ECLI:NL:RBGEL:2026:5973

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
23 juli 2026
Publicatiedatum
22 juli 2026
Zaaknummer
ARN 25/6013 e.a.
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • A.S. Gaastra
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:64 AwbArt. 8:57 AwbArt. 7:1 AwbArt. 1:2 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep tegen omgevingsvergunning transformatiehuisje wegens gebrek aan belanghebbendheid

De rechtbank Gelderland heeft op 23 juli 2026 uitspraak gedaan in meerdere bestuursrechtelijke zaken waarin eisers bezwaar maakten tegen de omgevingsvergunning die het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Heerde had verleend voor een transformatiehuisje. Het college had de bezwaren van eisers niet-ontvankelijk verklaard omdat zij geen gevolgen van enige betekenis ondervonden.

Eisers voerden aan dat zij wel degelijk belanghebbenden zijn omdat het transformatiehuisje in de waterkering is geplaatst en er acuut gevaar voor overstroming zou ontstaan, wat hun woningen zou kunnen beschadigen. Ook maakten zij bezwaar tegen de afwijking van de locatie zonder betrokkenheid van het waterschap en vreesden zij voor stroomuitval door overbelasting van het elektriciteitsnet.

De rechtbank oordeelde dat eisers onvoldoende belanghebbenden zijn omdat zij op aanzienlijke afstand wonen, geen zicht hebben op het transformatiehuisje en de ruimtelijke uitstraling gering is. Het college had bovendien aannemelijk gemaakt dat de definitieve locatie in overleg met het waterschap was bepaald en dat milieugevolgen van enige betekenis niet aannemelijk zijn. Indirecte belangen zoals toezicht op rechtmatig overheidshandelen en stroomuitval zijn onvoldoende om belanghebbendheid aan te nemen.

De beroepen zijn daarom ongegrond verklaard, de niet-ontvankelijkverklaring van het college is terecht en de inhoudelijke gronden van eisers worden niet behandeld. Eisers krijgen geen griffierecht terug en geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond wegens gebrek aan belanghebbendheid en bevestigt de niet-ontvankelijkverklaring van de bezwaren.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummers: ARN 25/6013, ARN 25/6038, ARN 25/6042 en ARN 25/6044

uitspraak van de enkelvoudige kamer van

in de zaken tussen

[eiser 1] en [eiser 2] , uit [woonplaats] , eisers in zaak ARN 25/6013,

[eiser 3], uit [woonplaats] , eiser in zaak ARN 25/6038,
[eiser 4], uit [woonplaats] , eiser in zaak ARN 25/6042,
[eiser 5] en [eiser 6], uit [woonplaats] , eisers in zaak ARN 25/6044,
gezamenlijk ook te noemen eisers
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Heerde

(gemachtigde: [gemachtigde] ).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de omgevingsvergunning die het college heeft verleend ter legalisatie van een reeds geplaatst transformatiehuisje aan de [adres] in [plaats] . Eisers zijn het niet eens met de beslissing van het college om hun bezwaren niet-ontvankelijk te verklaren. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de niet-ontvankelijkverklaring.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de bezwaren van eisers terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Eisers krijgen dus geen gelijk en de beroepen zijn ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.2.
Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 3. Daarbij gaat de rechtbank in op de vraag of het college de bezwaren van eisers terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.

Procesverloop

2. Bij besluit van 13 juni 2025 heeft het college een omgevingsvergunning verleend ter legalisatie van het reeds geplaatste transformatiehuisje aan de [adres] in [plaats] . [1] Volgens de Legger Waterkeringen van het waterschap Vallei en Veluwe is het transformatiehuisje geplaatst in beschermingszone A van de waterkering.
2.1.
Bij besluiten van 30 oktober 2025 heeft het college de bezwaren van eisers niet-ontvankelijk verklaard omdat eisers op een geruime afstand wonen en daardoor geen gevolgen van enige betekenis ondervinden van het transformatiehuisje.
2.2.
Eisers hebben ieder afzonderlijk beroep ingesteld tegen de beslissing op bezwaar.
2.3.
Het college heeft verweerschriften ingediend.
2.4.
De rechtbank heeft de beroepen op 30 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [eiser 1] , [eiser 3] , [eiser 4] , [eiser 6] , en [gemachtigde] namens het college.
2.5.
De rechtbank heeft na afloop van de zitting het onderzoek geschorst en het college in de gelegenheid gesteld om de tijdens de zitting getoonde mail van 12 juli 2024 te overleggen. Het college heeft de mail op 30 juni 2026 aan de rechtbank gezonden. Daarna hebben eisers ieder afzonderlijk een reactie ingediend: [eisers 1 en 2] op 6 juli 2026, [eiser 3] op 3 juli 2026, [eiser 4] op 3 juli 2026, en [eisers 5 en 6] op 7 juli 2026.
2.6.
Partijen hebben niet gereageerd op het verzoek in de schorsingsbeslissing om aan de rechtbank te laten weten of zij een nadere zitting nodig vinden. De rechtbank heeft daarom het onderzoek gesloten. [2]

Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank beoordeelt of het college de bezwaren van eisers terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.
Heeft het college de bezwaren terecht niet-ontvankelijk verklaard?
4. Eisers betogen dat hun bezwaren ten onrechte niet-ontvankelijk zijn verklaard. Zij ondervinden gevolgen van enige betekenis omdat het transformatiehuisje in de waterkering is gebouwd en er acuut gevaar ontstaat als de waterkering het begeeft. Hun woningen worden dan ingesloten door water en worden beschadigd. Eisers maken zich zorgen over de plek van het transformatiehuisje omdat deze afwijkt van de verleende vergunning zonder dat het waterschap daarbij betrokken is geweest. Eisers vinden dat zij erop moeten kunnen vertrouwen dat de overheid haar taken naar behoren uitvoert. [eiser 4] voert nog aan dat hij in een andere uitspraak van de rechtbank wel ontvankelijk is verklaard. Verder wordt nog aangevoerd dat er door de hogere belasting op het elektriciteitsnet meer stroomuitval zal ontstaan, wat het belang van eisers schaadt.
4.1.
Alleen een belanghebbende kan bezwaar maken dan wel beroep instellen tegen een besluit. [3] Een belanghebbende is degene van wie het belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. [4] Volgens vaste rechtspraak [5] is degene die rechtstreeks feitelijke gevolgen ondervindt van een activiteit die het besluit toestaat, in beginsel belanghebbende bij dat besluit. Het criterium ‘gevolgen van enige betekenis’ van de activiteit is een correctie op dit uitgangspunt. Zonder gevolgen van enige betekenis voor de woon-, leef- of bedrijfssituatie heeft iemand geen persoonlijk belang bij het besluit. Die persoon onderscheidt zich dan onvoldoende van anderen. Om te bepalen of er gevolgen van enige betekenis zijn, kijkt de rechtbank naar de factoren afstand, zicht, planologische uitstraling en milieugevolgen (zoals onder andere geur, geluid, licht, trilling, emissie) tot het besluit. Zij bekijkt die factoren zo nodig in onderlinge samenhang. Ook de aard, intensiteit en frequentie van de feitelijke gevolgen kunnen van belang zijn.
4.2.
De rechtbank oordeelt dat het college terecht stelt dat eisers niet-ontvankelijk in hun bezwaren zijn omdat zij geen gevolgen van enige betekenis ondervinden vanwege de afstand, het ontbreken van zicht en de geringe ruimtelijke uitstraling van het transformatiehuisje. Eisers wonen op behoorlijke afstanden van het transformatorhuisje. [eisers 1 en 2] en [eisers 5 en 6] betwisten niet dat zij op 470 dan wel 480 meter afstand van het transformatiehuisje wonen. Ook [eiser 3] en [eiser 4] wonen op afstanden van ruim 180 meter en ruim 370 meter. Niet is gebleken dat eisers zicht hebben op het transformatiehuisje. Het college stelt zich daarbij terecht op het standpunt dat de ruimtelijke uitstraling van het transformatiehuisje vanwege de geringe omvang (bouwhoogte van 2,10 meter vanaf peil en met een oppervlakte van 9,25 meter) niet zodanig groot is dat eisers daardoor rechtstreeks in hun belang worden geraakt.
4.3.
Het college heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat de risico’s van de plaatsing van het transformatiehuisje zijn afgewogen en dat waterschade om die reden niet aannemelijk is. De enkele stelling dat eisers gevaar lopen maakt niet dat zij aannemelijk hebben gemaakt dat zij milieugevolgen van enige betekenis zullen ondervinden. Voor zover eisers vrezen voor acuut gevaar van overstroming heeft het college voldoende toegelicht dat de definitieve plek van het transformatiehuisje in overleg met het waterschap tot stand is gekomen. Het klopt dat het transformatorhuisje in de verleende watervergunning van Rijkswaterstaat van 25 mei 2023 op een andere locatie was gepland maar in beroep heeft het college met de e-mail van 12 juli 2024 van de energienetbeheerder aan de vergunninghouder voldoende aangetoond dat de definitieve plek in overleg met het waterschap is bepaald. Uit de e-mail blijkt namelijk dat het waterschap de definitieve plek heeft voorgesteld en dat de energienetwerkbeheerder daarmee akkoord gaat. Anders dan eisers stellen, heeft de rechtbank geen twijfel aan het feit dat er overleg met het waterschap heeft plaatsgevonden. Dat het college hier nog apart navraag over had moeten doen bij het waterschap volgt de rechtbank dan ook niet. Dat Rijkswaterstaat deze wijziging had moeten goedkeuren maakt dit, wat hier ook van zij, niet anders. In deze procedure beoordeelt de rechtbank enkel de belanghebbendheid van eisers en in dit kader de aannemelijkheid van de gestelde milieugevolgen. Daarvoor is vraag wie er formeel beslissingsbevoegd is niet van belang. In dat kader merkt de rechtbank nog op dat het waterschap, zoals eisers zelf stellen, in dergelijke kwesties advies geeft aan Rijkswaterstaat.
De rechtbank ziet verder geen reden om deze e-mail buiten beschouwing te laten. Alhoewel eisers er terecht op wijzen dat deze e-mail laat, namelijk pas op zitting is overgelegd, zijn zij door het schorsen van het onderzoek voldoende in de gelegenheid gesteld om hierop te reageren. Hier hebben eisers ook gebruik van gemaakt.
4.4.
Voor zover eisers zich beroepen op indirecte belangen zoals bewaking van rechtmatig overheidshandelen en het voorkomen van stroomuitval door overbelasting van het elektriciteitsnet zijn dat belangen die geen individuele belangen zijn waarbij eisers rechtstreeks zijn betrokken. Eisers onderscheiden zich hiermee onvoldoende van anderen.
4.5.
Voor zover [eiser 4] wijst op de uitspraak van deze rechtbank van 5 augustus 2025 waarin de rechtbank heeft geoordeeld dat eiser in die zaak over de watervergunning ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard, stelt het college terecht dat de belanghebbendheid per besluit wordt beoordeeld aan de hand van de ruimtelijk uitstraling en feitelijke gevolgen van het besluit. Omdat de ruimtelijke uitstraling van het transformatiehuisje geringer is dan die betrekking had op de watervergunning, heeft het college een andere afweging kunnen maken.
4.6.
De beroepsgronden slagen niet.

Conclusie en gevolgen

5. De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat het college de bezwaren terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard en dat de bezwaren inhoudelijk niet worden behandeld. Dit betekent ook dat de rechtbank niet in zal gaan op de inhoudelijke gronden die eisers hebben aangevoerd tegen de verleende omgevingsvergunning. Eisers krijgen daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.S. Gaastra, rechter, in aanwezigheid van mr. M.M. Verschuren, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit wegens strijd met de artikelen 8.2.8, 19.2 en 20.2.2 van het bestemmingsplan Buitengebied Oost dat van rechtswege onderdeel uitmaakt van het omgevingsplan (overschrijding van de maximale bouwhoogte van één meter (2,6 m), en gebruik niet ten dienste van de dubbelbestemming ‘Waterstaat – Waterstaatsdoeleinden’).
2.Met inachtneming van artikel 8:64, vijfde lid, en artikel 8:57 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
3.Artikel 7:1 van Pro de Awb.
4.Artikel 1:2 eerste Pro lid van de Awb.
5.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 28 januari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:284.