Eiseres verzocht het college om de milieuvergunning van 19 augustus 2013 voor het houden van 16.000 vleeskuikens gedeeltelijk in te trekken, omdat in de afgelopen jaren nooit meer dan 5.400 vleeskuikens werden gehouden. Het college weigerde dit verzoek en handhaafde dit besluit na bezwaar. Eiseres stelde beroep in bij de rechtbank vanwege het uitblijven van een tijdige beslissing op bezwaar.
De rechtbank oordeelde dat de Wabo, zoals die gold vóór de inwerkingtreding van de Omgevingswet op 1 januari 2024, van toepassing is. Volgens artikel 2.33, tweede lid, onder a, Wabo, kan het college een vergunning gedeeltelijk intrekken indien gedurende drie jaar geen gebruik is gemaakt van de vergunning. Het college heeft beleidsruimte bij de belangenafweging, waarbij zowel de belangen van de vergunninghouder als de milieubelangen moeten worden meegewogen.
De rechtbank stelde vast dat het college onvoldoende heeft gemotiveerd waarom het niet tot gedeeltelijke intrekking is overgegaan. De positieve milieugevolgen van intrekking, zoals vermindering van ammoniakdepositie en verbetering van de geursituatie, zijn niet betrokken in de belangenafweging. Ook is onvoldoende onderbouwd dat de vergunninghouder de vergunning in de nabije toekomst volledig zal benutten. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en beveelt het college een nieuwe beslissing te nemen met inachtneming van deze uitspraak.
Daarnaast moet het college het griffierecht en proceskosten aan eiseres vergoeden. De rechtbank behandelt deze zaak samen met twee vergelijkbare zaken en kent slechts eenmaal proceskosten toe.