ECLI:NL:RBGEL:2026:5730

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
16 juli 2026
Publicatiedatum
15 juli 2026
Zaaknummer
C/05/467105
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 139 RvArt. 587 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verbod op ophouden nabij CBR-locaties en volgen examenritten met veroordeling op straffe van lijfsdwang

Het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (CBR) vordert een verbod tegen gedaagde om zich op dagen van rijexamens in de directe omgeving van CBR-locaties in Gelderland en Overijssel te bevinden, examenritten te volgen en inzittenden te filmen. Tevens wordt nagekomen van eerdere vonnissen geëist, ditmaal op straffe van lijfsdwang.

Gedaagde is niet verschenen, waardoor verstek is verleend. De rechtbank stelt vast dat dwangsommen onvoldoende effect hebben gehad en dat gedaagde de verboden uit eerdere vonnissen niet naleeft. Het CBR heeft aannemelijk gemaakt dat gedaagde structureel examenauto’s volgt en zich nabij CBR-locaties bevindt zonder gerechtvaardigd belang.

De rechtbank beperkt het verbod tot de provincies Gelderland en Overijssel en de straal rondom CBR-locaties tot 2000 meter. Lijfsdwang wordt opgelegd voor vijf dagen per overtreding met een maximum van één jaar, uitvoerbaar voor drie jaar. Daarnaast worden uitgebreide verboden uitgesproken omtrent het publiceren van persoonsgegevens van (oud-)medewerkers van het CBR en het benaderen of filmen van deze personen.

Gedaagde wordt veroordeeld in de proceskosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad en het meer of anders gevorderde wordt afgewezen.

Uitkomst: Gedaagde is verboden zich nabij CBR-locaties in Gelderland en Overijssel op te houden, examenritten te volgen en inzittenden te filmen, met handhaving op straffe van lijfsdwang.

Uitspraak

RECHTBANK Gelderland

Civiel recht
Zittingsplaats Zutphen
Zaaknummer: C/05/467105 / KZ ZA 26-66
Vonnis in kort geding van 16 juli 2026
in de zaak van
CENTRAAL BUREAU RIJVAARDIGHEIDSBEWIJZEN,
te Rijswijk,
eisende partij,
hierna te noemen: CBR,
advocaat: mr. J.S. Bierens,
tegen
[naam gedaagde],
te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
niet verschenen.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding
  • de mondelinge behandeling van 1 juli 2026
  • het ter zitting tegen [gedaagde] verleende verstek
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De vordering

Het CBR vordert, samengevat, dat de voorzieningenrechter, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
[gedaagde] verbiedt:
a. zich (op dagen dat het CBR rijexamens afneemt) voor of in de directe omgeving van CBR-gebouwen op te houden waarbij als directe omgeving in ieder geval heeft te gelden iedere locatie in een straal van 3000 meter rondom CBR-locaties inclusief de bijbehorende op- en afritten en parkeergelegenheden, en/of
b. praktijkexamens te (doen laten) achtervolgen, of anderszins in het normale (ongestoorde) plaatsvinden van deze examens te interveniëren, waarbij als achtervolging in ieder geval (maar niet uitsluitend) heeft te gelden iedere situatie waarbij gedaagde langer dan 1 minuut in dezelfde rijrichting als een examenvoertuig rijdt, of tijdens één examenrit vaker dan één keer achter een examenvoertuig verschijnt, en/of
c. inzittenden van examenritten te (doen laten) filmen, fotograferen of
anderszins in beeld te brengen,
d. [gedaagde] gebiedt de aan [gedaagde] opgelegde geboden en verboden uit het vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Gelderland van 30 november 2023, ECLI:NL:RBGEL:2023:6486 na te komen, (maar ditmaal) op straffe van lijfsdwang;
Primair:
II.a De onder I genoemde geboden en verboden uitvoerbaar bij lijfsdwang verklaart, waarbij de duur van de lijfsdwang per afzonderlijke overtreding wordt bepaald op een periode van vijftien dagen, met een maximumduur van één jaar;
Subsidiair:
II.b de onder I genoemde geboden en verboden uitvoerbaar bij lijfsdwang verklaart, waarbij de duur van de lijfsdwang per afzonderlijke overtreding wordt bepaald zoals voornoemd eerst nadien een dwangsom is verbeurd;
Meer subsidiair:
II.c [gedaagde] een dwangsom oplegt per overtreding.
III. Met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van deze procedure.

3.De beoordeling

3.1.
Het CBR heeft gevorderd zoals is vermeld in de dagvaarding waarmee deze procedure is ingeleid. De inhoud van deze dagvaarding moet als hier herhaald en ingelast worden beschouwd.
3.2.
[gedaagde] heeft stukken ingediend maar is niet ter zitting verschenen. Dit betekent dat [gedaagde] niet is verschenen in de procedure en op de door hem ingediende stukken geen acht is geslagen. De rechtbank heeft [gedaagde] bij brief van 11 juni 2026 en bij e-mail van 30 juni 2026 gewezen op de mogelijke gevolgen van niet verschijnen ter zitting.
spoedeisend belang
3.3.
Het spoedeisend belang volgt uit de aard van de vorderingen.
de vorderingen inclusief de vordering om de veroordeling uit te spreken op straffe van lijfsdwang worden grotendeels toegewezen
3.4.
Op grond van artikel 139 Rv Pro worden de vorderingen tegen hem tegen wie verstek is verleend toegewezen, tenzij de vordering de voorzieningenrechter onrechtmatig of ongegrond voorkomt. De vorderingen komen de voorzieningenrechter (grotendeels) niet onrechtmatig of ongegrond voor en zullen worden toegewezen. Omdat het een veroordeling op straffe van een zware maatregel betreft, zijnde lijfsdwang, wordt de veroordeling hieronder uitgebreider gemotiveerd dan bij verstek gebruikelijk is.
3.5.
Ingevolge artikel 587 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) geldt dat lijfsdwang een uiterste middel is dat slechts kan worden toegewezen indien aannemelijk is dat de toepassing van een ander dwangmiddel onvoldoende uitkomst zal bieden (subsidiariteit) en het belang van het CBR toepassing daarvan rechtvaardigt (proportionaliteit).
3.6.
Het CBR heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat veroordelingen op straffe van een dwangsom geen effect hebben op [gedaagde] . Uit de overgelegde stukken blijkt dat [gedaagde] de veroordelingen uit het vonnissen van de rechtbank Overijssel ECLI:NL:RBOVE:2023:826) van 8 maart 2023 en deze rechtbank van 30 november 2023, ECLI:NL:RBGEL:2023:6486 niet nakomt, dat de dwangsommen niet inbaar zijn en dat [gedaagde] door gemeenten opgelegde gebiedsverboden niet (volledig) is nagekomen. Verder heeft het CBR voldoende aannemelijk gemaakt dat [gedaagde] structureel en veelvuldig examenauto’s blijft volgen en zich op/in de directe omgeving van CBR-locaties bevindt. Volgens het CBR stelt [gedaagde] zich op het standpunt dat hij op grond van het vonnis van 8 maart 2023 van de Rechtbank Overijssel, ECLI:NL:RBOVE:2023:826, gerechtigd is om te spotten en/of examenauto’s te volgen. In voornoemd vonnis is het volgende opgenomen:

Zo lang [gedaagde] het volgen en/of spotten steekproefsgewijs en niet gedurende de gehele examenrit zou uitvoeren, is bijvoorbeeld van een constante achtervolging geen sprake en zou het CBR haar taken juist uit moeten kunnen voeren. Van onrechtmatig handelen is in dat geval geen sprake.
3.7.
Voornoemde uitspraak betekent echter niet dat [gedaagde] een vrijbrief heeft om te blijven spotten en steekproeven uit de voeren in het kader van journalistisch onderzoek zolang hij maar niet de volledige examenrit volgt. Het betrof een afweging van de belangen van het CBR en de belangen van [gedaagde] destijds en toen werd een algeheel verbod te zwaar geacht. Bovendien blijkt uit het vonnis dat [gedaagde] had verklaard dat hij zou zijn gestopt met zijn onderzoek. Het CBR heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat [gedaagde] geen enkel gerechtvaardigd belang (meer) heeft om te spotten en examenvoertuigen te volgen. [gedaagde] voert zijn onderzoek sinds 2021 uit, dit betekent dat hij al vijf jaar aan informatie heeft. Niet wordt ingezien welke nieuwe informatie [gedaagde] nog krijgt door het spotten en volgen van examenritten dan de kennis die hij al heeft. Verder wordt het CBR gevolgd in haar standpunt dat doormiddel van achtervolging of verstoring van een rijexamen in het geheel niet kan worden aangetoond of het CBR diens taken wel of niet goed uitoefent en dat niet blijkt dat [gedaagde] een legitiem onderzoek uitvoert dat enig bewijs voor misstanden kan opleveren. [gedaagde] lijkt zijn onderzoek met name te vervolgen omdat er geen dan wel. onvoldoende gehoor wordt gegeven aan zijn meldingen van misstanden. Maar dat is geen gerechtvaardigd belang om te spotten en examenvoertuigen te achtervolgen, ook niet streeksproefgewijs. Het is zonder meer aannemelijk dat zowel de organisatie, de examinatoren en de examenkandidaten veel overlast ondervinden van de gedragingen van [gedaagde] .
3.8.
Voorgaande omstandigheden in acht genomen blijkt voldoende dat toepassing van een ander dwangmiddel dan lijfsdwang onvoldoende uitkomst zal bieden en het belang van het CBR de toepassing ervan rechtvaardigt. Omdat de veroordelingen op straffe van lijfsdwang een zwaar middel zijn, worden de veroordelingen dan wel de lijfsdwang beperkt zoals vermeld in de overwegingen 3.9. en 3.10.
3.9.
Toewijzing van de vordering onder I i. wordt beperkt tot het begeven bij CBR-locaties in de provincie Overijssel en Gelderland. Niet is gebleken dat [gedaagde] buiten deze provincies bij CBR-locaties spot of examenauto’s volgt. Indien [gedaagde] zijn werkveld naar aanleiding van deze uitspraak alsnog uitbreidt naar andere provincies kan in een later stadium alsnog een verbod worden gevorderd dat breder is. Op voorhand is een verbod geldend voor alle locaties in Nederland te zwaar. Verder wordt de straal waarbinnen het verbod geldt beperkt van 3000 meter naar 2000 meter binnen voornoemde CBR-locaties, aansluitend bij de gebiedsverboden die eerder zijn verleend.
3.10.
Ten aanzien van de lijfsdwang wordt de lijfsdwang beperkt tot vijf dagen per overtreding met een maximum van in totaal, alle overtredingen opgeteld, één jaar. De periode waarbinnen het vonnis uitvoerbaar bij lijfsdwang wordt verklaard, wordt beperkt tot drie jaar.
3.11.
Zekerheidshalve worden de geboden en verboden in het vonnis van rechtbank Gelderland van 30 november 2023, ECLI:NL:RBGEL:2023:6486 die opnieuw maar dan op straffe van lijfsdwang worden uitgesproken, in het dictum van dit vonnis herhaald.
3.12.
De vordering komt de voorzieningenrechter voor het overige niet onrechtmatig of ongegrond voor.
3.13.
[gedaagde] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van het CBR worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
153,02
- griffierecht
735,00
- salaris advocaat
1.177,00
- nakosten
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
2.254,02

4.De beslissing

De voorzieningenrechter
4.1.
verbiedt [gedaagde] zich (op dagen dat het CBR rijexamens afneemt) voor of in de directe omgeving van CBR-gebouwen in de provincies Gelderland en Overijssel op te houden waarbij als directe omgeving in ieder geval heeft te gelden iedere locatie in een straal van 2000 meter rondom CBR-locaties inclusief de bijbehorende op- en afritten en parkeergelegenheden,
4.2.
verbiedt [gedaagde] praktijkexamens te (doen laten) achtervolgen, of anderszins in het normale (ongestoorde) plaatsvinden van deze examens te interveniëren, waarbij als achtervolging in ieder geval (maar niet uitsluitend) heeft te gelden iedere situatie waarbij [gedaagde] langer dan 1 minuut in dezelfde rijrichting als een examenvoertuig rijdt, of tijdens één examenrit vaker dan één keer achter een examenvoertuig verschijnt,
4.3.
verbiedt [gedaagde] inzittenden van examenritten te (doen laten) filmen, fotograferen of anderszins in beeld te brengen,
4.4.
gebiedt [gedaagde] de aan [gedaagde] opgelegde geboden en verboden uit het vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Gelderland van 30 november 2023, ECLI:NL:RBGEL:2023:6486, na te komen zijnde:

5.1. gebiedt [gedaagde](…)
om binnen 24 uur na betekening van dit vonnis aan hem van de website [website] alle namen, foto’s, afbeeldingen, portretten of andere persoonsgegevens te (doen laten) verwijderen van de in producties 17,18,27,28,30,31,33,39,40,41 en 42 genoemde en/of afgebeelde (oud-)medewerkers van het CBR,
(…)
5.4.
verbiedt [gedaagde](…)
om op [website] en eventuele andere websites of op sociale media publicaties te (doen laten) plaatsen waarin namen, afbeeldingen, foto’s, portretten of andere persoonsgegevens terugkomen van de in producties 17, 18, 27, 28, 30, 31, 33, 39, 40, 41 en 42 genoemde en/of afgebeelde (oud-)medewerkers van het CBR alsmede van andere (voormalige) examinatoren en examenmanagers van het CBR zonder bestuurlijke functie, tenzij deze personen daarvoor expliciet toestemming hebben gegeven.
(…)
5.7.verbiedt [gedaagde](…)
de onder 5.1 bedoelde (oud-)medewerkers van het CBR voor of in de directe omgeving van CBR-locaties, in hun woonomgeving of op weg naar hun werk of naar hun werkomgeving dan wel op een andere locatie op te (doen laten) wachten, te (doen laten) benaderen, de weg te (doen laten) versperren of te (doen laten) achtervolgen,
(…)
5.10.
verbiedt [gedaagde](…)
de onder 5.1 bedoelde (oud-)medewerkers van het CBR voor of in de directe omgeving van CBR-locaties, in hun woonomgeving of op weg naar hun werk of naar hun werkomgeving dan wel op een andere locatie te (doen laten) fotograferen of te (doen laten) filmen,
4.5.
verklaart de vorderingen onder 4.1 tot en met 4.4 voor een periode van drie jaar na betekening van dit vonnis uitvoerbaar bij lijfsdwang, waarbij de duur van de lijfsdwang per afzonderlijke overtreding wordt bepaald op een periode van vijf dagen, met een maximumduur van in totaal, alle overtredingen opgeteld, één jaar (365 dagen),
4.6.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 2.254,02, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
4.7.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
4.8.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. D. Vergunst en in het openbaar uitgesproken op 16 juli 2026.
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING SECRETARIS!
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING RECHTER!
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR STEMPELS!