ECLI:NL:RBGEL:2026:832

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
5 februari 2026
Publicatiedatum
4 februari 2026
Zaaknummer
ARN 23_2774
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • A.S. Gaastra
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:19 AwbArt. 8:119 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Minister hoeft boete wegens overschrijding inburgeringstermijn niet te laten vervallen

Eiseres kreeg een boete opgelegd wegens verwijtbare overschrijding van de inburgeringstermijn, met terugbetalingsverplichting van haar DUO-lening. Na bezwaar en beroep vernietigde de rechtbank in 2022 het besluit over de terugbetaling vanwege onvoldoende belangenafweging, maar bevestigde de rechtmatigheid van de boete. De minister nam daarop een nieuw besluit waarin de terugbetalingsverplichting werd gehandhaafd, maar de boete niet opnieuw werd beoordeeld.

Eiseres stelde dat ook de boete had moeten vervallen, verwijzend naar nieuwe jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De rechtbank oordeelde echter dat het niet instellen van hoger beroep tegen de eerdere uitspraak betekent dat het eerdere oordeel over de boete bindend is, tenzij er nieuwe feiten zijn. De uitspraak van de Afdeling wordt niet als nieuw feit beschouwd.

De rechtbank verklaarde het beroep tegen het eerste bestreden besluit niet-ontvankelijk en het beroep tegen het tweede bestreden besluit ongegrond. Tevens werd de minister veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eiseres. Een verzoek tot herziening van de eerdere uitspraak werd afgewezen omdat de nieuwe jurisprudentie na die uitspraak is verschenen.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep tegen het bestreden besluit II ongegrond en bevestigt dat de minister de boete terecht niet heeft laten vervallen.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 23/2774

uitspraak van de enkelvoudige kamer van

in de zaak tussen
[eiseres], uit [plaats], eiseres
(gemachtigde: mr. J.M.E. van der Haar),
en

de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid

(gemachtigde: mr. G.J.M. Naber).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de vraag of de minister de aan eiseres opgelegde boete had moeten laten vervallen. Eiseres is het niet eens met de opgelegde boete en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister de aan eiseres opgelegde de boete terecht niet heeft laten vervallen. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Totstandkoming van het bestreden besluit

2. Met het besluit van 17 juni 2020 heeft de minister aan eiseres een boete opgelegd omdat eiseres de inburgeringstermijn verwijtbaar heeft overschreden. Daarom moet eiseres haar lening van DUO [1] terugbetalen. Met het besluit op bezwaar van 26 maart 2021 is de minister bij dat besluit gebleven. Eiseres heeft vervolgens beroep ingesteld tegen het besluit op bezwaar.
2.1.
In de uitspraak van 21 september 2022 [2] heeft deze rechtbank het beroep van eiseres gegrond verklaard, omdat de minister bij het opleggen van de terugbetalingsverplichting niet de vereiste belangenafweging heeft gemaakt. De rechtbank heeft verder overwogen dat de minister terecht een boete heeft opgelegd. Vervolgens heeft de rechtbank het besluit van 25 maart 2021 vernietigd en de minister opgedragen een nieuwe besluit op het bezwaar van eiseres te nemen. Eiseres heeft geen hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank van 21 september 2022.
2.2.
De minister heeft met het bestreden besluit van 2 mei 2023 (bestreden besluit I) het bezwaar van eiseres opnieuw ongegrond verklaard en de terugbetalingsverplichting van de lening in stand gelaten. De minister heeft zich niet opnieuw uitgelaten over de aan eiseres opgelegde boete.
2.3.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit I.
2.4.
Tijdens deze beroepsprocedure heeft de minister op 27 augustus 2025 een nieuw besluit genomen op het bezwaar van eiseres (bestreden besluit II) naar aanleiding van nieuwe rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling). [3] In het bestreden besluit II heeft de minister het bezwaar van eiseres gegrond verklaard en de terugbetalingsverplichting van de lening laten vervallen. De minister heeft zich niet opnieuw uitgelaten over de aan eiseres opgelegde boete. Het beroep is van rechtswege mede gericht op het bestreden besluit II. [4]
2.5.
De rechtbank heeft het beroep op 26 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van eiseres deelgenomen. De gemachtigde van de minister is met voorafgaande kennisgeving niet verschenen.

Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank stelt allereerst vast dat het bestreden besluit II in de plaats is gekomen van het bestreden besluit I. Het is de rechtbank niet gebleken dat eiser nog belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep tegen het bestreden besluit I. het beroep daartegen is daarom niet-ontvankelijk. De rechtbank beoordeelt wel het beroep voor zover dat is gericht tegen het bestreden besluit II.
Had de minister ook de boete moeten laten vervallen in het bestreden besluit II?
4. Eiseres stelt dat de minister zowel de terugbetalingsverplichting van de lening als de boete had de minister moeten laten vervallen. Een boete mag namelijk alleen worden opgelegd in uitzonderlijke gevallen, terwijl de minister nooit heeft gesteld dat sprake is van een uitzonderlijk geval voor wat betreft de bereidheid van eiseres tot integratie. Eiseres wijst ter ondersteuning van haar standpunt op de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 9 juli 2025. [5]
4.1.
Gelet op vaste rechtspraak [6] heeft het niet instellen van hoger beroep tegen een eerdere uitspraak van de rechtbank, waarbij de rechtbank een eerder besluit heeft vernietigd, tot gevolg dat, indien in beroep tegen het nieuwe besluit op de aanvraag beroepsgronden worden aangevoerd die door de rechtbank in die eerdere uitspraak uitdrukkelijk en zonder voorbehoud zijn verworpen, de rechtbank van de juistheid van het eerder gegeven oordeel over die beroepsgronden heeft uit te gaan. Slechts nieuw gebleken feiten of omstandigheden kunnen een hernieuwde beoordeling van een eerder verworpen beroepsgrond rechtvaardigen. [7]
4.2.
De rechtbank is van oordeel dat de minister de aan eiseres opgelegde de boete terecht niet heeft laten vervallen. In de uitspraak van de rechtbank van 21 september 2022 heeft de rechtbank de minister opgedragen een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van eiseres, omdat onvoldoende is gemotiveerd waarom het vasthouden aan de terugbetalingsverplichting van de lening niet onevenredig uitpakt voor eiseres. De minister was niet gehouden zich opnieuw uit te laten over de opgelegde boete, omdat de rechtbank in die uitspraak heeft geoordeeld dat de boete terecht is opgelegd. Eiseres heeft ook geen hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank. Dit betekent dat de rechtbank uitgaat van de juistheid van het eerder gegeven oordeel over de beroepsgrond over de opgelegde boete. Er is ook niet gebleken van nieuwe feiten of omstandigheden waardoor deze eerder verworpen beroepsgrond een hernieuwde beoordeling rechtvaardigt. Een uitspraak van een rechterlijke instantie, in dit geval de uitspraak van de Afdeling van 9 juli 2025, is namelijk niet aan te merken als een nieuw gebleken feit of omstandigheid. [8]
4.3.
Voor zover de gemachtigde van eiseres op de zitting een herzieningsverzoek heeft gedaan van de uitspraak van deze rechtbank van 21 september 2022, wijst de rechtbank dat verzoek af. Een van de voorwaarden om een uitspraak te herzien is dat er feiten of omstandigheden hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak van de rechtbank [9] , maar dat is hier niet het geval omdat de uitspraak van de Afdeling van 9 juli 2025 is. De rechtbank geeft eiseres wel in overweging om een herzieningsverzoek in te dienen bij DUO.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep tegen het bestreden besluit I is niet-ontvankelijk. Het beroep tegen het bestreden besluit II is ongegrond.
5.1.
In de omstandigheid dat de minister in beroep het bestreden besluit II heeft genomen, ziet de rechtbank aanleiding om te bepalen dat de minister het griffierecht aan eiseres moet vergoeden. Ook krijgt eiseres een vergoeding voor de proceskosten die zij heeft gemaakt. Deze vergoeding bedraagt € 1.868 omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep, voor zover gericht tegen het bestreden besluit I, niet-ontvankelijk;
- verklaart het beroep, voor zover gericht tegen het bestreden besluit II, ongegrond;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868 aan proceskosten aan eiseres;
- bepaalt dat de minister het door eiseres betaalde griffierecht van € 50 aan haar vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.S. Gaastra, rechter, in aanwezigheid van
mr.L. Janssen, griffier. Uitgesproken in het openbaar op:
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Dienst Uitvoering Onderwijs.
3.ABRvS 9 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3087.
4.Dit volgt uit artikel 6:19 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
5.ECLI:NL:RVS:2025:3087, r.o. 9.4 en 10.1.
6.ABRvS 6 augustus 2003, ECLI:NL:RVS:2003:AI0801 (Brummen-leer).
7.ABRvS 14 juni 2007, ECLI:NL:RVS:2007:BA7794.
8.ABRvS 28 maart 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1033.
9.Zie artikel 8:119 van Pro de Awb.