ECLI:NL:RBGEL:2026:6003

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
22 juli 2026
Publicatiedatum
22 juli 2026
Zaaknummer
05/222263-25
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36f SrArt. 38 SrArt. 38a SrArt. 38z SrArt. 57 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor bedreiging met benzine en aansteker, vernieling en bezit harddrugs met oplegging tbs met voorwaarden

Op 11 augustus 2025 gooide verdachte benzine over twee slachtoffers en probeerde hij met een aansteker dreigend vuur te stichten, waarbij hij bedreigende woorden uitsprak. Daarnaast vernielde hij een ruit van een woning en had hij harddrugs bij zich. De rechtbank achtte de verklaringen van de slachtoffers betrouwbaar en stelde vast dat verdachte zich schuldig maakte aan bedreiging met een geweldscomponent, vernieling en bezit van harddrugs.

Verdachte werd vrijgesproken van poging tot brandstichting en poging tot moord of zware mishandeling, omdat het opzet daartoe niet kon worden vastgesteld. Psychiatrische rapportages toonden aan dat verdachte leed aan meerdere stoornissen, waaronder een schizofreniespectrumstoornis en een autismespectrumstoornis, die zijn gedragskeuzes beïnvloedden. Daarom werd tbs met voorwaarden opgelegd, inclusief een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel.

De rechtbank legde ook een gevangenisstraf van één jaar op, rekening houdend met de ernst van de feiten en de persoonlijke omstandigheden van verdachte. De voorlopige hechtenis werd geschorst onder voorwaarden bij opname in een zorginstelling om te voorkomen dat verdachte onbehandeld vrijkomt. Daarnaast werd een schadevergoeding van €1.569,90 aan een van de slachtoffers toegewezen, bestaande uit materiële en immateriële schade.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 1 jaar gevangenisstraf, tbs met voorwaarden en gedragsbeïnvloedende maatregel wegens bedreiging, vernieling en bezit harddrugs; voorlopige hechtenis geschorst bij opname in zorginstelling.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Zutphen
Parketnummer: 05/222263-25
Datum uitspraak : 22 juli 2026
Tegenspraak
vonnis van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte],
geboren op [geboortedag] 1991 in [geboorteplaats] ,
ingeschreven op het [adres] in [woonplaats] ,
op dit moment gedetineerd in de P.I. [verblijfplaats] .
Raadsman: mr. W.H. Boomstra, advocaat in Amsterdam.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op openbare terechtzittingen.

1.De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is, na toewijzing van een vordering tot nadere omschrijving van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:
1.
hij op of omstreeks 11 augustus 2025 te Harderwijk ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 1] opzettelijk en met voorbedachten rade
van het leven te beroven,
- voornoemde [slachtoffer 1] met benzine, althans een brandbare vloeistof, heeft overgoten en/of heeft overgegooid en/of een fles benzine, althans een brandbare vloeistof, op/in het gezicht, althans het lichaam, van voornoemde [slachtoffer 1] heeft gespoten en/of heeft gegooid en/of heeft leeg
geknepen,
- voornoemde [slachtoffer 1] een of meerdere malen (dreigend) de woorden heeft toegevoegd — zakelijke weergegeven — ‘ik steek de hele boel in brand, ik steek jullie in de brand’, althans woorden van gelijke (dreigende) aard en/of strekking en/of
- een beweging richting voornoemde [slachtoffer 1] heeft gemaakt met een aansteker in zijn hand en/of een aansteker een of meerdere malen aan heeft gestoken en/of gepoogd heeft aan te steken naast/in de buurt van voornoemde [slachtoffer 1] ,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 11 augustus 2025 te Harderwijk ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 1] opzettelijk en met voorbedachten rade
zwaar lichamelijk letsel toe te brengen,
-voornoemde [slachtoffer 1] met benzine, althans een brandbare vloeistof, heeft overgoten en/of heeft overgegooid en/of een fles benzine, althans een brandbare vloeistof, op/in het gezicht, althans het lichaam, van voornoemde [slachtoffer 1] heeft gespoten en/of heeft gegooid en/of heeft leeg
geknepen,
-voornoemde [slachtoffer 1] een of meerdere malen (dreigend) de woorden heeft toegevoegd — zakelijke weergegeven — ‘ik steek de hele boel in brand, ik steek jullie in de brand', althans woorden van gelijke (dreigende) aard en/of strekking en/of
-een beweging richting voornoemde [slachtoffer 1] heeft gemaakt met een aansteker in zijn hand en/of een aansteker een of meerdere malen aan heeft gestoken en/of gepoogd heeft aan te steken naast/in de buurt van voornoemde [slachtoffer 1] ,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 11 augustus 2025 te Harderwijk, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door
- voornoemde [slachtoffer 1] met benzine, althans een brandbare vloeistof, te overgieten en/of te overgooien en/of een fles benzine, althans een brandbare vloeistof, op/in het gezicht, althans het lichaam, van voornoemde [slachtoffer 1] te spuiten en/of te gooien en/of leeg te knijpen,
- voornoemde [slachtoffer 1] een of meerdere malen (dreigend) de woorden toe te voegen — zakelijke weergegeven — 'ik steek de hele boel in brand ik steek jullie in de brand', althans woorden van gelijke (dreigende) aard en/of strekking en/of
- een beweging richting voornoemde [slachtoffer 1] te maken met een aansteker in zijn hand en/of een aansteker een of meerdere malen aan te steken en/of te pogen aan te steken naast/in de buurt van voornoemde [slachtoffer 1] ;
2.
hij op of omstreeks 11 augustus 2025 te Harderwijk ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 2] opzettelijk en met voorbedachten rade
van het leven te beroven,
- voornoemde [slachtoffer 2] een of meerdere malen (dreigend) de woorden toe heeft gevoegd — zakelijk weergegeven — 'ik steek jullie allebei in de brand’, althans woorden van gelijke (dreigende) aard en/of strekking,
- voornoemde [slachtoffer 2] met benzine, althans een brandbare vloeistof, heeft overgoten en/of heeft overgegooid en/of een fles benzine, althans een brandbare vloeistof, op/in het gezicht en/of de borst, althans het lichaam, van voornoemde [slachtoffer 2] heeft gespoten en/of heeft gegooid
en/of
- een of meerder malen een aansteker heeft aangestoken en/of heeft gepoogd aan te steken in de buurt van voornoemde [slachtoffer 2] , terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 11 augustus 2025 te Harderwijk ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 2] opzettelijk en met voorbedachten rade zwaar lichamelijk letsel toe te brengen,
- voornoemde [slachtoffer 2] een of meerdere malen (dreigend) de woorden toe heeft gevoegd — zakelijk weergegeven — ‘ik steek jullie allebei in de brand', althans woorden van gelijke (dreigende) aard en/of strekking.
- voornoemde [slachtoffer 2] met benzine, althans een brandbare vloeistof, heeft overgoten en/of heeft overgegooid en/of een fles benzine, althans een brandbare vloeistof, op/in het gezicht en/of de borst, althans het lichaam, van voornoemde [slachtoffer 2] heeft gespoten en/of heeft gegooid
en/of
- een of meerder malen een aansteker heeft aangestoken en/of heeft gepoogd aan te steken in de buurt van voornoemde [slachtoffer 2] ,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 11 augustus 2025 te Harderwijk, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door
- voornoemde [slachtoffer 2] een of meerdere malen (dreigend) de woorden toe te voegen — zakelijk weergegeven — 'ik steek jullie allebei in de brand', althans woorden van gelijke (dreigende) aard en/of strekking,
- voornoemde [slachtoffer 2] met benzine, althans een brandbare vloeistof, te overgieten en/of te overgooien en/of een fles benzine, althans een brandbare vloeistof, op/in het gezicht en/of de borst, althans het lichaam, van voornoemde [slachtoffer 2] te spuiten en/of te gooien en/of
- een of meerdere malen een aansteker aan te steken en/of te pogen aan te steken in de buurt van voornoemde [slachtoffer 2] ;
3.
hij op of omstreeks 11 augustus 2025 te Harderwijk ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk brand te stichten teweeg te brengen, terwijl daarvan
- gemeen gevaar voor een of meer goederen, te weten een veranda en/of een woning en/of de in de tuin en/of de in het pand aanwezige goederen en/of de aangrenzende/omliggende panden/percelen te duchten was en/of,
- levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of (mede)bewoner(s) en/of aanwezige(n) in/nabij de woning en/of de omliggende panden/percelen te duchten was,
in elk geval gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar en/of zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen te duchten was,
- benzine, althans een brandbare stof, over [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] heeft gegoten en/of benzine, althans een brandbare stof, over een veranda heeft gegoten en/of
- een aansteker gepoogd heeft aan te steken en/of heeft aangestoken, althans heeft gepoogd open vuur in aanraking te brengen, in de buurt van voornoemde [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of de veranda en/of
- ( hierbij) voornoemde [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] een of meerdere malen (dreigend) de woorden toe heeft gevoegd — zakelijk weergegeven — ‘ik steek jullie allebei in de brand’ en/of ‘ik steek de hele boel in de brand' en/of ‘ik steek de hele zooi in de brand’, althans (telkens) woorden van
gelijke (dreigende) aard en/of strekking,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
4.
hij op of omstreeks 11 augustus 2025 te Harderwijk opzettelijk en wederrechtelijk een ruit, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan een ander, te weten aan stichting [bedrijf] , toebehoorde heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt;
5.
hij op of omstreeks 11 augustus 2025 te Harderwijk opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 1,90 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine en/of ongeveer 161,47 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende GHB, zijnde amfetamine en/of GHB (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.
2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs [1]
De feiten
Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.
Op 11 augustus 2025 was verdachte in de woning van [slachtoffer 1] (hierna: [slachtoffer 1] ) aan [adres] in Harderwijk. [slachtoffer 2] (hierna: [slachtoffer 2] ), [persoon 1] en [persoon 2] waren ook aanwezig. Er ontstond onenigheid tussen [slachtoffer 2] , [slachtoffer 1] en verdachte over spullen die in de schuur van [slachtoffer 1] stonden. Verdachte is toen weggegaan. Verdachte was op 11 augustus 2025 om 06:55 uur bij de Shell aan de Oranjelaan 46 in Harderwijk. Verdachte tankte benzine in een fles en rekende dit samen met chocolade af. Twee minuten later rekende verdachte chocolade en een rode aansteker af. [2] Rond 07:00 uur kwam verdachte terug bij de woning van [slachtoffer 1] . Hij gooide met benzine in de richting van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] . [slachtoffer 1] kreeg benzine in haar gezicht en [slachtoffer 2] kreeg benzine in zijn gezicht en op zijn borst. [3]
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder feit 1 meer subsidiair, feit 2 meer subsidiair, feit 4 en feit 5 tenlastegelegde. De officier van justitie heeft verder gesteld dat verdachte van het onder feit 3 tenlastegelegde moet worden vrijgesproken.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft ten aanzien van feiten 1, 2 en 3 vrijspraak bepleit. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat delen van de verklaringen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] onbetrouwbaar zijn en niet voor het bewijs kunnen worden gebruikt. [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] hadden kort voor het incident GHB en crack gebruikt en hebben gedurende de nacht van het incident niet geslapen. Dit maakt dan hun vermogen om gebeurtenissen correct waar te nemen en op te slaan in hun geheugen op dat moment aanzienlijk minder was dan normaliter het geval zou zijn. Daarnaast heeft zowel [slachtoffer 1] als [slachtoffer 2] niet direct over de aanwezigheid van een aansteker verklaard. Ook stond [slachtoffer 2] naast [slachtoffer 1] toen zij voor het eerst over de aanwezigheid van een aansteker verklaarde. Mogelijk is de verklaring van [slachtoffer 2] hierdoor beïnvloed. Daarnaast vertonen de verklaringen ook inconsistenties. Het dossier bevat contra-indicaties voor de aanwezigheid van een aansteker. Ook bevat het dossier contra-indicaties voor het opzet van verdachte. Tot slot heeft de raadsman aangevoerd dat verdachte enkel benzine heeft gegooid en daarbij geen aansteker in zijn handen heeft gehad en/of dreigende woorden heeft geuit. Dit is op zichzelf onvoldoende voor een bewezenverklaring van bedreiging.
Met betrekking tot feiten 4 en 5 heeft de raadsman geen verweer gevoerd ten aanzien van het bewijs.
Beoordeling door de rechtbank
Feiten 1 en 2
De rechtbank stelt op basis van de hierboven genoemde bewijsmiddelen vast dat verdachte op 11 augustus 2025 benzine in een fles heeft getankt en een rode aansteker heeft gekocht. Vervolgens is hij naar de woning van [slachtoffer 1] gegaan en heeft daar in de tuin de benzine over [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] gegooid.
De rechtbank ziet zichzelf allereerst voor de vraag gesteld of verdachte een aansteker in zijn hand had, vervolgens zal de rechtbank beoordelen of er sprake is van wettig en overtuigend bewijs voor een bewezenverklaring van poging tot moord/doodslag, dan wel poging tot zware mishandeling, dan wel bedreiging.
[slachtoffer 1] verklaarde op 11 augustus 2025 dat [verdachte] (
de rechtbank begrijpt: verdachte) een witte fles onder zijn linkerarm hield toen hij terug bij de woning was. Verdachte pakte de fles over met zijn rechterhand en hij hield een aansteker in zijn hand. Het was een donkerkleurige aansteker met een rolletje. Nadat verdachte benzine in haar gezicht had gegooid zei hij “ik steek de hele boel in brand, ik steek jullie in brand” en “die spullen moeten terug”. Verdachte stond op een afstand van ongeveer 1,5 meter van [slachtoffer 1] . [slachtoffer 1] zag dat verdachte een beweging naar haar toe maakte met de aansteker in zijn hand. [slachtoffer 1] hoorde in de tussentijd dat de aansteker die verdachte vasthield meerdere keren vonkte. [4] Op 14 augustus 2025 verklaarde [slachtoffer 1] dat verdachte de aansteker en de fles benzine beide in zijn linkerhand had. Zij verklaarde dat de aansteker een normale lengte had en dat het een roller was, geen klikker. Zij zag de aansteker nadat verdachte met benzine had gegooid. [slachtoffer 1] zag dat verdachte twee keer probeerde de aansteker te gebruiken. Misschien was het vaker, maar zij heeft twee keer gezien en gehoord. [slachtoffer 1] hoorde het wieltje van de aansteker en omschrijft dat als “gggk, gggk”. Toen verdachte de aansteker probeerde te gebruiken schreeuwde hij “ik steek jullie in de brand”. [slachtoffer 1] zag geen vlam of vonk bij de aansteker. [5] [slachtoffer 1] werd op 30 maart 2026 door de rechter-commissaris verhoord. Zij verklaarde dat verdachte een aansteker had en die aan probeerde te doen. De aansteker was nat geworden. [slachtoffer 1] werd emotioneel toen zij hierover vertelde. Verdachte had een aansteker en een fles benzine in zijn handen. De benzine kwam van onder de linker oksel van verdachte. Verdachte zei “ik steek je in de brand, ik steek je huis in de fik”. [slachtoffer 1] hoorde dat verdachte een aansteker probeerde aan te maken. Zij weet niet meer of het een aansteker met een wieltje of met een klik was. [6]
[slachtoffer 2] verklaarde op 11 augustus 2025 dat verdachte een fles in zijn linkerhand had en dat hij deze fles leegkneep in het gezicht van [slachtoffer 1] (
de rechtbank begrijpt: [slachtoffer 1]). Verdachte schreeuwde hierbij “Ik steek jullie allebei in de brand”. Vervolgens kneep verdachte de fles leeg over [slachtoffer 2] . [slachtoffer 2] zag dat verdachte ook een aansteker in zijn handen had toen hij de fles leegkneep. Verdachte liep met de aansteker in zijn hand op [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] af en schreeuwde: “Ik ga jullie in de brand steken”. [slachtoffer 2] zag dat verdachte de aansteker daadwerkelijk probeerde aan te doen en hoorde het geluid hiervan. [slachtoffer 2] kon niet zien of er ook daadwerkelijk een vlammetje brandde. [7] Op 14 augustus 2025 verklaarde [slachtoffer 2] dat verdachte de aansteker vast had tussen de fles en de rechterhand. [slachtoffer 2] weet niet welke kleur de aansteker had. [slachtoffer 2] zag geen aansteekgebaar maar hoorde het. Het geluid dat hij hoorde was van een vuursteenwieltje. De aansteker deed het niet, [slachtoffer 2] zag geen vlam of vonk. Verdachte probeerde de aansteker te gebruiken terwijl hij de fles benzine nog in zijn hand had. Verdachte zei daarbij: “ik steek je in de brand”. [slachtoffer 2] zag niet wat verdachte vervolgens met de aansteker deed, omdat hij achter [slachtoffer 1] aan de woning in rende. [8]
Verbalisanten kwamen op 11 augustus 2025 omstreeks 07:25 uur bij de woning van [slachtoffer 1] . Zij spraken op verschillende momenten met [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] . Toen verbalisant [verbalisant 1] tegen hen zei dat zij zo snel mogelijk naar het politiebureau moesten komen voor het doen van aangifte, verklaarde [slachtoffer 1] onder andere dat verdachte haar had ondergegooid met benzine en dat hij hierna op haar in kwam lopen met een aansteker in zijn hand. Verdachte trachtte de aansteker aan te doen om haar in brand te steken terwijl hij op haar inliep. [9]
Verbalisant [verbalisant 2] sprak op 19 augustus 2025 met de stiefmoeder en vader van [persoon 2] . Verbalisant hoorde dat zowel stiefmoeder als vader zei dat [persoon 2] en [persoon 1] in de woning aanwezig waren toen het voorval plaatsvond. Zij waren op dat moment boven. [persoon 2] heeft zelf bij hen aangegeven dat zij de aansteker, een rode aansteker, uit de handen van de man die [slachtoffer 1] had overgoten met een vloeistof (
de rechtbank begrijpt: verdachte), heeft gepakt. [10]
Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] angst wilde aanjagen. Eerder die nacht heeft hij gereedschap in de schuur van [slachtoffer 1] zien staan, dat van verdachte zou zijn. Hij wilde dat terug, maar voelde zich niet serieus genomen door [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] . Hij wilde geen geweld gebruiken en heeft er toen voor gekozen hen angst aan te jagen. Nadat hij de benzine over [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] heeft gegooid, is hij de schuur van [slachtoffer 1] in gelopen om zijn gereedschap terug te pakken. [11]
Als verbalisanten ter plaatse komen bij de woning van [slachtoffer 1] , treffen zij daar verdachte aan met twee waterpassen en een zaagblad in zijn handen. [12]
Betrouwbaarheid van de verklaringen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2]
De rechtbank is van oordeel dat er geen reden is om aan de betrouwbaarheid van de verklaringen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] te twijfelen. Zowel [slachtoffer 1] als [slachtoffer 2] hebben op verschillende momenten verklaren afgelegd over de gebeurtenis op 11 augustus 2025. De rechtbank stelt vast dat [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] consistent over de gebeurtenissen hebben verklaard, zowel ten aanzien van de handelingen van verdachte als de omstandigheden waaronder deze plaatsvonden. Verder hebben zij direct nadat het incident had plaatsgevonden met de politie gesproken. Daarnaast hebben zij allebei dezelfde dag aangifte gedaan en zijn zij drie dagen later nogmaals verhoord. [slachtoffer 1] heeft daarbij ook ruim een half jaar later een verklaring bij de rechter-commissaris afgelegd. De rechtbank acht de verklaringen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] over het gebruik van de aansteker authentiek, omdat beiden niet de indruk wekken het gebruik van de aansteker “aan te dikken”. Zo verklaren zij dat zij niet weten welke kleur de aansteker had en of er een vlam of een vonk zichtbaar was. Ook verklaart [slachtoffer 1] dat zij na een half jaar niet meer weet om wat voor soort aansteker het ging. [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] verklaarden direct na het gebeurde gedetailleerd over het horen van het wieltje van de aansteker. De rechtbank acht de verklaringen dan ook betrouwbaar en daarmee bruikbaar als bewijsmiddelen. Het verweer van de raadsman dat de verklaringen onbruikbaar zijn omdat [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] onder invloed waren, volgt de rechtbank niet. Niet ter discussie staat dat zowel aangevers als verdachte onder invloed waren van verdovende middelen. Dit maakt niet dat hun verklaren daarmee direct onbetrouwbaar zijn. Daarnaast volgt de rechtbank het verweer van de raadsman dat zij niet direct over de aanwezigheid van een aansteker hebben verklaard en dat de verklaring van [slachtoffer 2] mogelijk is beïnvloed door [slachtoffer 1] , ook niet. Uit het proces-verbaal van bevindingen blijkt dat [slachtoffer 1] voor het doen van aangifte en dus direct na het gebeurde over een aansteker heeft verklaard. Hoewel in de woning met zowel [slachtoffer 2] als [slachtoffer 1] werd gesproken, staat in dit proces-verbaal niet dat [slachtoffer 2] naast [slachtoffer 1] stond toen zij over de aansteker verklaarde. Daarnaast heeft [slachtoffer 2] op een later moment een gedetailleerde beschrijving gegeven van zijn waarnemingen met betrekking tot de aansteker en is van beïnvloeding niet gebleken. [slachtoffer 2] verklaarde immers dat hij niet weet hoe de aansteker eruit zag, terwijl [slachtoffer 1] verklaarde over een donkerkleurige aansteker.
De rechtbank is van oordeel dat de verklaringen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] ondersteund worden door andere bewijsmiddelen. Zo heeft een verbalisant de stiefmoeder en vader van de in de woning aanwezige [persoon 2] horen zeggen dat zij van [persoon 2] hadden gehoord dat [persoon 2] die ochtend een rode aansteker uit de handen van verdachte heeft gepakt. Daarnaast heeft verdachte voordat hij terug naar de woning reed, naast de fles benzine ook een rode aansteker gekocht. De rechtbank acht dit concreet en ondersteunend. Ook zijn [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] uit angst de woning in gerend. De rechtbank acht het aannemelijk dat wanneer zij enkel ondergegooid zouden zijn met benzine die angst minder aanwezig zou zijn. Het waarnemen van (pogingen tot) het gebruik van een aansteker past bij het naar binnen rennen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] .
De rechtbank stelt op basis van het voorgaande vast dat verdachte nadat hij benzine over [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] heeft gegooid, meerdere malen heeft getracht een aansteker aan te steken. Daarbij heeft verdachte de woorden geuit: “ik steek de hele boel in brand
,ik steek jullie in de brand” en “ik steek jullie allebei in de brand”.
Deelvrijspraken
De tweede vraag die de rechtbank dient te beantwoorden is of verdachte met bovenstaande vastgestelde handelingen gepoogd heeft om [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] met voorbedachten rade van het leven te beroven of dat hij gepoogd heeft hen zwaar lichamelijk letsel toe te brengen.
Gelijk aan de standpunten van de officier van justitie en de raadsman is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden vastgesteld dat verdachte opzet heeft gehad op de dood van [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] of het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bij [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] . Uit de bewijsmiddelen blijkt dat verdachte en [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] niet ver van elkaar afstonden, maar de rechtbank kan niet vaststellen hoever zij precies van elkaar stonden toen verdachte probeerde de aansteker aan te steken, of waar de aansteker was ten opzichte van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] op dat moment. Daarnaast is het onduidelijk welke hoeveelheden benzine op het lichaam van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] terecht kwamen. Ook konden [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] kennelijk nog wegkomen. De rechtbank kan dus niet vaststellen dat verdachte zo dicht in de buurt van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] was toen hij de aansteker trachtte aan te steken, dat daardoor een reëel risico ontstond dat aangevers vlam zouden vatten. Daarnaast stelt de rechtbank op basis van de verklaringen van verdachte vast dat hij met zijn handelen angst wilde aanjagen bij [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] . De opzet was naar het oordeel van de rechtbank gericht op het aanjagen van angst. Niet vastgesteld kan worden dat de opzet gericht was – ook niet in voorwaardelijke zin – op het daadwerkelijk om het leven brengen van aangevers of het hen toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van het onder de feiten 1, primair en subsidiair en 2, primair en subsidiair, tenlastegelegde.
Bedreiging (feiten 1 meer subsidiair en 2 meer subsidiair)
De rechtbank heeft vastgesteld dat verdachte benzine in het gezicht van [slachtoffer 1] en in het gezicht en op de borst van [slachtoffer 2] heeft gegooid, dat hij daarbij de woorden heeft geuit “ik steek de hele boel in brand
,ik steek jullie in de brand” en “ik steek jullie allebei in de brand” en dat hij daarbij meerdere malen een aansteker heeft getracht aan te steken. De rechtbank acht daarmee wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan bedreigingen met enig misdrijf tegen het leven gericht en bedreiging met zware mishandeling van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] . De rechtbank zal verdachte vrijspreken van het ten laste gelegde medeplegen, nu uit het dossier niet blijkt dat verdachte samen met een of meer anderen heeft gehandeld.
Feit 3 (vrijspraak)
Gelijk aan de standpunten van de officier van justitie en de raadsman is de rechtbank van oordeel dat het dossier onvoldoende wettig en overtuigend bewijs bevat dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot brandstichting. Uit het dossier blijkt dat er benzine op de veranda heeft gelegen, maar niet dat verdachte ook handelingen heeft verricht met een aansteker bij de benzine op de veranda. Zowel [slachtoffer 1] als [slachtoffer 2] waren al in de woning en uit de bewijsmiddelen blijkt niet dat verdachte de opzet heeft gehad om de veranda en/of (vervolgens) de woning in brand te steken. De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van het onder feit 3 tenlastegelegde.
Feit 4
Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.
Bewijsmiddelen:
- het proces-verbaal van aangifte van [aangever] namens [bedrijf] , p. 50;
- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 10 juli 2026.
Feit 5
Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.
Bewijsmiddelen:
- het proces-verbaal onderzoek verdovende middelen, p. 226-231;
- een schriftelijk bescheid, te weten: rapport NFiDENT van 3 september 2025, p. 233;
- een schriftelijk bescheid, te weten: rapport NFiDENT van 3 september 2025, p. 234;
- een schriftelijk bescheid, te weten: rapport NFiDENT van 3 september 2025, p. 235;
- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 10 juli 2026.
Conclusie
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 11 augustus 2025 in Harderwijk:
  • [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] met enige misdrijf tegen het leven en met zware mishandeling heeft bedreigd;
  • een ruit geheel toebehorende aan [bedrijf] heeft vernield;
  • opzettelijk 1,90 gram bevattende amfetamine en 161,47 gram bevattende GHB aanwezig heeft gehad.

3.De bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder feit 1, meer subsidiair, feit 2, meer subsidiair, feit 4 en feit 5 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
1, meer subsidiair
hij op
of omstreeks11 augustus 2025 te Harderwijk,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,[slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en
/ofmet zware mishandeling, door
- voornoemde [slachtoffer 1] met benzine
, althans een brandbare vloeistof, te overgieten en/ofte overgooien en
/of een flesbenzine
, althans een brandbare vloeistof,
op/in het gezicht
, althans het lichaam,van voornoemde [slachtoffer 1]
te spuiten en/ofte gooien
en/of leeg te knijpen,
- voornoemde [slachtoffer 1] een of meerdere malen
(dreigend
)de woorden toe te voegen — zakelijke weergegeven — 'ik steek de hele boel in brand
,ik steek jullie in de brand'
, althans woorden van gelijke (dreigende) aard en/of strekkingen
/of
-
een beweging richting voornoemde [slachtoffer 1] te maken met een aansteker in zijn hand en/ofeen aansteker een of meerdere malen
aan te steken en/ofte pogen aan te steken
naast/in de buurt van voornoemde [slachtoffer 1] ;
2, meer subsidiair
hij op
of omstreeks11 augustus 2025 te Harderwijk,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,[slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en
/ofmet zware mishandeling, door
- voornoemde [slachtoffer 2] een
maalof meerdere malen (dreigend
)de woorden toe te voegen — zakelijk weergegeven — 'ik steek jullie allebei in de brand',
althans woorden van gelijke (dreigende) aard en/of strekking,
- voornoemde [slachtoffer 2] met benzine
, althans een brandbare vloeistof, te overgieten en/ofte overgooien en
/of een flesbenzine
, althans een brandbare vloeistof,op/in het gezicht en
/ofde borst
, althans het lichaam,van voornoemde [slachtoffer 2] te spuiten en
/ofte gooien en
/of
-
een ofmeerdere malen een aansteker
aan te steken en/ofte pogen aan te steken in de buurt van voornoemde [slachtoffer 2] ;
4.
hij op
of omstreeks11 augustus 2025 te Harderwijk opzettelijk en wederrechtelijk een ruit
, in elk geval enig goed, dat/die geheel
of ten deleaan een ander, te weten aan stichting [bedrijf] , toebehoorde heeft vernield
, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt;
5.
hij op
of omstreeks11 augustus 2025 te Harderwijk opzettelijk aanwezig heeft gehad
ongeveer1,90 gram
, in elk geval een hoeveelheidvan een materiaal bevattende amfetamine en
/ofongeveer 161,47 gram
, in elk geval een hoeveelheidvan een materiaal bevattende GHB, zijnde amfetamine en
/ofGHB
(telkens
)een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I
, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.
Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.
Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4.De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:
feiten 1 en 2:
telkens,
bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht
en
bedreiging met zware mishandeling;
feit 4:
opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen;
feit 5:
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod, strafbaar gesteld bij artikel 10 lid 3 van Pro de Opiumwet, meermalen gepleegd.

5.De strafbaarheid van de feiten

De feiten zijn strafbaar.

6.De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7.De overwegingen ten aanzien van straf en maatregel

Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27 van Pro het Wetboek van Strafrecht (Sr). De officier van justitie heeft daarnaast gevorderd dat aan verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling (hierna: tbs) met voorwaarden wordt opgelegd. Als toevoeging aan de voorwaarden gesteld door de reclassering verzoekt de officier van justitie een locatieverbod voor Harderwijk op te nemen. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd dat deze maatregel dadelijk uitvoerbaar zal worden verklaard, en dat aan verdachte een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel (GVM) zoals bedoeld in artikel 38z Sr zal worden opgelegd. Tot slot heeft de officier van justitie verzocht de voorlopige hechtenis niet op te heffen bij einduitspraak, maar deze te schorsen per de datum van opname in de zorginstelling onder dezelfde voorwaarden als de tbs met voorwaarden.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft oplegging van een taakstraf bepleit. Oplegging van een tbs-maatregel met voorwaarden, een GVM of een onvoorwaardelijke gevangenisstraf is niet gerechtvaardigd gelet op het feitencomplex.
De beoordeling door de rechtbank
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een viertal strafbare feiten. Hij heeft [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] ondergegooid met benzine, dreigende woorden geuit en geprobeerd een aansteker aan te steken. [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] waren hierdoor erg bang en vluchtten de woning in. Vervolgens vernielde verdachte een ruit van de woning. Verdachte heeft met zijn handelen voor overlast gezorgd en bij meerdere personen gevoelens van angst en onveiligheid veroorzaakt. Verdachte heeft daarnaast een grote inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] . Verdachte heeft door zijn handelen er daarnaast blijk van gegeven geen respect te hebben voor de eigendommen van anderen.
De rechtbank heeft kennis genomen van de justitiële documentatie van verdachte. Hieruit blijkt dat verdachte niet eerder voor soortgelijke feiten is veroordeeld. Wel is verdachte op 30 januari 2026 en 9 maart 2026 veroordeeld voor overtredingen van de Wegenverkeerswet. Hierdoor is artikel 63 Sr Pro van toepassing.
Verder heeft de rechtbank kennis genomen van de Pro Justitia rapportages van de psychiater en GZ-psycholoog van 9 januari 2026 en 24 december 2025. De psychiater stelt dat bij verdachte sprake is van een schizofreniespectrum of andere psychotische stoornis, een stoornis in cannabisgebruik (momenteel in remissie, ten tijde van het tenlastegelegde aanwezig) en een stoornis in het gebruik van een amfetamineachtig middel (momenteel in remissie, ten tijde van het tenlastegelegde aanwezig) en een autismespectrumstoornis. Deze stoornissen waren ten tijde van het tenlastegelegde aanwezig en beïnvloedde de gedragskeuzes en gedragingen van verdachte ten tijde van het tenlastegelegde. De realiteitstoetsing was verstoord (psychotisch toestandsbeeld). Verdachte was onder invloed en psychotisch, maar niet in die mate dat hij niet volledig willoos was in zijn handelen. Omdat verdachte ontkent een aansteker bij zich te hebben gehad toen hij met benzine gooide kan een precieze doorwerking niet onderzocht worden. Toch is de psychiater van mening dat het tenlastegelegde verdachte verminderd toegerekend kan worden. Het recidiverisico wordt als matig tot hoog ingeschat. Verdachte zou een klinische behandeling moeten ondergaan, waarbij aandacht moet zijn voor de forse verslavingsproblematiek, maar ook voor de autismespectrumstoornis en psychotische kwetsbaarheid, waarbij gedacht moet worden aan een dubbeldiagnostiek. Verdachte zal moeten leren op een andere manier om te gaan met spanningen/stressoren dan door het gebruik van drugs. Na(ast) de behandeling is een langdurend resocialisatietraject noodzakelijk, waarbij gekeken moet worden naar een passende daginvulling en een goede woonplek, waarbij in eerste instantie gedacht wordt aan een beschermde woonvorm.
De psycholoog ziet bij verdachte beperkingen in het sociaal-emotioneel functioneren (o.a. sociaal teruggetrokken gedrag, sociale angst en het missen van sociale vaardigheden), evenals een afgevlakte emotiebeleving en ernstige depressieve klachten. Daarnaast heeft hij al jarenlang last van auditieve hallucinaties, die zich in minimaal drie keer ontwikkeld hebben tot een psychose met visuele hallucinaties. Er wordt tijdens het onderzoek een psychotisch toestandsbeeld waargenomen. Hij is al twintig jaar ernstig verslaafd aan stimulantia en opioïden en het is niet uit te sluiten dat hij last heeft van de mogelijke effecten van langdurig gebruik, zoals gedragsproblemen, concentratieproblemen, depressie, angsten, psychoses en zelfs hersenschade. Verdachte is een man met een kwetsbare persoonlijkheidsstructuur met vermijdende, paranoïde, dwangmatige en schizoïde persoonlijkheidstrekken met een beperkte draagkracht zonder effectieve copingvaardigheden. Hoewel er niet tot een eenduidige diagnostiek kan worden gekomen, zijn er sterke aanwijzingen voor een ontwikkelingsstoornis (autismespectrumstoornis, mate van ernst niveau 1-2, vereist (substantiële) ondersteuning, met trekken van een aandachtstekortstoornis, overwegend onoplettende type), voor schizofrenie, multipele episodes, momenteel in vroege remissie en voor een depressieve stoornis, recidiverende episodes, ernstig. Daarnaast spelen sociaal-maatschappelijke factoren een rol (geen dagbesteding of werk, niet opvolgen van medische behandeling en geen pro-sociaal netwerk). Deze stoornissen waren ten tijde van het tenlastegelegde aanwezig en beïnvloedde de gedragskeuzes en gedragingen van verdachte ten tijde van het tenlastegelegde. Ook de psycholoog adviseert om de ten laste gelegde feiten in verminderde mate toe te reken aan verdachte. De psycholoog schat het risico op recidive in antisociale niet gewelddadige delicten in op hoog en de bescherming op laag. Het risico op geweld wordt ingeschat op matig en de bescherming op laag. Vanwege de complexiteit en de ernst van de functionele beperkingen en stoornissen en omdat in het verleden probleemgerichte klinische en ambulante behandelingen op de lange termijn niet effectief zijn geweest, twijfelt de psycholoog over het behandelperspectief. Voor het verlagen van het risico op recidive en het verhogen van de bescherming is een langdurige klinische behandeling met voldoende toezicht nodig. Deze behandeling zal moeten plaatsvinden binnen een setting waar expertise is op het gebied van verslaving, ontwikkelingsproblematiek, schizofrenie/psychotische stoornissen en stemmingsproblematiek.
Beide deskundigen adviseren tbs met voorwaarden op te leggen. Tevens wordt geadviseerd om een GVM op te leggen zodat geborgd wordt dat verdachte, indien nodig, langdurig onder toezicht kan blijven ook na de maatregel van tbs met voorwaarden
Ook GGZ Tactus Zutphen adviseert in het maatregelenrapport van 19 maart 2026 oplegging van tbs met voorwaarden. In dit rapport worden tevens de voorwaarden geformuleerd die zij noodzakelijk acht. Daarnaast wordt oplegging van de GVM geadviseerd.
De rechtbank kan zich met de adviezen van de deskundigen en de reclassering verenigen. De rechtbank neemt de conclusies uit voornoemde rapportages over en maakt deze tot de hare.
De rechtbank is, gelet op het voorgaande, van oordeel dat bij verdachte tijdens het begaan van de feiten een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond.
De rechtbank stelt verder vast dat het onder feiten 1 meer subsidiair en 2 meer subsidiair bewezenverklaarde misdrijven opleveren als bedoeld in artikel 37a, eerste lid, onder 2, Sr waarvoor terbeschikkingstelling mogelijk is. De rechtbank is van oordeel dat de algemene veiligheid van personen het opleggen van de maatregel van terbeschikkingstelling eist. Een klinische behandeling is nodig (mede) gelet op de hierboven beschreven persoonlijkheidsstoornissen en het middelengebruik.
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank aan verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling opleggen met de voorwaarden zoals opgenomen in het reclasseringsrapport, waaronder een meldplicht, klinische opname, ambulante behandeling, (controle op) middelenverbod, beschermd wonen, contactverbod en meewerken aan het vinden en behouden van dagbesteding. De rechtbank zal daarbij ook een locatieverbod voor Harderwijk opnemen, nu het slachtoffer dit uitdrukkelijk verzoekt en het conflict tussen verdachte en slachtoffer nog niet opgelost lijkt te zijn. In dit geval betreffen het onder feiten 1 meer subsidiair en 2 meer subsidiair bewezenverklaarde misdrijven die gericht zijn tegen of gevaar veroorzaken voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. Verdachte heeft immers naast de woordelijke bedreiging ook handelingen verricht met benzine en een aansteker, waardoor sprake is van een geweldscomponent. De duur van de terbeschikkingstelling is derhalve niet gemaximeerd tot vier jaar.
Omdat de kans op herhaling van een misdrijf met schade voor personen groot is, ziet de rechtbank aanleiding te bevelen dat de maatregel van terbeschikkingstelling met voorwaarden dadelijk uitvoerbaar is.
Gelet op de aard van de bij verdachte bestaande stoornissen lijken op dit moment langdurige waarborgen noodzakelijk om toekomstige risico’s in te dammen voor de veiligheid van anderen en/of de algemene veiligheid van personen. De rechtbank acht het daarom nodig om een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel op te leggen (artikel 38z Sr) naast de tbs met voorwaarden. Gezien het voorgaande kan zodoende - indien dit met alsdan bestaande risico’s noodzakelijk is - worden bewerkstelligd dat verdachte na afloop van de tbs onder toezicht wordt gesteld. Aan de wettelijke vereisten als bedoeld in artikel 38z, eerste lid van het Wetboek van Strafrecht is voldaan. De beoordeling van de noodzaak tot tenuitvoerlegging van de maatregel, en indien nodig de beoordeling van de vraag onder welke voorwaarden deze ten uitvoer dient te worden gelegd, zal in de laatste fase van de aan verdachte opgelegde terbeschikkingstelling plaatsvinden. Een risicotaxatie van het dan aanwezige recidivegevaar dient in het kader van die beoordeling plaats te vinden.
De rechtbank is van oordeel dat naast de tbs-maatregel de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend en geboden is. De ernst van de feiten rechtvaardigt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. De rechtbank vindt de bedreigingen, gelet op de aard en de handelingen, vallen onder een buitencategorie van bedreiging. De rechtbank heeft acht geslagen op de LOVS-oriëntatiepunten en heeft daarbij aansluiting gezocht bij de bedreiging met een vuurwapen. De rechtbank houdt daarnaast evenwel rekening met de persoonlijke omstandigheden van verdachte en de mogelijkheid om op korte termijn te beginnen met de behandeling. In strafverminderende zin houdt de rechtbank rekening met de verminderde toerekenbaarheid van verdachte. De rechtbank acht een gevangenisstraf voor de duur van één (1) jaar met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht passend en geboden.
Voorlopige hechtenis
In zijn arrest van 26 november 2024 (ECLI:NL:HR:2024:1729) heeft de Hoge Raad geoordeeld dat het geldend recht niet de mogelijkheid biedt om een niet onherroepelijk opgelegde, dadelijk uitvoerbare tbs-maatregel met voorwaarden ‘om te zetten’ in een tbs-maatregel met dwangverpleging. Zolang de oplegging van de tbs-maatregel niet onherroepelijk wordt (bijvoorbeeld door het instellen van hoger beroep), betekent dat dat de verdachte die de aan de tbs-maatregel verbonden voorwaarden overtreedt niet zonder meer op grond daarvan kan worden gedetineerd. Dit is anders indien door het overtreden van de voorwaarden een strafbaar feit wordt gepleegd waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. Dat de betreffende voorwaarden dadelijk uitvoerbaar zijn, maakt dat niet anders: de ‘omzettingsmogelijkheid’ kan niet eerder in beeld komen dan na het onherroepelijk worden van de oplegging van de tbs-maatregel. In het genoemde arrest heeft de Hoge Raad de rechtbank gewezen op de mogelijkheid om in deze gevallen (de rechtbank begrijpt: bij einduitspraak) de schorsing van de voorlopige hechtenis te bevelen.
Om te voorkomen dat de verdachte onbehandeld op straat komt te staan (met alle veiligheidsrisico’s van dien), acht de rechtbank het nodig om de voorlopige hechtenis te schorsen, in plaats van op te heffen, met ingang van de datum dat verdachte geplaatst wordt in een IFZ geïndiceerde (of soortgelijke) zorginstelling of, indien deze niet tijdig beschikbaar is, een overbruggingsplek. Aan de schorsing van de voorlopige hechtenis worden dezelfde voorwaarden verbonden als de voorwaarden die aan de tbs-maatregel verbonden zijn. Op die manier wordt een vangnet gecreëerd voor de periode dat het vonnis nog niet onherroepelijk is.
Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire Pro beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek Pro van Strafvordering, aan de orde is.

8.De beoordeling van de civiele vordering

De benadeelde partij [slachtoffer 1] heeft in verband met feit 1 een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 69,90 aan materiële schade en € 11.500 aan immateriële schade, allebei vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen, met toekenning van de wettelijke rente, en vordert oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De verdediging heeft zich gelet op de bepleitte vrijspraak op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering moet worden verklaard. Subsidiair heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat de materiële schade kan worden toegewezen. Kijkend naar de Rotterdamse Schaal (licht letsel) dient de immateriële schade te worden verminderd naar een bedrag van € 350,00.
Overweging van de rechtbank
Materiële schade
Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden.
De rechtbank overweegt dat de schadepost niet is betwist. De schadepost is (verder) voldoende onderbouwd en komt de rechtbank redelijk voor. Voor deze schade is verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk. Daarom is de rechtbank van oordeel dat de vordering voor wat betreft de materiële schade (tot een hoogte van € 69,90) kan worden toegewezen.
Immateriële schade
De benadeelde partij heeft volgens artikel 6:106 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) recht op vergoeding van smartengeld in het geval dat:
  • verdachte het oogmerk had het nadeel toe te brengen,
  • de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen,
  • de benadeelde partij in zijn eer of goede naam is geschaad, of
  • de benadeelde partij op andere wijze in de persoon is aangetast.
Om te spreken van een aantasting in persoon op andere wijze moet sprake zijn van geestelijk letsel of een diepe inbreuk op de persoonlijke levenssfeer, persoonlijke integriteit of een fundamenteel recht.
Op basis van de genoemde bewijsmiddelen en wat ter zitting over de vordering is besproken, stelt de rechtbank vast dat de benadeelde partij door het bewezenverklaarde schade heeft geleden die binnen één van de hiervoor genoemde categorieën van artikel 6:106 van Pro het Burgerlijk Wetboek valt. De rechtbank is van oordeel dat uit de stukken onvoldoende blijkt dat de benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen. Een letselverklaring ontbreekt en er blijkt onvoldoende dat de benadeelde oogletsel heeft opgelopen. Door de bedreiging is de benadeelde wel op andere wijze in de persoon aangetast. Dit is aan verdachte toe te rekenen. De rechtbank houdt rekening met de aard en de ernst van het feit en de bedragen die Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen toewijzen. De rechtbank heeft daarnaast aansluiting gezocht bij de Rotterdamse Schaal in gevallen van bedreiging. De rechtbank heeft daarbij rekening gehouden met de handelwijze van verdachte en de intensiteit van de bedreiging. Naar maatstaven van billijkheid zal zij het smartengeld op een bedrag van € 1.500,00 vaststellen. De rechtbank zal de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk verklaren in de vordering. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering nog aan de burgerlijke rechter voorleggen.
Verdachte is vanaf 11 augustus 2025 wettelijke rente over het toegewezen bedrag verschuldigd.
De rechtbank ziet aanleiding om op grond van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op te leggen. Verdachte wordt verplicht het aan de benadeelde partij toegewezen bedrag aan de Staat te betalen. Eventueel toegekende proceskosten zijn daar niet bij inbegrepen.

9.De toegepaste wettelijke bepalingen

De oplegging van de straf is gegrond op de artikelen:
- 36 f, 38, 38a, 38z, 57, 63, 285 en 350 van het Wetboek van Strafrecht;
- 2 en 10 van de Opiumwet;

10.De beslissing

De rechtbank:
 spreekt verdachte vrij van het onder 3 ten laste gelegde feit;
 verklaart bewezen dat verdachte de overige ten laste gelegde feiten, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;
 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;
 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;
 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
 veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van
1 (één) jaar;
 beveelt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;
 gelast dat verdachte ter beschikking wordt gesteld en stelt voor de duur van de terbeschikkingstelling de volgende voorwaarden betreffende het gedrag van verdachte:
  • verdachte zal zich niet aan een strafbaar feit schuldig maken;
  • verdachte werkt mee aan het reclasseringstoezicht. De medewerking houdt onder ander in:
• verdachte houdt zich aan de aanwijzingen van de reclassering. De reclassering kan
aanwijzingen geven die nodig zijn voor de uitvoering van het toezicht of om verdachte te helpen bij het naleven van de voorwaarden;
• verdachte helpt de reclassering aan een actuele foto waarop zijn gezicht herkenbaar is. Deze foto is nodig voor opsporing bij ongeoorloofde afwezigheid;
• verdachte werkt mee aan huisbezoeken;
• verdachte geeft de reclassering inzicht in de voortgang van begeleiding en/of behandeling door andere instellingen of hulpverleners;
• verdachte vestigt zich niet op een ander adres zonder toestemming van de reclassering;
• verdachte werkt mee aan het uitwisselen van informatie met personen en instanties die contact hebben met betrokkene, als dat van belang is voor het toezicht;
  • verdachte kan voor een time-out worden opgenomen in een forensisch psychiatrisch centrum (pfc) of andere instelling als de reclassering dat nodig vindt en verdachte daarmee instemt. Deze time-out duurt totdat de reclassering of verdachte deze beëindigt, maar maximaal 7 weken, tot maximaal 14 werken per jaar;
  • verdachte gaat niet naar het buitenland of het Caribisch deel van het Koninkrijk der Nederlanden, zonder toestemming van de reclassering;
  • verdachte laat zich opnemen in een door het IFZ geïndiceerde zorginstelling of een soortgelijke zorginstelling, te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing. De opname duurt zolang de reclassering dat nodig vindt. Verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorginstelling geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorginstelling dat nodig vindt. Als de reclassering een overgang naar ambulante zorg, begeleid wonen of maatschappelijke opvang
gewenst vindt, werkt verdachte mee aan de indicatiestelling en plaatsing;
- na zijn klinische behandeling laat verdachte zich behandelen door een nader te bepalen ambulante zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling duurt zolang de reclassering dat nodig vindt. Verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de
zorgverlener dat nodig vindt;
  • na zijn klinische behandeling verblijft verdachte in een instelling voor beschermd wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. Het verblijf duurt zolang de reclassering dat nodig vindt. Verdachte houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering voor hem heeft opgesteld;
  • verdachte gebruikt geen verdovende middelen genoemd in lijst I (harddrugs), en lijst II (softdrugs) en geen middelen die vallen onder een stofgroep in lijst IA in de Opiumwet, tenzij de reclassering toestemming heeft gegeven voor het gebruik. Verdachte moet meewerken aan controles. Dit kan zijn urineonderzoek, ademonderzoek en/of een speekseltest. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd;
  • verdachte heeft op geen enkele wijze – direct of indirect – contact met
  • verdachte bevindt zich niet in de gemeente Harderwijk;
  • verdachte spant zich in voor het vinden en behouden van een passende dagbesteding met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag;
 geeft GGZ Tactus Zutphen opdracht verdachte bij de naleving van de opgelegde voorwaarden hulp en steun te verlenen;
 beveelt dat de terbeschikkingstelling met voorwaarden dadelijk uitvoerbaar is;
 schorst de voorlopige hechtenis onder de hierboven genoemde voorwaarden met ingang van de datum waarop verdachte geplaatst wordt in een IFZ geïndiceerde (of soortgelijke) zorginstelling of indien deze niet tijdig beschikbaar is een overbruggingsplek;
 legt een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel op grond van artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht op.
De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]
 veroordeelt verdachte in verband met het feit onder nummer 1 tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [slachtoffer 1] van € 69,90 aan materiële schade en € 1.500,00 aan smartengeld,
telkensvermeerderd met de wettelijke rente vanaf 11 augustus 2025 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald;
 verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 1] voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering tot immateriële schade;
 veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partij in deze procedure heeft gemaakt en de kosten die de benadeelde partij mogelijk nog moet maken om het toegewezen bedrag betaald te krijgen, tot vandaag begroot op nul;
  • legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van benadeelde partij [slachtoffer 1] , een bedrag te betalen van € 1.569,90 aan materiële schade/smartengeld. Dit wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 11 augustus 2025 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald. Als dit bedrag niet wordt betaald, kunnen 15 dagen gijzeling worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;
  • bepaalt daarbij dat met betaling aan de benadeelde partij in zoverre de betaling aan de Staat vervalt en omgekeerd.
Dit vonnis is gewezen door mr. H.C. Leemreize (voorzitter), mr. P. Verkroost en mr. M.J.M. Krabbe, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E. Wisseborn, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 22 juli 2026.
mr. P. Verkroost en mr. M.H.M. Krabbe zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen

Voetnoten

1.Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant 3] van de politie Oost-Nederland, district Noord- en Oost-Gelderland, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2025383420, gesloten op 15 oktober 2025 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.
2.Het proces-verbaal van bevindingen, p. 188-192; de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 10 juli 2026.
3.Het proces-verbaal van aangifte [slachtoffer 1] , p. 30-31; het proces-verbaal aangifte [slachtoffer 2] , p. 41-42; de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 10 juli 2026.
4.Het proces-verbaal aangifte [slachtoffer 1] , p. 30-31.
5.Het proces-verbaal van aanvullend verhoor aangever [slachtoffer 1] , p. 36-39.
6.Het proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 1] , blad 1-4.
7.Het proces-verbaal aangifte [slachtoffer 2] , p. 41-42.
8.Het proces-verbaal van aanvullend verhoor aangever [slachtoffer 2] , p. 45-46.
9.Het proces-verbaal van bevindingen, p. 14-15.
10.Het proces-verbaal van bevindingen, aanvullend proces-verbaal van 20 februari 2026, ongenummerd.
11.De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 10 juli 2026.
12.Het proces-verbaal van aanhouding, p. 236.