ECLI:NL:RBGEL:2026:5965

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
22 juli 2026
Publicatiedatum
22 juli 2026
Zaaknummer
AWB 25/2414
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 122c WaterschapswetVerordening zuiveringsheffing Waterschap Rivierenland 2025
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geen bedrijfsruimte voor pedicurepraktijk in inpandige berging, aanslag zuiveringsheffing vernietigd

Belanghebbende, een medisch pedicure, exploiteert haar praktijk in een inpandige berging van haar woonhuis die beschikt over een eigen voordeur, wasmachineaansluiting en wastafel, maar geen toilet. De heffingsambtenaar legde haar een aanslag zuiveringsheffing op voor één vervuilingseenheid, welke het bezwaar ongegrond verklaarde.

De rechtbank beoordeelt of de ruimte als bedrijfsruimte in de zin van de Verordening zuiveringsheffing Waterschap Rivierenland 2025 kan worden aangemerkt. Volgens de Verordening moet een bedrijfsruimte een naar zijn aard en inrichting als afzonderlijk geheel te beschouwen ruimte zijn, met voldoende zelfstandigheid, waarbij de gebruiker niet meer dan bijkomstig afhankelijk mag zijn van buiten de ruimte aanwezige voorzieningen.

De rechtbank stelt vast dat het ontbreken van een toilet essentieel is, omdat de pedicurepraktijk drie dagen per week cliënten ontvangt en een toiletvoorziening noodzakelijk is voor zowel belanghebbende als cliënten. Hierdoor is de ruimte meer dan bijkomstig afhankelijk van buiten de ruimte aanwezige voorzieningen en bezit zij onvoldoende zelfstandigheid.

De rechtbank concludeert dat de ruimte geen bedrijfsruimte is in de zin van de Verordening en de Waterschapswet, waardoor de aanslag onterecht is opgelegd. Het beroep wordt gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar en de aanslag worden vernietigd, en de heffingsambtenaar wordt verplicht het griffierecht aan belanghebbende te vergoeden.

Uitkomst: De aanslag zuiveringsheffing wordt vernietigd omdat de inpandige berging onvoldoende zelfstandigheid bezit om als bedrijfsruimte te gelden.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 25/2414

uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 22 juli 2026

in de zaak tussen

[belanghebbende] , uit [woonplaats] , belanghebbende,

en
de heffingsambtenaar van Belastingsamenwerking Rivierenland, de heffingsambtenaar.

Inleiding

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van 25 april 2025.
De heffingsambtenaar heeft aan belanghebbende voor het jaar 2025 een aanslag zuiveringsheffing bedrijven (de aanslag) opgelegd naar één vervuilingseenheid.
De heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.
De heffingsambtenaar heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 9 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: belanghebbende en haar echtgenoot en namens de heffingsambtenaar [persoon 1] .

Feiten

1. Belanghebbende is medisch pedicure en eigenaar van [pedicurepraktijk] (de pedicurepraktijk). De pedicurepraktijk is gevestigd aan de [adres] te [plaats] . Belanghebbende woont ook op dit adres.
2. De ruimte waarin de pedicurepraktijk is gevestigd betreft een inpandige berging van het woonhuis met een eigen voordeur. De ruimte beschikt over een wasmachineaansluiting en een wastafel. De ruimte beschikt niet over een toilet.
3. De heffingsambtenaar heeft aan belanghebbende op 21 februari 2025 de aanslag opgelegd van € 70,35 berekend naar één vervuilingseenheid.

Beoordeling door de rechtbank

4. De rechtbank beoordeelt of de heffingsambtenaar terecht de aanslag heeft opgelegd. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
5. De rechtbank is van oordeel dat het beroep gegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Is sprake van bedrijfsruimte?
6. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de heffingsambtenaar de aanslag onterecht heeft opgelegd, omdat geen sprake is van bedrijfsruimte. De ruimte is niet zelfstandig in gebruik, maar maakt fysiek en functioneel deel uit van de woning. Buiten de twee tot drie dagen dat de praktijk geopend is, wordt de ruimte privé gebruikt voor opslag van fietsen, jassen en boodschappen. Er is geen eigen watermeter en het waterverbruik is zeer gering.
7. De heffingsambtenaar is van mening dat sprake is van bedrijfsruimte. Het bedrijf van belanghebbende staat ingeschreven op het adres en is daarom afzonderlijk in de heffing betrokken. De ruimte is een naar zijn aard en inrichting als afzonderlijk geheel te beschouwen ruimte en is daarom op grond van de Verordening zuiveringsheffing Waterschap Rivierenland terecht als bedrijfsruimte in de heffing betrokken.
8. De rechtbank overweegt als volgt. Bedrijfsruimte is volgens de Verordening zuiveringsheffing Waterschap Rivierenland 2025 (de Verordening) een naar zijn aard en inrichting als afzonderlijk geheel te beschouwen ruimte of terrein, niet zijnde een woonruimte, een zuiveringtechnisch werk of een riolering. Deze omschrijving komt (vrijwel letterlijk) overeen met die van artikel 122c van de Waterschapswet.
9. Uit de woorden ‘als afzonderlijk geheel te beschouwen’ leidt de rechtbank af dat van een bedrijfsruimte eerst sprake is als de ruimte, voor wat betreft zijn bedrijfsfunctie, over voldoende zelfstandigheid beschikt. Die zelfstandigheid moet naar het oordeel van de rechtbank worden beoordeeld aan de hand van de aard en inrichting van de ruimte. Daarbij is bepalend of de gebruiker bij het gebruik ervan op een wijze waarvoor de ruimte naar aard en inrichting is bestemd, meer dan bijkomstig afhankelijk is van buiten de ruimte aanwezige voorzieningen. [1] Is dat laatste het geval dan bezit de ruimte onvoldoende zelfstandigheid.
10. De rechtbank is van oordeel dat, alleen al gelet op het feit dat de ruimte niet beschikt over een toilet, de ruimte onvoldoende zelfstandigheid bezit en daarom niet is aan te merken als bedrijfsruimte. De aanwezigheid van een toilet is naar het oordeel van de rechtbank in dit geval van essentieel belang. Belanghebbende drijft drie dagen per week een pedicurepraktijk in de ruimte en ontvangt daar cliënten. Het is dan essentieel dat er ten behoeve van belanghebbende en van de cliënten een toilet aanwezig is. Nu dat niet het geval is, is de ruimte meer dan bijkomstig afhankelijk van buiten de ruimte aanwezige voorzieningen.
11. Nu de conclusie is dat geen sprake is van bedrijfsruimte in de zin van de Verordening en de Waterschapswet is de aanslag onterecht opgelegd.

Conclusie en gevolgen

12. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt daarom de uitspraak op bezwaar en de aanslag.
13. Omdat het beroep gegrond is moet de heffingsambtenaar het griffierecht aan belanghebbende vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar;
- vernietigt de aanslag;
- bepaalt dat de heffingsambtenaar het griffierecht van € 53 aan belanghebbende moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.J. Tikken, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Jongsma-van Helden, griffier.
Uitgesproken op 22 juli 2026.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
griffier
rechter

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Vgl. Hof Amsterdam 21 januari 2016, ECLI:NL:GHAMS:2016:310 en Hof Amsterdam 27 mei 2004, ECLI:NL:GHAMS:2004:AQ6732.