is verleend op grond van de Wet op de rechtsbijstand, betaalt het bestuursorgaan de toe te kennen vergoeding aan de rechtsbijstandverlener. De rechtsbijstandverlener stelt de belanghebbende zoveel mogelijk schadeloos voor de door deze voldane eigen bijdrage. De rechtsbijstandverlener doet aan de Raad voor rechtsbijstand opgave van een kostenvergoeding door het bestuursorgaan.
Algemene ouderdomswet
Artikel 2
Ingezetene in de zin van deze wet is degene, die in Nederland woont.
Artikel 6
1. Verzekerd overeenkomstig de bepalingen van deze wet is degene, die nog niet de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt, en
a. ingezetene is;
b. geen ingezetene is, doch ter zake van in Nederland of op het continentaal plat in dienstbetrekking verrichte arbeid aan de loonbelasting is onderworpen.
2. Niet verzekerd is de vreemdeling die niet rechtmatig in Nederland verblijf houdt in de zin van artikel 8, onder a tot en met e en l, van de Vreemdelingenwet 2000.
3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan, in afwijking van het eerste en tweede lid, uitbreiding dan wel beperking worden gegeven aan de kring der verzekerden.
4. Bij een maatregel, als bedoeld in het derde lid, kan worden afgeweken van het tweede lid ten aanzien van:
a. vreemdelingen die rechtmatig in Nederland arbeid verrichten, dan wel hebben verricht;
b. vreemdelingen die, na rechtmatig verblijf te hebben gehouden in de zin van artikel 8, onder a tot en met e en l, van de Vreemdelingenwet 2000, rechtmatig in Nederland verblijf hebben als bedoeld in artikel 8, onder g of h, van de Vreemdelingenwet 2000.
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap
Paragraaf 4.2.2. (bij artikel 14, eerste lid, van de Rijkswet op het Nederlanderschap)
Vreemdelingen die voor inwerkingtreding van artikel 14 lid 1 RWN Pro (1 april 2003) Nederlander zijn geworden en van wie het Nederlanderschap niet wegens identiteitsfraude (maar op grond van een andere vorm van fraude) is ingetrokken.
In deze situatie werkt de intrekking terug tot de datum van inwerkingtreding van artikel 14, eerste lid, RWN. De persoon wordt geacht vanaf het moment van verlening van het Nederlanderschap tot 1 april 2003 Nederlander te zijn geweest. Als gevolg van de verlening of verkrijging van het Nederlanderschap is de verblijfstitel van rechtswege vervallen. De vreemdeling heeft dan ook geen verblijfsrecht meer.
De vreemdeling die zijn eerder verleende verblijfsvergunning niet terugkrijgt kan een verblijfsvergunning aanvragen. Die aanvraag zal in een vreemdelingrechtelijke procedure worden behandeld. Verder is het mogelijk dat de grond voor het eerdere verblijfsrecht kan komen te vervallen (bijvoorbeeld omdat de fraude die heeft geleid tot intrekking van het Nederlanderschap ook kan leiden tot intrekking van de verblijfsvergunning). Het mogelijk vervallen van een verblijfsvergunning zal eveneens in een vreemdelingrechtelijke procedure worden behandeld.

Voetnoten

1.Het bezwaar is kennelijk ongegrond verklaard.
2.Verwezen wordt naar de brief van de rechtbank van 4 februari 2025.
3.Verwezen wordt naar de brief van de SVB van 7 augustus 2025 en het e-mailbericht van eiser van eveneens 7 augustus 2025.
4.46 jaar maal 2% per jaar.
5.Afgerond naar boven 4 jaar, maal 2% is 8% ouderdomspensioen.
6.Artikel 8:57 van Pro de Algemene wet bestuursrecht maakt dit mogelijk.
7.Pagina 31 onder punt 5.
8.Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 11 mei 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1267.
9.Uitwerking in de AOW van de zogenaamde Koppelingswet. Het koppelingsbeginsel strekt ertoe het recht op verstrekkingen, voorzieningen en uitkeringen ten laste van de collectieve middelen, te koppelen aan rechtmatig verblijf in Nederland. Het koppelingsbeginsel heeft tot doel te voorkomen dat illegale vreemdelingen door ontvangst van uitkeringen en verstrekkingen in staat worden gesteld tot voortzetting van hun wederrechtelijk verblijf of het verwerven van de schijn van volkomen legaliteit.
10.Wegens toelating als vluchteling.
11.Verdrag betreffende de status van vluchtelingen.
12.Verwezen wordt naar de Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap, paragraaf 4.2.2.
14.ECLI:EU:C:2014:2453, ECLI:EU:C:2015:413, ECLI:EU:C:2024:748.