ECLI:NL:RBGEL:2026:6009

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
22 juli 2026
Publicatiedatum
22 juli 2026
Zaaknummer
AWB 24/5828 en 24/5830
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • M. Wevers
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9.6 Wet inkomstenbelasting 2001Art. 49 ZorgverzekeringswetArt. 45aa Uitvoeringsregeling IB 2001Art. 60 Algemene wet inzake rijksbelastingenArt. 6:11 Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek ambtshalve vermindering aanslag inkomstenbelasting en Zvw wegens termijnoverschrijding

Belanghebbende diende een verzoek om ambtshalve vermindering in voor de aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) en de inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (Zvw) over 2018. De inspecteur wees dit verzoek af omdat het buiten de wettelijke termijn van vijf jaar na het kalenderjaar waarop de aanslag betrekking heeft was ingediend.

Belanghebbende stelde dat het verzoek tijdig was verzonden en waarschijnlijk op 30 december 2023 in de postbus van de belastingdienst was bezorgd, maar kon dit niet aannemelijk maken. De rechtbank oordeelde dat het verzoek pas op 2 januari 2024 was ontvangen, wat te laat is.

De rechtbank overwoog dat de verzendtheorie niet van toepassing is op verzoeken om ambtshalve vermindering en dat de termijnoverschrijding niet verschoonbaar is, mede omdat belanghebbende en diens gemachtigde voldoende tijd hadden om het verzoek eerder in te dienen. De beroepen werden daarom ongegrond verklaard en de aanslagen blijven in stand.

Uitkomst: Het verzoek om ambtshalve vermindering is buiten de termijn ontvangen en niet verschoonbaar, waardoor het verzoek terecht is afgewezen en de aanslagen in stand blijven.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummers: ARN 24/5828 en 24/5830

uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 22 juli 2026

in de zaken tussen

[belanghebbende] , uit [woonplaats] , belanghebbende

(gemachtigde: [gemachtigde] ),
en

de inspecteur van de belastingdienst, kantoor Utrecht, de inspecteur.

Inleiding

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 13 juni 2024.
De inspecteur heeft het verzoek om ambtshalve vermindering van de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) en de aanslag inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (Zvw) voor het jaar 2018 afgewezen.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.
De inspecteur heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft de beroepen op 25 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van belanghebbende en, namens de inspecteur, [persoon 1] en [persoon 2] .
De rechtbank heeft na de zitting een nader stuk ontvangen van de inspecteur. Hierin heeft de rechtbank geen aanleiding gezien het onderzoek te heropenen.

Feiten

1. De inspecteur heeft belanghebbende uitgenodigd, herinnerd en aangemaand om de aangifte IB/PVV en de aangifte Zvw voor het jaar 2018 in te dienen. Belanghebbende heeft geen aangifte gedaan.
2. De inspecteur heeft met dagtekening 17 februari 2021 ambtshalve een aanslag IB/PVV 2018 opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 97.500. Tegelijk met het opleggen van de aanslag heeft de inspecteur belastingrente van € 2.480 bij belanghebbende in rekening gebracht, en een verzuimboete van € 5.278 aan belanghebbende opgelegd.
3. Eveneens met dagtekening 17 februari 2021 heeft de inspecteur een aanslag Zvw 2018 opgelegd aan belanghebbende, berekend naar een bijdrage-inkomen van € 3.085. Tegelijk met het opleggen van deze aanslag heeft de inspecteur € 185 belastingrente bij belanghebbende in rekening gebracht.
4. Op 12 februari 2022 heeft de voormalig adviseur van belanghebbende (alsnog) aangifte IB/PVV en Zvw 2018 gedaan naar een verzamelinkomen van € 61.458. De inspecteur heeft aan de voormalig adviseur van belanghebbende op 7 maart 2022 medegedeeld dat het aangifteformulier in behandeling wordt genomen als een verzoek om ambtshalve vermindering en informatie opgevraagd.
5. De voormalig adviseur van belanghebbende heeft niet gereageerd op het (herhaalde) verzoek om informatie van de inspecteur. De inspecteur heeft het informatieverzoek op 16 mei 2022 direct aan belanghebbende verstuurd en dit verzoek in de brief van 13 juni 2022 herhaald.
6. Op 5 juli 2022 heeft de gemachtigde van belanghebbende om uitstel van de reactietermijn gevraagd. De inspecteur heeft uitstel verleend tot 5 augustus 2022. Op 30 augustus 2022 heeft de gemachtigde een nader verzoek om uitstel tot 24 september 2022 gestuurd, waarop de inspecteur bevestigend heeft gereageerd. Op 11 oktober 2022 is er telefonisch contact tussen gemachtigde en de inspecteur geweest, waarbij de gemachtigde aan heeft gegeven dat hij nog bezig is om dingen uit te zoeken.
7. Op 15 en 16 november 2022 heeft de inspecteur belanghebbende geprobeerd te bellen, maar kreeg geen contact. Op 21 november 2022 heeft de inspecteur belanghebbende per mail laten weten dat wanneer er geen informatie wordt verstrekt vóór 28 november 2022, het verzoek om ambtshalve vermindering wordt afgewezen. De inspecteur heeft geen informatie ontvangen. Met dagtekening 13 december 2022 is het verzoek om ambtshalve vermindering afgewezen.
8. Op 11 december 2023 is er op verzoek van de gemachtigde opnieuw telefonisch contact tussen de inspecteur en gemachtigde over de aangifte IB/PVV 2018 geweest. De gemachtigde heeft daarbij aangegeven dat hij voor het eind van de maand een nieuw verzoek om ambtshalve vermindering zal indienen.
9. Op 2 januari 2024 heeft de inspecteur een nieuw verzoek om ambtshalve vermindering ontvangen met dagtekening 27 december 2023. Op de envelop zit een stempel met datum 27 december 2023.
10. Bij beslissing van 30 januari 2024 heeft de inspecteur het verzoek afgewezen, omdat het verzoek niet is ingediend binnen vijf jaren na het einde van het kalenderjaar waarop de aanslag betrekking heeft.
11. Bij brief ontvangen door de inspecteur op 14 maart 2024 heeft belanghebbende een bezwaarschrift tegen de afwijzing van het verzoek om ambtshalve vermindering ingediend.
12. Bij uitspraak op bezwaar met dagtekening 13 juni 2024 heeft de inspecteur het bezwaar van belanghebbende afgewezen.

Beoordeling door de rechtbank

13. De rechtbank beoordeelt of de inspecteur het verzoek om ambtshalve vermindering terecht heeft afgewezen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
14. De rechtbank is van oordeel dat de beroepen ongegrond zijn. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
15. Belanghebbende is van mening dat het verzoek om ambtshalve vermindering tijdig is verzonden en de inspecteur het verzoek alsnog in behandeling moet nemen. Ter zitting heeft belanghebbende aangevoerd dat het verzoek naar grote waarschijnlijkheid op 30 december 2023 is bezorgd in de postbus van de belastingdienst. 30 december 2023 moet daarom gelden als datum van ontvangst, en daarmee is het verzoek binnen de termijn ingediend. Als toch wordt uitgegaan van 2 januari 2024 als datum van ontvangst, is er sprake van een verschoonbare termijnoverschrijding, omdat de uitzonderlijk lange bezorgtermijn niet aan belanghebbende kan worden toegerekend. Het verzoek is op 27 december 2023 verzonden, dat het pas 2 januari 2024 is afgestempeld op het kantoor van de belastingdienst, ligt buiten de invloedsfeer van belanghebbende.
16. De inspecteur heeft ter zitting onderkend dat eerdere bezorging in de postbus een mogelijkheid is, maar is van mening dat belanghebbende dit niet aannemelijk heeft gemaakt en daarom uit moet worden gegaan van ontvangst op 2 januari 2024. De inspecteur is van mening dat er geen sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding. Het is een feit van algemene bekendheid dat de post er doorgaans langer over doet in deze periode van het jaar. Belanghebbende had er bovendien voor kunnen kiezen om het verzoekschrift aangetekend te verzenden, maar heeft dit niet gedaan. De late ontvangst komt volgens de inspecteur voor rekening en risico van belanghebbende.
17. De inspecteur kan ambtshalve of op verzoek van de belanghebbende een aanslag IB/PVV of Zvw verminderen. [1] De inspecteur vermindert ambtshalve een op een te hoog bedrag vastgestelde aanslag zodra hem dat is gebleken, tenzij vijf jaren zijn verlopen na het einde van het kalenderjaar waarop de aanslag betrekking heeft. [2] Indien een schriftelijk verzoek om ambtshalve vermindering na afloop van de wettelijke termijn is ingediend, moet de inspecteur het verzoek alsnog in behandeling nemen indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. [3]
18. De rechtbank overweegt dat een verzoek om ambtshalve vermindering voor het belastingjaar 2018 uiterlijk op 31 december 2023 moet zijn ontvangen door de inspecteur. Tussen partijen is niet in geschil dat het verzoek op 2 januari 2024 is ontvangen en afgestempeld op het kantoor van de belastingdienst. Belanghebbende heeft ter zitting wel gesteld dat de brief naar verwachting al op 30 december 2023 in de postbus van de belastingdienst lag, maar kan deze stelling niet onderbouwen. Over het moment van bezorging in de postbus zijn namelijk geen gegevens beschikbaar. De rechtbank is (met de inspecteur) van mening dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat het verzoek op 30 december 2023 in de postbus van de belastingdienst is bezorgd. Belanghebbende heeft het verzoek een paar dagen voor het einde van de termijn verzonden en ervoor gekozen om dit niet aangetekend te doen. Dat zij hierdoor in een geschil over de ontvangst geen gegevens kan overleggen, komt voor rekening en risico van belanghebbende. De rechtbank gaat daarom uit van de datum die wel vaststaat, namelijk de ontvangst op het kantoor van de belastingdienst op 2 januari 2024.
19. Het verzoek om ambtshalve vermindering is daarmee buiten de termijn ontvangen. De verzendtheorie van artikel 6:9, tweede lid van de Awb is niet van toepassing op een verzoek om ambtshalve vermindering. De inspecteur hoeft het verzoek daarom alleen in behandeling te nemen als redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat belanghebbende in verzuim is geweest. Naar het oordeel van de rechtbank is hier geen sprake van. Vanaf 5 juli 2022 is ook de nieuwe gemachtigde van belanghebbende op de hoogte van het eerder gedane verzoek om ambtshalve vermindering. Er is herhaaldelijk overleg geweest tussen de gemachtigde en de inspecteur, waarbij de belastingdienst ook al eerder om de stukken heeft gevraagd. Belanghebbende had het verzoek dus eerder in kunnen dienen. Het komt voor rekening en risico van belanghebbende dat het verzoek dusdanig laat is gedaan dat het mogelijk niet op tijd ontvangen zou worden. De termijnoverschrijding is dus niet verschoonbaar. De inspecteur heeft het verzoek om ambtshalve vermindering terecht afgewezen.

Conclusie en gevolgen

20. De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat de aanslagen IB/PVV en Zvw voor het jaar 2018 in stand blijven. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Wevers, rechter, in aanwezigheid van mr. E.N.N. Hustinx, griffier.
Uitgesproken op 22 juli 2026.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
griffier
rechter

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Artikel 9.6, eerste lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 in samenhang met artikel 49, derde lid, van de Zorgverzekeringswet.
2.Artikel 45aa, aanhef en letter a, van de Uitvoeringsregeling IB 2001.
3.Artikel 60 van Pro de Algemene wet inzake rijksbelastingen in samenhang met artikel 6:11 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb); Hoge Raad 29 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1871.