ECLI:NL:RBGEL:2026:734

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
2 februari 2026
Publicatiedatum
30 januari 2026
Zaaknummer
24-3301
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.33 WaboArt. 6:20 AwbArt. 8:72 AwbArt. 2.1 WaboArt. 4 Invoeringswet Omgevingswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging weigering intrekking milieuvergunning eendenhouderij wegens onvoldoende motivering

De zaak betreft het beroep van Coöperatie Mobilisation for the Environment tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Putten om de aanvraag tot gedeeltelijke intrekking van een milieuvergunning voor een eendenhouderij te weigeren. De milieuvergunning was verleend in 2011 en betrof onder meer het houden van vleeseenden.

Eiseres stelde dat er sinds 2017 geen vleeseenden meer werden gehouden en verzocht het college om de vergunning gedeeltelijk in te trekken. Het college weigerde dit, met als motivering dat de agrarische bedrijfsvoering stil lag vanwege onder meer de coronapandemie, stikstofproblematiek en vogelgriep, en dat het bedrijf mogelijkheden onderzoekt voor voortzetting van agrarische activiteiten. De rechtbank oordeelt dat het college de belangenafweging onvoldoende heeft gemotiveerd, met name door het ontbreken van een afweging van de positieve milieugevolgen van intrekking en onvoldoende onderbouwing van de plannen van vergunninghouder.

De rechtbank stelt vast dat het college bevoegd is de vergunning gedeeltelijk in te trekken omdat er drie aaneengesloten jaren geen vleeseenden zijn gehouden. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit wegens strijd met het motiverings- en zorgvuldigheidsbeginsel en bepaalt dat het college een nieuwe beslissing op bezwaar moet nemen met inachtneming van deze uitspraak.

Daarnaast is het college veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht en proceskosten aan eiseres. De rechtbank ziet geen aanleiding om het geschil finaal te beslechten en wijst op de mogelijkheid van overleg tussen partijen over de voortzetting van de procedure.

Uitkomst: Het besluit tot weigering van gedeeltelijke intrekking van de milieuvergunning wordt vernietigd wegens onvoldoende motivering.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 24/3301

uitspraak van de meervoudige kamer van

in de zaak tussen

Coöperatie Mobilisation for the Environment, uit Nijmegen, eiseres

(gemachtigde: mr. M. Woudwijk),
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Putten, het college

(gemachtigde: E. Verbree).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel:
[derde-partij]uit [plaats] , vergunninghouder
(gemachtigde: [gemachtigde] ).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiseres om de aan vergunninghouder verleende milieuvergunning van 28 maart 2011 gedeeltelijk in te trekken. Eiseres is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is omdat het besluit niet goed genoeg is gemotiveerd.

Procesverloop

2. Het college heeft op 28 maart 2011 aan vergunninghouder een revisievergunning (hierna: milieuvergunning) verleend. Op grond van deze vergunning mogen in het bedrijf de volgende dieraantallen worden gehouden:
2.1.
Op 11 november 2016 heeft vergunninghouder een melding op grond van het Activiteitenbesluit milieubeheer ingediend voor het verminderen van het aantal dieren. In de acceptatie van de melding door het college staat het volgende:
Het college heeft naar aanleiding van deze melding bij besluit van 28 november 2016 maatwerkvoorschriften voor geluid vastgesteld.
2.2.
Op 12 oktober 2020 heeft het college aan vergunninghouder een tijdelijke omgevingsvergunning verleend om tot 31 december 2023 van het bestemmingsplan af te kunnen wijken voor een caravanstalling van 1.000 m² in de vleeseendenstal. [1] In de omgevingsvergunning staat het volgende:
“Er is hier sprake van een bijzondere situatie. Het gaat om jonge ondernemers die het bedrijf recent gekocht hebben. Met name door de corona maatregelen is de afzetmarkt voor de eenden erg onzeker geworden en daarom op dit moment niet rendabel. De opstartfase van de agrarische bedrijfsvoering is daardoor stil komen te liggen, wat onzekerheid en inkomstengemis met zich meebrengt. Gelet hierop willen wij daarom deze ondernemers graag ter wille zijn om ter overbrugging een ander gebruik van de schuur toe te staan. In de komende jaren kan gekeken worden welke agrarische activiteiten weer opgepakt en uitgebouwd kunnen worden op het perceel.”
2.3.
Op 3 februari 2021 heeft het college aan vergunninghouder een tijdelijke omgevingsvergunning verleend om tot 1 januari 2024 van het bestemmingsplan af te kunnen wijken voor niet-agrarische opslag in de kalverenstal. [2] In de omgevingsvergunning staat het volgende:
“De vergunning wordt aangevraagd voor 3 jaar. Op dit moment zijn de eigenaren bezig met het fokken van stamboek mini-koeien. Het plan is om deze activiteit stapsgewijs uit te breiden. Het plan voor de komende 3 jaar bestaat uit enerzijds caravanstalling in de eendenschuur zoals deze tijdelijk is vergund. De kalverstal waar nu een vergunning voor wordt gevraagd willen de eigenaren stapsgewijs renoveren te beginnen met het vervangen van het asbestdak. Om dit te kunnen bekostigen is er een inkomstenstroom nodig. Door de staat van onderhoud en maatvoering van deze schuur c.q. deuren is deze niet geschikt voor caravanstalling. De komende 3 jaar worden benutten om een toekomstplan te ontwikkelen. De eigenaren oriënteren zich op dit moment op de mogelijkheid van opfok van melkgeiten, maar ook activiteiten als kalkoenhouderij, vleespluimvee etc. zullen bekeken worden. In de periode van 3 jaar moet blijken of een rendabele bedrijfsvoering in de agrarische sector haalbaar is.”
2.4.
Eiseres heeft in de aanvraag van 17 mei 2022 aangegeven dat uit de meitellingen uit de periode van 2010 tot op heden blijkt dat vanaf 2017 geen vleeseenden meer zijn gehouden. Ook in de jaren daarvoor zijn minder vleeseenden gehouden dan maximaal vergund. Eiseres verzoekt het college daarom om de milieuvergunning van 28 maart 2011 gedeeltelijk in te trekken. Het college is daartoe volgens eiseres bevoegd op grond van artikel 2.33, tweede lid, onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).
2.5.
In het primaire besluit van 13 februari 2023 heeft het college geweigerd om de omgevingsvergunning gedeeltelijk in te trekken.
2.6.
Eiseres heeft een bezwaarschrift ingediend.
2.7.
Eiseres heeft op 21 mei 2024 beroep ingesteld bij de rechtbank omdat niet tijdig op het bezwaarschrift is beslist.
2.8.
In het bestreden besluit van 16 juli 2024 heeft het college dit besluit in stand gelaten, met de volgende motivering:
“Wij hebben besloten het advies van de commissie Bezwaarschriften, dat wordt geacht deel uit te maken van dit besluit, met overneming van de daarin verwoorde motivering te volgen. Dit betekent dat wij het bezwaarschrift gegrond verklaren en het bestreden besluit onder de volgende nadere motivering in stand houden. Zoals de commissie terecht overweegt in haar advies zijn er in de afgelopen 3 jaar geen vleeseenden gehouden in de inrichting. Uit de rechtspraak blijkt dat wij bij het maken van een afweging om al dan niet gebruik te maken van onze bevoegdheid om een toestemming geheel of gedeeltelijk in te trekken wij alle relevante belangen dienen te inventariseren en af te wegen.
Wij gaan ervan uit dat volgens de vergunde situatie maximaal 12.625 vleeseenden mogen worden gehouden. Ten opzichte van andere bedrijven is dit een beperkt aantal. In 2016 is een melding gedaan voor het houden van 5750 vleeseenden.
Het college stelt vast dat de vergunde milieusituatie niet afwijkt van de ruimtelijke bestemming. Bezwaarmaker stelt overigens niet dat dit anders is.
In dit geval is er sprake van een ondernemer die de verschillende mogelijkheden voor een eventueel gewijzigde bedrijfsvoering onderzoekt. Vanwege dit onderzoek heeft de ondernemer tijdelijke vergunningen gekregen om onder andere caravans op te slaan.
Het uitgangspunt van deze vergunningen was dat de agrarische bedrijfsvoering noodgedwongen stil is komen te liggen, maar dat zowel de ondernemer als de gemeente een voortzetting van agrarische activiteiten voorstaan.
De (vergunde) drie jaar is te kort gebleken. Door verschillende juridische en maatschappelijke ontwikkelingen ontstond een onzekere situatie waardoor het voor dit bedrijf moeilijk was een koers te bepalen. Het is in de agrarische sector een hectische tijd met veel onzekerheden geweest. De coronapandemie had langer durende gevolgen dan in eerste instantie werd verwacht, maar ook de stikstofproblematiek en de vogelgriep, hebben voor onzekerheden en tegenslagen gezorgd. Ook op dit moment is er op het gebied van de stikstof voor de ondernemers nog geen duidelijkheid over de toekomst.
De ondernemer onderzoekt op dit moment samen met de (…) mogelijkheden voor het al dan niet voortzetten van agrarische activiteiten. Er loopt momenteel een vergunningprocedure om nogmaals een afwijking van het bestemmingsplan toe te staan. Het heeft in lijn met de verleende vergunningen nog steeds de voorkeur van de gemeente dat dit op zorgvuldige wijze gebeurt dan dat vanwege het (mogelijk) kwijtraken van rechten op een snelle maar (ook maatschappelijk) onwenselijke wijze een doorstart wordt gemaakt. De ondernemer heeft geen eerdere signalen ontvangen dat hij op korte termijn concrete stappen zou moeten ondernemen om te voorkomen dat hij bestaande rechten die van belang zijn voor structurele voortzetting van zijn bedrijfsvoering zou verliezen.
Het bovenstaande afwegende tegen de belangen van de verzoeker en de algemene belangen maakt dat wij het onevenredig bezwarend vinden om gebruik maken van onze bevoegdheid tot het gedeeltelijk intrekken van de vergunning.”
2.9.
Het beroep heeft op grond van artikel 6:20, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) mede betrekking op dit alsnog genomen besluit. Eiseres heeft beroepsgronden ingediend en het college heeft een verweerschrift ingediend.
2.10.
De rechtbank heeft het beroep op 10 december 2025 op zitting behandeld. Op deze zitting zijn ook twee beroepen van eiseres tegen vergelijkbare weigeringsbesluiten van het college behandeld (zaaknummers 24/3299 en 24/3302). Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van het college.
2.11.
Na het sluiten van het onderzoek heeft het college op 22 december 2025 aan de rechtbank de “Toelichting MER-beoordelingsplicht & aanvraag omgevingsvergunning veehouderij & melding, ten behoeve van het agrarische bedrijf aan de [locatie] te [plaats] ” van Van Westreenen, adviseurs ruimtelijke ontwikkeling van 5 december 2025 toegezonden. Dit stuk vormt voor de rechtbank geen aanleiding om het onderzoek te heropenen. In overweging 10 gaat de rechtbank verder in op dit stuk en op de motivering om niet over te gaan tot heropening van het onderzoek.

Beoordeling door de rechtbank

Wat is het wettelijk kader?
3. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een verzoek om een omgevingsvergunning in te trekken is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op dat verzoek onherroepelijk wordt. Het verzoek om de omgevingsvergunning in te trekken is gedaan op 17 mei 2022. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
4. Artikel 2.33, tweede lid, van de Wabo luidt als volgt:
“Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning geheel of gedeeltelijk intrekken, voor zover:
a. gedurende drie jaar, dan wel indien de vergunning betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a onderscheidenlijk b of g, gedurende 26 weken onderscheidenlijk de in de vergunning bepaalde termijn, geen handelingen zijn verricht met gebruikmaking van de vergunning.”
Wat is de omvang van het geding?
5. De aanvraag bepaalt de omvang van het geding. De rechtbank stelt vast dat het intrekkingsverzoek alleen betrekking heeft op de vleeseenden. Het verzoek en het bestreden besluit heeft dus geen betrekking op de koeien, vleeskalveren, geiten en pony’s waarvoor ook een milieuvergunning is verleend.
Wat is het toetsingskader?
6. Uit de tekst van artikel 2.33, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wabo en uit vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State volgt dat de intrekking van een omgevingsvergunning op grond van deze bepaling geen verplichting is, maar een bevoegdheid. Deze bevoegdheid tot het (gedeeltelijk) intrekken van de milieuvergunning bestaat als er gedurende tenminste drie aaneengesloten jaren minder dieren zijn gehouden dan het aantal waarop de omgevingsvergunning recht geeft. Daarbij moet niet het aantal dieren per stal worden bekeken, maar het aantal dieren dat per diercategorie in de inrichting als geheel mag worden gehouden.
Bij de toepassing van deze bevoegdheid komt het college beleidsruimte toe. Daarbij moet het college in een individueel geval een gemotiveerde afweging maken of het gelet op de betrokken belangen wel of geen gebruik wenst te maken van deze bevoegdheid. Bij de toepassing van deze bevoegdheid moet het college de relevante belangen inventariseren en afwegen, waaronder de belangen van de vergunninghouder, zoals zijn financiële en bedrijfsbelangen. Het college kan met het oog op de rechtszekerheid van de vergunninghouder aan zijn belangen bij het behoud van de vergunning een zwaarwegend gewicht toekennen. Daarbij mag het college verder in aanmerking nemen of het niet gebruik maken van de vergunning aan de vergunninghouder is toe te rekenen. De rechter toetst vervolgens of het college redelijkerwijs tot zijn besluit heeft kunnen komen. [3]
Is het college bevoegd om de milieuvergunning gedeeltelijk in te trekken?
7. Tussen partijen is niet in geschil dat er tenminste drie aaneengesloten jaren geen vleeseenden zijn gehouden, zodat het college bevoegd is om de milieuvergunning voor wat betreft de vleeseenden in te trekken.
Is de belangenafweging afdoende gemotiveerd?
8. Eiseres betoogt dat het college de belangenafweging onvoldoende heeft gemotiveerd. Volgens eiseres heeft het college alleen de (financiële) belangen van vergunninghouder in de afweging betrokken en de milieubelangen, zoals de verbetering van de geursituatie en de vermindering van ammoniakdepositie, niet. Volgens eiseres is de verwachting dat vergunninghouder in de nabije toekomst gebruik van de veranderingsvergunning zal maken niet onderbouwd met stukken en is ook onduidelijk hoe het college heeft meegewogen of het niet (geheel) gebruik maken vanwege de coronapandemie, stikstofproblematiek en vogelgriep vergunninghouder kan worden aangerekend.
8.1.
Als het college zich op het standpunt stelt dat er een bevoegdheid bestaat om de milieuvergunning (gedeeltelijk) in te trekken, dan dient het college de relevante belangen in kaart te brengen. Aan de ene kant zijn dat de belangen van vergunninghouder en aan de andere kant de (positieve) milieugevolgen van deze (gedeeltelijke) intrekking, zoals de verbetering van de geluid- of geursituatie voor omwonenden of de vermindering van de ammoniakdepositie. [4] In het bestreden besluit is op de positieve milieugevolgen in het geheel niet ingegaan, waardoor de belangenafweging een motiverings- en zorgvuldigheidsgebrek kent. De omstandigheid dat in de milieuvergunning de milieugevolgen zijn beoordeeld maakt, anders dan het college heeft betoogd, niet dat deze milieugevolgen bij een intrekkingsbesluit niet in kaart hoeven te worden gebracht. Dit standpunt zou er ook op neerkomen dat (positieve) milieugevolgen nooit een belang vormen om mee te nemen in het intrekkingsbesluit. Dat stikstofdepositie in de natuurvergunning een rol speelt, maakt daarnaast niet dat dit milieugevolg niet ook bij de intrekking van een milieuvergunning moet worden meegewogen. Ammoniakdepositie vormt immers ook bij het verlenen van de milieuvergunning een milieuaspect dat dient te worden beoordeeld.
Het college heeft verder niet gemotiveerd waarom de milieuvergunning niet ten minste wordt ingetrokken tot 5.750 eenden, nu voor dit dieraantal in 2016 een melding op grond van het Activiteitenbesluit milieubeheer is ingediend. Uit die melding lijkt immers te volgen dat vergunninghouder zelf niet meer dan dat aantal wenst te houden.
8.2
De rechtbank is verder van oordeel dat het college onvoldoende heeft gemotiveerd dat er concrete plannen waren om de agrarische bedrijfsvoering te wijzigen. In het bestreden besluit is slechts aangegeven dat een vergunningprocedure loopt, zonder nadere toelichting waarvoor een milieuvergunning (tegenwoordig: milieubelastende activiteit) is aangevraagd.
De beroepsgrond slaagt.

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is gegrond en het bestreden besluit dient te worden vernietigd vanwege strijd met het motiverings- en zorgvuldigheidsbeginsel.
Finale geschilbeslechting?
10. Het college heeft in het verweerschrift en op de zitting aangegeven dat het college niet langer wil dat de bedrijfsgebouwen worden gebruikt voor de niet-agrarische bedrijfsactiviteiten waarvoor tijdelijke omgevingsvergunning zijn verleend. Daarom is op 19 december 2024 een nieuwe aanvraag voor een omgevingsvergunning voor niet-agrarische bedrijfsactiviteiten geweigerd. Op 15 oktober 2025 heeft het college ook een last onder dwangsom opgelegd aan vergunninghouder om de niet-agrarische bedrijfsactiviteiten te staken. Het college heeft verder aangegeven dat vergunninghouder zich nu aan het oriënteren is op de mogelijkheid om opfokmelkgeiten te houden, maar ook op activiteiten als een kalkoenhouderij of een pluimveehouderij. Ook is aangegeven dat vergunninghouder rundvee wil gaan houden en dat hij een wormenkwekerij op het perceel wil overnemen.
Het oordeel van de rechtbank
10.1.
De rechtbank ziet in deze aanvullende motivering geen aanleiding om de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb, en dus om het geschil op deze wijze finaal te beslechten.
Het is namelijk ook met deze motivering nog steeds onduidelijk welke agrarische bedrijfsactiviteiten op het perceel zullen worden voortgezet. Dit betekent dat het college een nieuwe beslissing op bezwaar dient te nemen met inachtneming van deze uitspraak.
Stuk na de zitting
11. Op 22 december 2025, dus na de zitting, heeft het college aan de rechtbank de “Toelichting MER-beoordelingsplicht & aanvraag omgevingsvergunning veehouderij & melding, ten behoeve van het agrarische bedrijf aan de [locatie] te [plaats] ” van Van Westreenen, adviseurs ruimtelijke ontwikkeling toegezonden. Deze aanvraag was op 5 december 2025 ingediend maar op de dag van de zitting niet bekend bij de gemachtigde van het college. In deze toelichting op de aanvraag staat dat voor twee varianten een vergunning wordt aangevraagd:
Variant 1
Variant 2
In de variant 1 worden in stal E wormen gekweekt voor de sportvisserij met een maximale productie van 75.000 ton, terwijl in variant 2 in stal E 62 vleeskalveren worden gehuisvest.
11.1.
De rechtbank ziet in dit stuk geen aanleiding om het onderzoek te heropenen. Het is aan het college om in de nieuwe beslissing op bezwaar een standpunt in te nemen over deze aanvraag en om nader te motiveren waarom deze aanvraag aanleiding vormt om de milieuvergunning niet gedeeltelijk in te trekken.
11.2.
De rechtbank geeft partijen in overweging om naar aanleiding van deze aanvraag met elkaar in gesprek te treden over het vervolg van deze procedure. De rechtbank stelt namelijk vast dat – als de aanvraag wordt vergund – de eendenhouderij wordt beëindigd. Dit is de activiteit waar het verzoek van eiseres op zag. Ook worden de emissies aanzienlijk verminderd zodat ook dit doel van eiseres wordt bereikt als deze aanvraag wordt vergund.
Proceskosten en griffierecht
12. Omdat het beroep gegrond is moet het college het griffierecht aan eiseres vergoeden en krijgt eiseres ook een vergoeding van haar proceskosten. Het college moet deze vergoeding betalen.
De rechtbank merkt de zaken met zaaknummers 24/3299, 24/3301 en 24/3302 aan als samenhangende zaken als bedoeld in artikel 3, eerste en tweede lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht. De rechtbank zal daarom slechts éénmaal proceskosten toekennen in deze drie zaken. Deze proceskosten zijn reeds toegekend in de zaak met zaaknummer 24/3299.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het besluit van 16 juli 2024;
  • bepaalt dat het college het griffierecht van € 365,- aan eiseres moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. van der Straaten, voorzitter, en mr. A.L.M. Steinebach-de Wit en mr. S.E.M. Lichtenberg, leden, in aanwezigheid van mr. E. Mengerink, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
griffier
voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo in samenhang met artikel 4, elfde lid, van bijlage II Bor.
2.Op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo in samenhang met artikel 4, elfde lid, van bijlage II Bor
3.Zie de uitspraak van de Afdeling van 22 mei 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:2142), overweging 4.3 en 7.
4.Zie overweging 7.2 van de uitspraak van de Afdeling van 6 juli 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:1892).