ECLI:NL:RBGEL:2026:5919

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
20 juli 2026
Publicatiedatum
21 juli 2026
Zaaknummer
05-157629-25 en 05-186396-25 (gev. ttz)
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36f SrArt. 38 SrArt. 38a SrArt. 38z SrArt. 45 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling poging brandstichting, mishandeling, bedreiging en wapenbezit in Arnhem

De rechtbank Gelderland heeft op 20 juli 2026 een 29-jarige man uit Arnhem veroordeeld voor meerdere strafbare feiten gepleegd in april en mei 2025. De man werd schuldig bevonden aan poging tot brandstichting door het gooien van een brandende jerrycan en het afsteken van vuurwerk richting een woning, mishandeling met pepperspray, bedreiging met een vuurwapen door gericht te schieten op een persoon in een woonwijk, en het bezit van een gaspistool en munitie.

De rechtbank oordeelde dat verdachte samen met zijn broer handelde bij de poging tot brandstichting, waarbij sprake was van een begin van uitvoering en medeplegen. Hoewel levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel niet bewezen kon worden, was er wel sprake van gemeen gevaar voor goederen. De mishandeling met pepperspray werd bewezen verklaard, waarbij het beroep op noodweer(exces) werd verworpen. De bedreiging met vuurwapen werd bewezen door getuigenverklaringen en camerabeelden die gericht schieten bevestigden.

De rechtbank hield rekening met de ernst van de feiten, de persoon van verdachte met een licht verstandelijke beperking, antisociale persoonlijkheidsstoornis en verslavingsproblematiek, en het hoge recidiverisico. Daarom werd een gevangenisstraf van 124 dagen opgelegd met aftrek van voorarrest, gecombineerd met tbs met voorwaarden. Tevens werden schadevergoedingen toegekend aan de benadeelden voor materiële en immateriële schade, terwijl smartengeldvorderingen wegens geestelijk letsel werden afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot 124 dagen gevangenisstraf met aftrek van voorarrest en tbs met voorwaarden.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Zutphen
Parketnummer: 05-157629-25 en 05-186396-25 (gev. ttz).
Datum uitspraak : 20 juli 2026
Tegenspraak
vonnis van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte],
geboren op [geboortedag] 1996 in [geboorteplaats] ,
wonende aan [adres] in [woonplaats] .
raadsman: mr. M.W.G.J. IJsseldijk, advocaat in Arnhem.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op openbare terechtzittingen.

1.De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
Ten aanzien van parketnummer 05-157629-25
1.
hij op of omstreeks 13 mei 2025 in de gemeente Arnhem, althans in Nederland,
ter uitvoering van het door hem voorgenomen misdrijf om tezamen en in
vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
opzettelijk brand te stichten en/of een ontploffing te weeg te brengen in/aan een
woning gelegen aan [adres] , immers heeft/hebben verdachte
en/of zijn mededader(s) toen aldaar in/bij voornoemde woning
- een jerrycan met benzine, althans met een soortgelijke brandbare stof bij
voornoemde woning neergelegd en/of naar voornoemde woning gegooid en/of
- meermalen, in ieder geval éénmaal, vuurwerk, in ieder geval dergelijke ontplofbare
voorwerpen, aangestoken en vervolgens naar voornoemde woning gegooid, alwaar
het vuurwerk (meermalen) tot ontploffing is gekomen,
- meermalen, in ieder geval éénmaal, vuurwerk, in ieder geval dergelijke ontplofbare
voorwerpen, aangestoken en/of afgeschoten in de richting van voornoemde woning
en/of jerrycan,
in elk geval opzettelijk (open) vuur in aanraking gebracht met benzine, althans met
(een) brandbare stof(fen) en daarvan gemeen gevaar voor goederen, te weten goederen aanwezig in voornoemde woning en/of goederen in nabij gelegen en/of belendende woningen,
en/of levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of
anderen, te weten [benadeelde 1] , [benadeelde 2] en/of [aangever] ,en/of [benadeelde 3] en/of
bewoners van de nabij gelegen en/of belendende woning(en), te duchten was,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2.
hij op of omstreeks 13 mei 2025 in de gemeente Arnhem, althans in Nederland,
[aangever] heeft mishandeld door pepperspray, in ieder geval een soortgelijke giftige
en/of traanverwekkende stof, in de ogen van die [aangever] te spuiten;
Ten aanzien van parketnummer 05-186396-25
1.
hij op of omstreeks 12 april 2025 te Arnhem, althans in Nederland, [aangever] heeft bedreigd met
enig misdrijf tegen het leven gericht, door;
- in een auto (dreigend) rondom de woning van die [aangever] heen en weer te rijden en/of
- (daarbij) een raam van de auto te openen en/of een vuurwapen, althans een op een vuurwapen
gelijkend voorwerp, uit een autoraam te steken en/of een vuurwapen, althans een op een
vuurwapen gelijkend voorwerp, te tonen en/of
- een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, een of meerdere malen in de richting van/op, althans in de nabijheid van die [aangever] te richten/wijzen en/of
- met een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, een of meerdere malen
in de richting van/op, althans in de nabijheid van die [aangever] te schieten;
2.
hij op of omstreeks 12 april 2025 te Arnhem, althans in Nederland,
- een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet Wapens en Munitie, te weten een gaspistool, van het merk Zoraki, model 917, zijnde een vuurwapen in de vorm van een pistool en/of
- munitie van categorie III, onder 1 van de Wet Wet Wapens en Munitie, te weten een of meerdere knalpatronen 9mm P.A. Knall en/of een gaspatroon 9mm PA PV,
voorhanden heeft gehad.

2.Overwegingen ten aanzien van het bewijs

Ten aanzien van parketnummer 05-157629-25 [1]
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan beide feiten. Ten aanzien van feit 1 is er geen sprake van levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel vanwege het ontbreken van een FO-rapportage in het dossier. Wel is er sprake van gemeen gevaar voor goederen.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft ten aanzien van feit 1 bepleit dat verdachte moet worden vrijgesproken van het levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel en gevaar voor omliggende percelen, nu onderzoek daar naar ontbreekt. De raadsman heeft zich gerefereerd ten aanzien van het overige gemeen gevaar voor goederen.
Beoordeling door de rechtbank
Feit 1
De feiten
Verdachte verklaarde dat hij in de avond van 13 mei 2025 werd gebeld door zijn broer [medeverdachte] . Verdachte reed naar [medeverdachte] toe en zag dat [medeverdachte] een grote sierpot vuurwerk in zijn achterbak legde. Op dat moment lag er ook een jerrycan van verdachte met benzine, in de auto.
Verdachte en [medeverdachte] reden vervolgens naar [adres] te Arnhem en kwamen daar rond 22:30 uur aan. Ze stapten uit en haalden de jerrycan en sierpot uit de auto. Verdachte zag dat [medeverdachte] de sierpot op de kop neerlegde richting de woning, waarna [medeverdachte] deze afstak met een lont of aansteker die [medeverdachte] bij zich had. Het vuurwerk werd daardoor afgeschoten. Verdachte verklaarde dat hij [medeverdachte] niet tegenhield. Verdachte gooide een jerrycan naar de woning. Verdachte wilde hiermee de bewoners van [adres] laten schrikken, omdat hij ruzie had met bewoner [aangever] . [2] [aangever] verklaarde dat hij met zijn broers [benadeelde 2] en [benadeelde 3] en met zijn moeder [benadeelde 1] aan [adres] woont. [3]
Op het moment van het incident waren de rolluiken van de woning naar beneden. Na de vuurwerkknallen zat er een zwarte brandplek op de rolluiken. Ook lag er in de voortuin een jerrycan. Over de jerrycan was een badjas heen gegooid om het vuur te doven. De verbalisant die om 00.04 uur ter plaatse was rook een duidelijke benzinegeur toen hij de badjas van de jerrycan haalde. [4]
De camerabeelden van [adres] aan [adres] van 13 mei 2025 werden uitgekeken. Om 22:29 uur was te zien dat er een vlam brandt ter hoogte van de voordeur. Kort daarna volgden er diversie explosies vanaf de weg naar de voorzijde van de woning. De explosies leken op vuurwerkachtige explosieven, omdat de knallen zich verspreidden in allerlei richtingen. [5]
Ook werden de camerabeelden uitgekeken die gericht staan op de kruising van [adres] en [adres] . Om 22:28 uur werd er door één van de 3 personen bij het voertuig iets aangestoken en vervolgens naar de woning aan [adres] gegooid. Op het moment dat het voorwerp landt bij de woning komt er vuurwerk uit het voorwerp dat eerder op de grond was gezet. Om 22:30 uur was te zien dat het vuurwerk de lucht in schiet, waarna een van de personen op de camerabeelden het voorwerp waar het vuurwerk uitkomt, verplaatst met zijn been waardoor het vuurwerk weer naar [adres] schiet. [6]
Uit onderzoek naar [adres] bleek dat de woning houten kozijnen en een houten voordeur had. Aan de rechterzijde van de woning stond een groene heg op ongeveer 1 meter afstand, die tegen een houten schutting stond, die weer tegen de gevel stond.
Door het afgeschoten vuurwerk had een deel van de heg die in de tuin staat van [adres] in brand gestaan. [7]
Conclusie
De rechtbank concludeert dat verdachte samen met zijn broer naar [adres] is gereden met een vuurwerkpot en een jerrycan met benzine in de auto. [medeverdachte] stak de vuurwerkpot aan en richtte deze op de woning, waarna verdachte de jerrycan gooide. De rechtbank oordeelt dat de jerrycan op het moment van gooien brandde. Daarbij is van belang dat op de camerabeelden te zien is dat er iets werd aangestoken waarna het brandende voorwerp naar de woning wordt gegooid. Terwijl dit voorwerp landt, komt er vuurwerk uit het eerder op de grond gezette voorwerp (de rechtbank begrijpt: de vuurwerkpot). Daarnaast werd de jerrycan na het incident brandend in de voortuin aangetroffen, waarbij een badjas over de jerrycan was gegooid om het vuur te doven. De rechtbank concludeert dat verdachte of [medeverdachte] de jerrycan vóór het gooien heeft aangestoken en verdachte deze brandend in de richting van de woning heeft gegooid. De gedragingen van verdachte en zijn broer zijn naar hun uiterlijke verschijningsvorm gericht op de voltooiing van de voorgenomen brandstichting. Daarmee was sprake van een begin van uitvoering.
Ten aanzien van het opzet overweegt de rechtbank als volgt. Niet is gebleken dat verdachte de bedoeling had de woning daadwerkelijk in brand te steken. Hij wilde naar eigen zeggen de bewoners schrik aanjagen, het conflict moest stoppen. De vraag is of verdachte door zijn handelen bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat brand zou ontstaan. Verdachte heeft immers een jerrycan met benzine brandend in de richting van de woning gegooid, terwijl tegelijkertijd zwaar vuurwerk op de woning werd afgestoken. Benzine is een licht ontvlambare en zeer brandbare stof. Ook van zwaar vuurwerk is algemeen bekend dat daarvan aanzienlijk brandgevaar uitgaat. Door onder deze omstandigheden een jerrycan en vuurwerk in de richting van de woning te gooien en vuren, heeft verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat de woning of zich rondom de woning bevindende goederen in brand zouden raken.
Op basis van het dossier was er gemeen gevaar voor goederen te duchten. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat op het rolluik van de woning een brandplek is ontstaan en dat de heg aan de voorzijde van een nabijgelegen woning daadwerkelijk in brand heeft gestaan. In die heg hingen bovendien takken van een grote boom, welke takken zich ook helemaal uitstrekten over en tegen het dak van de betreffende woning. Onder deze omstandigheden bestond een reële mogelijkheid dat de brand zich zou uitbreiden naar de woning en de aangrenzende woningen, te meer nu de huizen aan [adres] rijtjeswoningen zijn en de percelen direct aan elkaar grenzen.
De rechtbank acht echter niet bewezen dat levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de bewoners of anderen te duchten was. Hoewel vaststaat dat zich personen in de woning bevonden, biedt het dossier onvoldoende aanknopingspunten om vast te stellen dat de brand zich vanaf de brandende jerrycan of de heg zodanig had kunnen ontwikkelen of uitbreiden naar de woning dat voor de aanwezige personen een concrete en reële kans op overlijden dan wel zwaar lichamelijk letsel bestond. De rechtbank zal verdachte daarom van dit onderdeel van de tenlastelegging vrijspreken.
Wel is sprake van medeplegen. Verdachte en zijn broer zijn gezamenlijk naar de woning gereden met een vuurwerkpot en een jerrycan met benzine. Vervolgens hebben zij deze gezamenlijk uit de auto gehaald, waarna [medeverdachte] de vuurwerkpot heeft aangestoken en op de woning heeft gericht en verdachte de brandende jerrycan naar de woning heeft gegooid. Daarmee hebben zij ieder een wezenlijke bijdrage geleverd aan de uitvoering van het feit. Naar het oordeel van de rechtbank is dan ook sprake geweest van een bewuste en nauwe samenwerking tussen verdachte en [medeverdachte] . Op de camerabeelden was ook nog een derde persoon bij de auto van verdachte te zien, maar het dossier bevat onvoldoende informatie over de rol en bijdrage van deze persoon ten aanzien van de poging tot brandstichting.
Feit 2
Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.
Bewijsmiddelen:
- het proces-verbaal van aangifte van [aangever] , p. 15-16
- het proces-verbaal van bevindingen, p. 128;
- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 6 juli 2026.
Ten aanzien van parketnummer 05-186396-25 [8]
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat de feiten wettig en overtuigend kunnen worden bewezen.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft ten aanzien van feit 1 bepleit dat er geen sprake was van het lossen van schoten in de richting van [aangever] door verdachte, zodat verdachte van dat deel van de tenlastelegging moet worden vrijgesproken. Voor feit 2 heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Feit 1
Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.
Bewijsmiddelen:
- het proces-verbaal van bevindingen, p. 34;
- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 6 juli 2026.
Ten aanzien van het gericht schieten door verdachte op [aangever] overweegt de rechtbank als volgt.
[aangever] verklaarde dat hij hoorde dat [medeverdachte] zei dat [verdachte] op hem (de rechtbank begrijpt: [aangever] ) ging schieten. [aangever] zag de auto van verdachte voor zijn woning aan [adres] staan. [aangever] zag en hoorde dat verdachte een wapen in zijn hand had en zijn arm uit de auto stak, het vuurwapen op [aangever] richtte en richting hem schoot. [9]
Buurtbewoner [getuige] was op 12 april 2025 thuis in haar woning aan [adres] . Ze hoorde een auto heel hard voor- en achteruit rijden en zag een buurjongen zich verstoppen achter een auto. [10]
Verbalisanten kregen op 12 april 2025 een melding van een schietpartij aan [adres] . Op de beelden van [adres] was te zien dat er een donkere auto aan kwam rijden die stil stond op de splitsing met de Schipbeekstraat. Daarna was een hard geluid te horen dat verbalisanten herkenden als een schot uit een vuurwapen. De persoon die rechts in beeld liep leek te worden beschoten. Deze persoon rende hard af op de auto en sloeg er tegenaan. De persoon rende vervolgens heen en weer door de straat en de auto reed ook heen en weer. Het leek volgens verbalisanten alsof de auto bij de persoon in de buurt wilde komen. Bij het volgende kruispunt werd opnieuw een schot gelost uit de auto waarbij ook een mondingsvlam was te zien tijdens de knal. [11]
De rechtbank concludeert op basis van het voorgaande dat verdachte gericht heeft geschoten op [aangever] . Uit het dossier blijkt dat verdachte stilstaand een eerste schot loste en daarna heen en weer door de straat achter [aangever] aan reed, waarna bij het volgende kruispunt nog een schot werd gelost. Deze omstandigheden passen niet bij iemand die twee keer alleen in de lucht schiet. Immers, verdachte reed hard achter [aangever] aan en probeerde dichter bij hem in de buurt te komen. Daarbij zagen verbalisanten op de camerabeelden dat het erop leek alsof de persoon die in de straat stond beschoten werd en waarschuwde [medeverdachte] [aangever] dat verdachte op hem wilde schieten. Hiermee is wettig en overtuigend bewijs dat verdachte naast het tonen van het vuurwapen daarmee ook gericht op [aangever] schoot.
Feit 2
Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.
Bewijsmiddelen:
- het proces-verbaal van onderzoek wapen, p. 74-75;
- het proces-verbaal van onderzoek wapen, p. 77;
- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 6 juli 2026.

3.De bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte feit 1 en feit 2 van parketnummer 05-157629-25 en feit 1 en feit 2 van parketnummer 05-186396-25 heeft begaan, te weten dat:
Ten aanzien van parketnummer 05-157629-25
1.
hij op
of omstreeks13 mei 2025 in de gemeente Arnhem,
althans in Nederland,ter uitvoering van het door hem voorgenomen misdrijf om tezamen en in
vereniging met een
of meerander
en, althans alleen,opzettelijk brand te stichten en
/ofeen ontploffing te weeg te brengen in/aan een
woning gelegen aan [adres] , immers
heeft/hebben verdachte
en
/ofzijn mededader
(s)toen aldaar in/bij voornoemde woning
- een jerrycan met benzine
, althans met een soortgelijke brandbare stof bijvoornoemde woning neergelegd en/ofnaar voornoemde woning gegooid en
/of-
meermalen, in ieder gevaléénmaal, vuurwerk,
in ieder geval dergelijke ontplofbarevoorwerpen,aangestoken
en vervolgens naar voornoemde woning gegooid, alwaar
het vuurwerk (meermalen) tot ontploffing is gekomen,
-
meermalen, in ieder gevaléénmaal, vuurwerk,
in ieder geval dergelijke ontplofbarevoorwerpen,aangestoken en
/ofafgeschoten in de richting van voornoemde woning
en/of jerrycan,
in elk gevalopzettelijk (open) vuur in aanraking gebracht met benzine,
althans met(een) brandbare stof(fen)en daarvan gemeen gevaar voor goederen, te weten
goederen aanwezig invoornoemde woning en
/of goederen innabij gelegen en/of belendende woningen,
en/of levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander ofanderen, te weten [benadeelde 1] , [benadeelde 2] en/of [aangever] ,en/of [benadeelde 3] en/ofbewoners van de nabij gelegen en/of belendende woning(en),te duchten was,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2.
hij op
of omstreeks13 mei 2025 in de gemeente Arnhem,
althans in Nederland,[aangever] heeft mishandeld door pepperspray,
in ieder geval een soortgelijke giftigeen/of traanverwekkende stof,in de ogen van die [aangever] te spuiten;
Ten aanzien van parketnummer 05-186396-25
1.
hij op
of omstreeks12 april 2025 te Arnhem,
althans in Nederland,[aangever] heeft bedreigd met
enig misdrijf tegen het leven gericht, door;
- in een auto (dreigend) rondom de woning van die [aangever] heen en weer te rijden en
/of- (daarbij) een raam van de auto te openen en
/ofeen vuurwapen
, althans een op een vuurwapengelijkend voorwerp, uit een autoraam te steken en
/ofeen vuurwapen,
althans een op eenvuurwapen gelijkend voorwerp,te tonen en/of
- een vuurwapen,
althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, een ofmeerdere malen in de richting van/op,
althans in de nabijheid vandie [aangever] te richten/wijzen en
/of- met een vuurwapen,
althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, een ofmeerdere malen
in de richting van
/op, althans in de nabijheid vandie [aangever] te schieten;
2.
hij op
of omstreeks12 april 2025 te Arnhem,
althans in Nederland,- een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet Wapens en Munitie, te weten een gaspistool, van het merk Zoraki, model 917, zijnde een vuurwapen in de vorm van een pistool en
/of- munitie van categorie III, onder 1 van de Wet Wet Wapens en Munitie, te weten
een ofmeerdere knalpatronen 9mm P.A. Knall en
/ofeen gaspatroon 9mm PA PV,
voorhanden heeft gehad.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.
Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.
Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4.De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:
Ten aanzien van parketnummer 05-157629-25
feit 1:
medeplegen van een poging tot opzettelijk brand stichten en een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is
feit 2:
mishandeling
Ten aanzien van parketnummer 05-186396-25
feit 1:
bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht
feit 2:
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie
en
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III

5.De strafbaarheid van de feiten

De feiten zijn strafbaar.

6.De strafbaarheid van de verdachte

Ten aanzien van feit 1 van parketnummer 05-157629-25 en de feiten van parketnummer 05-186396-25
Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.
Ten aanzien van feit 2 van parketnummer 05-157629-25
De verdediging heeft een beroep gedaan op noodweer(exces). Daartoe is aangevoerd dat verdachte zich moest verdedigen tegen [aangever] , omdat [aangever] een schietpen vast had. Verdachte was er eerder al van op de hoogte dat [aangever] een dergelijke schietpen in bezit had.
Gelet op hetgeen de rechtbank heeft vastgesteld over de feitelijke toedracht, is de rechtbank van oordeel dat er geen sprake is van een noodweersituatie. Niet is aannemelijk geworden dat [aangever] een schietpen vast had op het moment dat verdachte pepperspray in de ogen van [aangever] spoot. Verdachte heeft op de vraag van de politie of hij daadwerkelijk een schietpen in de hand van [aangever] heeft gezien, verklaard dat hij iets zag glimmen en dat hij niet kon zien of het een schietpen was of niet. Na het incident op 13 mei 2025 is de woning van [aangever] doorzocht, daar werd geen schietpen aangetroffen. Daarmee is niet gebleken van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding en daarom niet van een noodweersituatie.
De rechtbank verwerpt daarom het beroep op noodweer(exces) en oordeelt dat verdachte een strafbare dader is. Er is geen omstandigheid gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7.De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot terbeschikkingstelling (hierna: tbs) met de voorwaarden zoals door de reclassering geadviseerd.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat aan verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf conform het voorarrest wordt opgelegd, en een voorwaardelijke gevangenisstraf van 1 jaar met een proeftijd van 3 jaren met de bijzondere voorwaarden zoals geformuleerd door de reclassering. Dit is voldoende omdat verdachte goed meewerkt en al veel heeft geleerd van de schorsende voorwaarden en een tbs-maatregel met voorwaarden een te zware sanctie is. Verdachte wil zijn behandeling bij Icare herstarten.
De beoordeling door de rechtbank
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.
Ernst van het feit
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot brandstichting, mishandeling met pepperspray, bedreiging met een vuurwapen en het bezit van een vuurwapen en munitie. Verdachte had een conflict met [aangever] en heeft er tijdens de twee incidenten voor gekozen om geweld in te zetten om het conflict ‘op te lossen’. Door een brandende jerrycan te gooien en vuurwerk af te steken naar de woning heeft verdachte een zeer groot risico genomen. Dat geldt ook voor het schieten met het vuurwapen in de richting van [aangever] . Dergelijk (vuurwapen)geweld in een woonwijk is niet alleen bedreigend voor de direct betrokkene(n), maar werkt ook door naar de omgeving en versterkt gevoelens van onveiligheid in de samenleving.
Dat de incidenten relatief goed zijn afgelopen en dat zich geen lichamelijk letsel voor de betrokkenen heeft verwezenlijkt, is een gelukkige omstandigheid die niet aan verdachte is te danken. De rechtbank neemt verdachte deze feiten kwalijk. Het betreffen ernstige feiten waarbij verdachte onder invloed was van alcohol en/of drugs en die bovendien in een periode van een maand zijn gepleegd.
De persoon van verdachte
De rechtbank heeft in aanmerking genomen het uittreksel justitiële documentatie van 8 juni 2026, waaruit blijkt dat verdachte op 4 mei 2026 door het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden is veroordeeld tot een deels voorwaardelijke gevangenisstraf met bijzondere voorwaarden voor meerdere mishandelingen en bedreigingen.
Uit de Pro Justitia-rapportage van 14 januari 2026 is naar voren gekomen dat bij verdachte sprake is van een licht verstandelijke beperking, hechtingsproblematiek, polymiddelengebruik, een antisociale persoonlijkheidsstoornis en ADHD. Ten tijde van de feiten schoten de impuls- en emotieregulatievaardigheden van verdachte tekort en kon hij door de licht verstandelijke beperking niet de consequenties van zijn gedrag overzien. Verdachte was ook onder invloed van middelen, wat heeft gezorgd voor een verhoogd risico op escalatie in de vorm van geweld. Daarbij speelt ook zijn antisociale persoonlijkheidsstoornis een rol, onder meer gezien het feit dat verdachte agressie niet uit de weg ging bij de feiten. Ten tijde van het tenlastegelegde was er sprake van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens door de combinatie van psychopathologie. Er is een verband tussen het ten laste gelegde en de verschillende stoornissen en een verband tussen de stoornissen onderling, waardoor het gedrag gedeeltelijk werd bepaald. De psychologen en psychiater adviseren de feiten daarom in verminderde mate toe te rekenen. Het risico op recidive van geweld wordt als hoog ingeschat en volgens de onderzoekers is tbs een passende context om behandeling te laten plaatsvinden.
Uit het reclasseringsrapport van 16 juni 2026 is gebleken dat verdachte momenteel onder schorsende voorwaarden bij FPA [locatie] verblijft, een organisatie die gespecialiseerd is in behandeling van cliënten met een verstandelijke beperking en ernstige gedragsproblemen. Sinds het verblijf van verdachte bij FPA [locatie] wordt enige vooruitgang gezien in zijn meewerkende houding en innerlijke rust. De grootste risicofactoren zijn volgens de reclassering het eerder geweld hebben gepleegd, problemen in relaties met geweld, persoonlijkheidsproblematiek, eerdere onttrekkingen aan toezicht, gebrekkig zelfinzicht, beperkt zicht op de noodzaak van behandeling, impulsiviteit, cognitieve instabiliteit, problemen met ondersteuning en planning en beperkte respons op behandeling. In behandeling dient er onder meer gewerkt te worden aan het vergroten van beschermende factoren. Verdachte heeft in het verleden vaak voorwaarden geschonden en ook recidiveerde hij tijdens lopende reclasseringstoezichten. Bij het laatste toezicht werd genoemd dat ambulante begeleiding en behandeling niet werkten en zij geen mogelijkheid meer zagen om de risico’s te hanteren. Tbs met voorwaarden lijkt op dit moment de beste optie, omdat verdachte dan zijn behandeling kan continueren bij FPA [locatie] . Wat betreft de reclassering is het zelfstandig laten wonen met ambulante behandeling van verdachte geen realistische optie, omdat er een te hoog risico is op recidive en onttrekken aan voorwaarden. De reclassering heeft geadviseerd aan de tbs-maatregel de volgende voorwaarden te verbinden:
  • Geen strafbaar feit plegen
  • Meewerken aan reclasseringstoezicht
  • Meewerken aan time-out
  • Niet naar het buitenland
  • Opneming in een zorginstelling
  • Ambulante behandeling
  • Verblijf in begeleid wonen of maatschappelijke opvang
  • Verbod verdovende middelen
  • Alcoholverbod
  • Contactverbod
  • Dagbesteding
  • Aflossing schulden
De reclassering kan het toezicht hierop uitoefenen. De reclassering heeft ook geadviseerd tot dadelijke uitvoerbaarheid van de voorwaarden en het opleggen van een 38-z maatregel.
De deskundige van de reclassering die eveneens het reclasseringsrapport opstelde, mevr. [reclassering deskundige] , verklaarde ter zitting dat tbs met voorwaarden de meest passende behandelmogelijkheid is voor verdachte. De enige moeilijkheden rondom de tbs met voorwaarden zitten in het stuk dat gaat over het begeleid wonen. Behandeling bij Icare, zoals verdachte voorstelt, is op dit moment geen optie omdat zij geen forensische behandeling aanbieden.
De straf
Bij de bepaling van de op te leggen straf heeft de rechtbank in het bijzonder rekening gehouden met de conclusies van de psychologen, psychiater en reclassering. Uit de Pro Justitia-rapportage volgt dat bij verdachte ten tijde van de bewezenverklaarde feiten sprake was van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens. De deskundigen achten de feiten daarom in verminderde mate aan verdachte toe te rekenen. Daarnaast schatten zowel de deskundigen als de reclassering het risico op herhaling van ernstig geweld als hoog in. Zonder intensieve behandeling bestaat een aanzienlijke kans dat verdachte opnieuw soortgelijke geweldsdelicten zal plegen.
De poging tot brandstichting betreft een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van 4 jaren of meer is gesteld. De stoornissen van verdachte staan in verband met het bewezenverklaarde en de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen, eist het opleggen van de maatregel.
Naar het oordeel van de rechtbank is daarmee voldaan aan de wettelijke voorwaarden voor het opleggen van de maatregel van terbeschikkingstelling met voorwaarden.
De rechtbank heeft verder gekeken naar de vraag of met een minder ingrijpende sanctie kan worden volstaan. Uit het reclasseringsrapport blijkt echter dat eerdere ambulante begeleiding, bijzondere voorwaarden en reclasseringstoezicht onvoldoende effect hebben gehad. Verdachte heeft zich in het verleden meermalen niet aan voorwaarden gehouden en is tijdens eerder toezicht opnieuw met justitie in aanraking gekomen. De reclassering ziet daarom geen mogelijkheden om de risico's binnen een regulier toezichtskader voldoende te beperken. Daar staat tegenover dat verdachte sinds zijn opname bij FPA [locatie] een voorzichtige positieve ontwikkeling laat zien. De rechtbank acht het van belang dat deze behandeling binnen het huidige forensische kader wordt voortgezet en dat stapsgewijs kan worden toegewerkt naar meer zelfstandigheid zodra dat verantwoord is.
Alles afwegend is de rechtbank van oordeel dat tbs met voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering het meest passend en geboden is. Met deze maatregel wordt enerzijds de noodzakelijke beveiliging van de maatschappij gewaarborgd en anderzijds krijgt verdachte de intensieve behandeling die nodig is om het risico op herhaling te verminderen. Daarnaast wordt aan verdachte ook een voorwaardelijke gevangenisstraf van 124 dagen (gelijk aan het voorarrest) met aftrek van voorarrest opgelegd.
Dadelijke uitvoerbaarheid
De rechtbank ziet aanleiding de voorwaarden dadelijk uitvoerbaar te verklaren. Gelet op de gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens van verdachte, het hoge recidiverisico en de noodzaak van voortzetting van de klinische behandeling, moet er ernstig rekening mee worden gehouden dat verdachte zonder onmiddellijk toezicht opnieuw een misdrijf zal begaan dat is gericht tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen.
Geschorste bevel voorlopige hechtenis
De rechtbank zal het geschorste bevel voorlopige hechtenis in stand laten. Zij zal de voorwaarden van de schorsing wijzigen, in die zin dat aan de schorsing dezelfde voorwaarden worden verbonden als aan de tbs met voorwaarden. Deze voortdurende schorsing van de voorlopige hechtenis acht de rechtbank nodig, omdat omzetting van de dadelijk uitvoerbare tbs met voorwaarden (bij overtreding van de voorwaarden van de tbs) niet mogelijk is zolang dit vonnis niet onherroepelijk is. Als verdachte de in het kader van de tbs maatregel te stellen voorwaarden (en daarmee de schorsingsvoorwaarden) niet naleeft, terwijl dit vonnis nog niet onherroepelijk is, kan de opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis worden bevolen. Op die manier kunnen ook in die situatie de veiligheid van anderen en de algemene veiligheid van personen worden gewaarborgd. De rechtbank verwijst hiervoor naar de uitspraak van de Hoge Raad van 26 november 2024 (ECLI:NL:HR:2024:1729).
Het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis zal worden opgeheven met ingang van het moment waarop dit vonnis onherroepelijk is geworden.
Gedragsbeïnvloedende of vrijheidsbeperkende maatregel
De rechtbank acht het opleggen van een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel van belang zoals bedoeld in artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht. Er is sprake van een hoog recidive risico op geweld en een uitgebreide justitiële documentatie. Het ontbreekt bij verdachte aan probleeminzicht, er speelt verslavingsproblematiek en de aard van de bewezenverklaarde feiten is ernstig. Dat maakt dat de maatregel noodzakelijk is ter bescherming van de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen. De rechtbank acht het daarom noodzakelijk dat ook na afloop van de tbs-maatregel de mogelijkheid bestaat toezicht te houden op verdachte en zo nodig voorwaarden te stellen.

8.De beoordeling van de civiele vorderingen

Ten aanzien van parketnummer 05-157629-25 en feit 1 van parketnummer 05-186396-25
De benadeelde partij [benadeelde 3] heeft in verband met feit 1 een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 67,60 aan materiële schade, vanwege het opvragen van medische stukken en € 2.500,- aan smartengeld, beide vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
De benadeelde partij [aangever] heeft in verband met feit 1 een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 3.000,- aan smartengeld, vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
De benadeelde partij [benadeelde 1] heeft in verband met feit 1 een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 2.500,- aan smartengeld, vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
Standpunten
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vorderingen van de benadeelde partij kunnen worden toegewezen, met toekenning van de wettelijke rente, en vordert oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partijen niet-ontvankelijk moeten worden verklaard in de vordering, nu het geestelijk letsel bij allen onvoldoende is onderbouwd. Ten aanzien van het lichamelijk letsel van [aangever] meent de verdediging dat er gelet op het noodweerverweer sprake is van eigen schuld. Ten aanzien van de gevorderde materiële schade is geen verweer gevoerd.
Overweging van de rechtbank
De materiële schade van [benadeelde 3]
Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. De rechtbank overweegt dat de schadeposten niet dan wel onvoldoende inhoudelijk zijn betwist. De schadeposten zijn verder voldoende onderbouwd en komen redelijk voor. Voor deze schade is verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk.
Daarom is de rechtbank van oordeel dat de vordering tot een hoogte van € 67,60 kan worden toegewezen.
De immateriële schade
Artikel 6:106 van Pro het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) geeft een limitatieve opsomming van gevallen waarin deze bepaling recht geeft op vergoeding van immateriële schade als gevolg van onrechtmatig handelen, te weten in geval van een aantasting in de persoon:
1) door het oplopen van lichamelijk letsel,
2) door schade in zijn eer of goede naam, of
3) op andere wijze.
Ten aanzien van lichamelijk letsel van [aangever]
vordert onder meer een vergoeding van immateriële schade omdat verdachte pepperspray in zijn ogen heeft gespoten. Als gevolg daarvan heeft [aangever] pijn ondervonden en lichamelijk letsel opgelopen in de vorm van branderige en geïrriteerde ogen.
Nu sprake is van lichamelijk letsel heeft de benadeelde partij aanspraak op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van immateriële schade. Bij de begroting van de schade houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van het letsel, de duur van de klachten en de bedragen die in vergelijkbare gevallen door Nederlandse rechters zijn toegekend.
Alles afwegende acht de rechtbank een bedrag van € 250,00 aan immateriële schade naar billijkheid passend. De rechtbank zal de vordering in zoverre toewijzen.
Verdachte is vanaf 13 mei 2025 wettelijke rente over het toegewezen bedrag verschuldigd.
De rechtbank ziet aanleiding om op grond van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op te leggen. Verdachte wordt verplicht het aan de benadeelde partij toegewezen bedrag aan de Staat te betalen. Eventueel toegekende proceskosten zijn daar niet bij inbegrepen.
Geestelijk letsel
Voor zover [aangever] , [benadeelde 3] en [benadeelde 1] immateriële schade vorderen vanwege de psychische gevolgen van de bewezenverklaarde feiten, overweegt de rechtbank als volgt.
Van een aantasting in de persoon als bedoeld in artikel 6:106 lid 1 aanhef Pro en onder b BW is in ieder geval sprake indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Daarvoor is vereist dat het bestaan van geestelijk letsel naar objectieve maatstaven kan worden vastgesteld, hetgeen in het algemeen slechts het geval zal zijn indien sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld.
Indien geen sprake is van objectief vastgesteld geestelijk letsel, kan alsnog sprake zijn van een aantasting in de persoon op andere wijze. In dat geval zal degene die zich daarop beroept voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit volgt dat de aard en ernst van de gevolgen voor hem een dergelijke aantasting opleveren. Slechts indien de aard en de ernst van de normschending en de gevolgen daarvan voor de benadeelde meebrengen dat de relevante nadelige gevolgen zo voor de hand liggen dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen, is een nadere onderbouwing niet vereist.
De rechtbank stelt vast dat geen van de benadeelde partijen objectieve medische informatie heeft overgelegd waaruit kan worden vastgesteld dat sprake is van geestelijk letsel. Ten aanzien van [benadeelde 3] bevindt zich in het dossier uitsluitend een verslag waaruit blijkt dat hij de huisarts heeft verzocht om een verwijzing naar een psycholoog. Ten aanzien van [benadeelde 1] is enkel een verwijzing van de huisarts naar de praktijkondersteuner GGZ overgelegd. [aangever] heeft de gestelde psychische klachten niet met medische stukken onderbouwd. Hieruit kan niet worden afgeleid dat sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld of anderszins van naar objectieve maatstaven vast te stellen geestelijk letsel.
Ook hebben de benadeelde partijen onvoldoende concrete gegevens aangevoerd waaruit volgt dat sprake is van een aantasting in de persoon op andere wijze. Dat de poging tot brandstichting en – voor [aangever] – tevens de bedreiging met een vuurwapen gevoelens van angst, schrik en onveiligheid hebben veroorzaakt, acht de rechtbank zonder meer aannemelijk. Dergelijke gevoelens zijn echter, hoe begrijpelijk ook, onvoldoende om zonder nadere onderbouwing aan te nemen dat sprake is van een aantasting in de persoon op andere wijze.
Ook is geen sprake van een uitzonderlijk geval waarin de aard en de ernst van de normschending en de gevolgen daarvan meebrengen dat de relevante nadelige gevolgen voor de benadeelde partijen zo voor de hand liggen dat een aantasting in de persoon zonder nadere onderbouwing kan worden aangenomen. De rechtbank is van oordeel dat de omstandigheden van deze zaak daarvoor onvoldoende aanknopingspunten bieden.
[aangever] , [benadeelde 3] en [benadeelde 1] zullen daarom (voor het overige) niet-ontvankelijk worden verklaard in de vorderingen tot smartengeld.

9.De toegepaste wettelijke bepalingen

De oplegging van de straf en/of maatregel is gegrond op de artikelen:
- 36 f, 38, 38a, 38z, 45, 47, 57, 157, 285 en 300 van het Wetboek van Strafrecht;
- 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

10.De beslissing

De rechtbank:
 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;
 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;
 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;
 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
 veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 124 dagen;
 beveelt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;
 gelast dat verdachte ter beschikking wordt gesteld en stelt voor de duur van de terbeschikkingstelling de volgende voorwaarden betreffende het gedrag van verdachte:
1. verdachte maakt zich niet schuldig aan een strafbaar feit;
2. verdachte werkt mee aan het reclasseringstoezicht. Deze medewerking houdt onder andere in:
o verdachte meldt zich op afspraken bij de reclassering. De reclassering bepaalt hoe vaak dat nodig is;
o verdachte laat een of meer vingerafdrukken nemen en laat een geldig identiteitsbewijs zien om de identiteit van verdachte vast te stellen;
o verdachte houdt zich aan de aanwijzingen van de reclassering. De reclassering kan aanwijzingen geven die nodig zijn voor de uitvoering van het toezicht of om verdachte te helpen bij het naleven van de voorwaarden;
o verdachte helpt de reclassering aan een actuele foto waarop zijn gezicht herkenbaar is. Deze foto is nodig voor opsporing bij ongeoorloofde afwezigheid;
o verdachte werkt mee aan huisbezoeken;
o verdachte geeft de reclassering inzicht in de voortgang van begeleiding en/of behandeling door andere instellingen of hulpverleners;
o verdachte vestigt zich niet op een ander adres zonder toestemming van de reclassering;
o verdachte werkt mee aan het uitwisselen van informatie met personen en instanties die contact hebben met verdachte, als dat van belang is voor het toezicht.
3. als de reclassering dat nodig vindt en verdachte daarmee instemt, kan verdachte voor een time-out worden opgenomen in een Forensisch Psychiatrisch Kliniek (FPK/FPA) of andere instelling. Deze time-out duurt totdat de reclassering of verdachte deze beëindigt, maar maximaal zeven weken, met de mogelijkheid van verlenging met nog eens maximaal zeven weken, tot maximaal veertien weken per jaar;
4. verdachte gaat niet naar het buitenland of het Caribisch deel van het Koninkrijk der Nederlanden, zonder toestemming van de reclassering;
5. dat verdachte zich zolang als de reclassering nodig vindt, laat opnemen in en behandelen door FPA [locatie] of een soortgelijke zorginstelling, te bepalen door de voor plaatsing verantwoordelijke instantie. De opname start zo spoedig mogelijk en zodra de plaatsing mogelijk is. De zorginstelling bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op onder andere de verslavingsproblematiek, de persoonlijkheidsproblematiek, impulsiviteit en het vergroten van beschermende factoren. Daarnaast is het opmaken van een resocialisatieplan en zorgprothese ook een onderdeel van de behandeling. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat verdachte voorgeschreven medicatie zal gebruiken. Verdachte houdt zich aan de huisregels en aanwijzingen van de zorginstelling en de behandelaren. Als de reclassering een overgang naar ambulante zorg of verblijf in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang nodig vindt, werkt verdachte mee aan de indicatiestelling en plaatsing. Mocht er sprake zijn van een overbruggingsplaatsing, werkt verdachte hier aan mee;
6. dat verdachte zich aansluitend aan de klinische opnamen, zolang de reclassering dat nodig acht, laat behandelen door een forensische polikliniek of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op onder andere de verslavingsproblematiek, de persoonlijkheidsproblematiek, impulsiviteit en het vergroten van beschermende factoren. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat betrokkene voorgeschreven medicatie zal gebruiken;
7. dat verdachte zolang als de reclassering dat nodig vindt, verblijft in een RIBW of een soortgelijke instelling voor begeleid/beschermd wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. Het verblijf start aansluitend aan de klinische behandeling. Verdachte houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering opstelt;
8. dat verdachte geen verdovende middelen genoemd in lijst I (harddrugs), en/of lijst II (softdrugs) en/of geen middelen die vallen onder een stofgroep genoemd in lijst IA in de Opiumwet gebruikt, tenzij de reclassering toestemming heeft gegeven voor het gebruik. Verdachte moet meewerken aan controles. Dit kunnen zijn urineonderzoek/ademonderzoek. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd;
9. dat verdachte geen alcohol gebruikt, tenzij de reclassering toestemming heeft gegeven voor het gebruik. Verdachte moet meewerken aan controles. Dit kunnen zijn urineonderzoek/ademonderzoek. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd;
10. dat verdachte op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zoekt of heeft met slachtoffers [benadeelde 1] (geboren [geboortedag] 1964), [aangever] (geboren [geboortedag] 1997), [benadeelde 2] (geboren [geboortedag] 1996) en [benadeelde 3] (geboren [geboortedag] 1999);
11. verdachte spant zich in voor het vinden en behouden van werk en vrijetijdsbesteding, met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag;
12. verdachte werkt mee aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen, ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen. Verdachte geeft de reclassering inzicht in zijn financiën en schulden. Mocht reclassering het nodig achten werkt verdachte mee aan budgetcoaching/bewindvoering en/of curatorschap.
 geeft de reclassering opdracht verdachte bij de naleving van de opgelegde voorwaarden hulp en steun te verlenen;
 beveelt dat de terbeschikkingstelling met voorwaarden dadelijk uitvoerbaar is;
 legt een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel op grond van artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht op;
 beveelt dat de voorwaarden verbonden aan de reeds geschorste voorlopige hechtenis van verdachte worden gewijzigd. Aan de schorsing van de voorlopige hechtenis worden de hiervoor onder 1 tot en met 12 genoemde voorwaarden verbonden en de voorwaarde dat:
o veroordeelde, indien de opheffing der schorsing mocht worden bevolen, zich aan de tenuitvoerlegging van het bevel tot voorlopige hechtenis niet zal onttrekken;
 heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van het moment waarop dit vonnis onherroepelijk is geworden;
Ten aanzien van feit 1 van parketnummer 05-157629-25
 verklaart de benadeelde partij [benadeelde 1] niet-ontvankelijk in de vordering tot smartengeld;
 veroordeelt verdachte tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde [benadeelde 3] van € 67,60, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 13 mei 2025 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald. Verklaart de benadeelde partij [benadeelde 3] voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering tot smartengeld;
 legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij € 67,60 aan materiële schade te betalen. Dit wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf genoemde datum tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald. Als het bedrag niet wordt betaald, kan één dag gijzeling worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;
 bepaalt daarbij dat met betaling aan de benadeelde partij in zoverre de betaling aan de Staat vervalt en omgekeerd;
Ten aanzien van parketnummer 05-157629-25 en feit 1 van parketnummer 05-186396-25
  • veroordeelt verdachte in verband met het feit onder 2 van parketnummer 05-157629-25 tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [aangever] van € 250,- aan smartengeld, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 13 mei 2025 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald;
  • veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partij in deze procedure heeft gemaakt en de kosten die de benadeelde partij mogelijk nog moet maken om het toegewezen bedrag betaald te krijgen, tot vandaag begroot op nul;
 verklaart [aangever] voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering tot smartengeld;
  • legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van benadeelde partij [aangever] een bedrag te betalen van € 250,- aan smartengeld. Dit wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 13 mei 2025 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald. Als dit bedrag niet wordt betaald, kunnen 2 dagen gijzeling worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;
  • bepaalt daarbij dat met betaling aan de benadeelde partij in zoverre de betaling aan de Staat vervalt en omgekeerd;
 veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij, tot op heden begroot op nihil.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.G.E. ter Hart (voorzitter), mr. J.M.J.M. Doon en mr. T. Kok, rechters, in tegenwoordigheid van mr. N.D. van Egdom, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 20 juli 2026.

Voetnoten

1.Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door [verbalisant 1] van de politie Oost-Nederland, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2025222473, gesloten op 22 mei 2025 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.
2.De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 6 juli 2026.
3.Het proces-verbaal van bevindingen (aanvullend), p. 2-3.
4.Het proces-verbaal van bevindingen, p. 79 met bijlagen p. 81-84.
5.Het proces-verbaal van bevindingen, p. 65-66.
6.Het proces-verbaal van bevindingen, p. 106-108 met bijlagen p. 88-101.
7.Het proces-verbaal van bevindingen, p. 18 met bijlagen p. 18-26.
8.Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door [verbalisant 2] van de politie Oost-Nederland, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer ONR025039/ON4R025039 SOL, gesloten op 7 juli 2025 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.
9.Het proces-verbaal van bevindingen, p. 34.
10.Het proces-verbaal van bevindingen, p. 20-21.
11.Het proces-verbaal van bevindingen, p. 24.