Uitspraak
RECHTBANK GELDERLAND
uitspraak van de voorzieningenrechter van
op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen
[verzoeker 1] en [verzoeker 2] , [verzoeker 3] , [verzoeker 4] , [verzoeker 5] en [verzoeker 6] ,uit [woonplaats] , verzoekers
het college van dijkgraaf en heemraden van het Waterschap Rijn en IJssel
Stichting Toeristisch Varen Zutphen(STVZ).
Samenvatting
Procesverloop
2.1. Met het bestreden besluit van 24 maart 2026 op het bezwaar van STVZ heeft het college de verleende omgevingsvergunning gewijzigd voor wat betreft de toegestane vaarroute.
2.2. Verzoekers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
3.1. STVZ heeft tegen de verleende vergunning bezwaar gemaakt. Naar aanleiding van het bezwaar heeft het college de vergunning heroverwogen en alsnog bepaald dat de fluisterboten ook aan de oostzijde van het rieteiland mogen varen. Wel heeft het college hierbij als advies meegegeven de oostzijde niet te gebruiken in de maanden april en mei vanwege het paaien van de vissen.
3.2. Verzoekers hebben beroep ingesteld. Zij stellen dat de ondiepe en smalle geul aan de oostzijde van het rieteiland tot 2024 niet werd gebruikt. Daardoor kon zich daar een aquatisch milieu ontwikkelen met gele plomp en waterlelie, diverse waterplanten als habitat voor vissen, kikkers en salamanders en vluchtplaats voor blauwe reiger, waterhoen, fuut en ijsvogel. De rust werd verstoord toen de STVZ in april 2024 de ondiepe geul in zijn
Het college is bovendien niet ingegaan op de vraag of de STVZ de oostelijke route wel moet bevaren. Van een versmalling van de vaargeul aan westzijde van het rieteiland is geen sprake. De enige versmalling komt van dode takken die in het water zijn geplaatst om de contour van het oude eiland weer te geven. Het bevaren van de oostzijde is dan ook niet nodig in het kader van de veiligheid.
Verzoekers wijzen erop dat de beslissing op bezwaar te laat is genomen. Dit is in strijd met het beginsel van fair play.
Verzoekers hebben geen bezwaar gemaakt. Omdat verzoekers zich met name richten op de te bevaren route aan de oostzijde van het rieteiland en dit eerst met de beslissing op bezwaar door het college is toegestaan wordt het bepaalde in artikel 6:13 van Pro de Awb hen niet tegengeworpen. Het college heeft dit ook niet betwist.
Relativiteitsvereiste6. De voorzieningenrechter merkt het betoog van het college in het kader van de ontvankelijkheid van verzoekers tevens aan als een beroep op artikel 8:69a, van de Awb.
6.2. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet aanpassing bestuursprocesrecht [4] blijkt dat de wetgever met artikel 8:69a van de Awb de eis heeft willen stellen dat er een verband is tussen een beroepsgrond en het belang waarin de appellant door het bestreden besluit dreigt te worden geschaad. De bestuursrechter mag een besluit niet vernietigen wegens schending van een rechtsregel die kennelijk niet strekt tot bescherming van het belang van degene die in (hoger) beroep komt.
Bij de beoordeling van een vergunningaanvraag voor (bouw)werken of activiteiten
in, op of nabijeen watergang met de functie HEN, SED of EVZ vindt tevens een ecologische toetsing plaats op basis van de beleidsregel 2.4 Behoud van een goede ecologische inrichting van het watersysteem. Deze beleidsregel ziet toe op het waarborgen van de waterkwaliteitsdoelen en toetst de effecten van aangevraagde (bouw)werken en activiteiten op het behoud van faunaleefgebieden.
Conclusie en gevolgen
9. Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst is er aanleiding te bepalen dat het college het door verzoekers betaalde griffierecht aan hen dient te vergoeden. Van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten is niet gebleken.
Beslissing
wijst het verzoek om voorlopige voorziening toe;
bepaalt dat het college het door verzoekers betaalde griffierecht van € 200,- aan hen dient te vergoeden.