ECLI:NL:RBGEL:2026:5476

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
29 juni 2026
Publicatiedatum
10 juli 2026
Zaaknummer
AWB-25_1103
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Mondelinge uitspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 13 ParticipatiewetArt. 49 Participatiewet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag bijzondere bijstand voor betaling proceskosten

Eiser heeft bij het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Apeldoorn bijzondere bijstand aangevraagd voor de betaling van proceskosten ter hoogte van €1.086, opgelegd in een civiele procedure. Het college wees de aanvraag af omdat bijzondere bijstand niet wordt toegekend voor het aflossen van schulden, tenzij er zeer dringende redenen zijn.

De rechtbank bevestigt dat proceskosten die door een civiele rechter zijn opgelegd als schuld aan een derde gelden en dat eiser ten tijde van de aanvraag en daarna voldoende middelen had om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien. Eiser ontving immers algemene bijstand.

Eiser stelde dat sprake is van een onrechtmatige daad door het college, maar de rechtbank oordeelt dat dit een civielrechtelijke kwestie is en niet aan de bestuursrechter kan worden voorgelegd. Er zijn geen zeer dringende redenen vastgesteld die een uitzondering op de afwijzing rechtvaardigen.

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond, waardoor eiser geen bijzondere bijstand ontvangt en ook geen griffierecht of proceskostenvergoeding krijgt. De uitspraak is mondeling gedaan op 29 juni 2026 en partijen zijn gewezen op de mogelijkheid tot hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de aanvraag om bijzondere bijstand wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Zutphen
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 25/1103

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van

29 juni 2026

in de zaak tussen
[eiser], uit [woonplaats] , eiser
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Apeldoorn, het college
(gemachtigde: mr. L. Kikkert).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser om bijzondere bijstand op grond van de Participatiewet (Pw). Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van eisers aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college eisers aanvraag om bijzondere bijstand terecht heeft afgewezen. Eiser krijgt daarom geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Met het besluit van 24 oktober 2024 heeft het college de aanvraag van eiser om bijzondere bijstand afgewezen. Met het bestreden besluit van 5 februari 2025 op het bezwaar van eiser is het college bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 29 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van het college deelgenomen. Eiser is niet verschenen.
2.3.
Na afloop van de zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beoordeling door de rechtbank

De totstandkoming van het bestreden besluit
3. Eiser ontvangt bijstand op grond van de Pw. Op 17 september 2024 heeft hij een aanvraag om bijzondere bijstand ingediend, waarmee hij verzoekt om een bedrag ter hoogte van € 1.086 in verband met een proceskostenveroordeling. Met het vonnis van
21 augustus 2024 is eisers vordering in een civiele zaak afgewezen en is hij veroordeeld tot het betalen van de proceskosten die de gemeente [woonplaats] in die procedure heeft gemaakt (€ 1.086). Vervolgens is het college overgegaan tot de bestreden besluitvorming, zoals beschreven onder 2.
Is sprake van een schuld?
4. Het geschil gaat over de vraag of het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de bijstand is aangevraagd voor de betaling van een schuld en daarom moet worden afgewezen.
4.1.
Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) moeten proceskosten waarin de civiele rechter de betrokkene heeft veroordeeld, als een schuld aan een derde worden aangemerkt, voor zover deze nog niet zijn voldaan op het moment waarop bijzondere bijstand voor die kosten wordt gevraagd. [1]
4.2.
De rechtbank ziet geen aanleiding om in afwijking van deze vaste rechtspraak hierover in dit geval anders te oordelen. Het college heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser bijzondere bijstand heeft aangevraagd voor een schuld. Degene die bijstand vraagt voor het aflossen van een schuld, en bij het ontstaan van de schuld of daarna genoeg middelen heeft om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien, heeft op grond van artikel 13, eerste lid, aanhef en onder g, van de Pw geen recht op bijstand. De rechtbank merkt daarbij op dat eiser ten tijde van de aanvraag en daarna maandelijks algemene bijstand ontving en dus beschikte over middelen om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien. Daarom heeft het college de aanvraag om bijzondere bijstand terecht afgewezen.
Is sprake van zeer dringende redenen?
5. De rechtbank stelt vast dat eiser geen beroep heeft gedaan op zeer dringende redenen. [2] Het is de rechtbank niet gebleken dat eiser als gevolg van de schuld wordt bedreigd in zijn bestaansvoorziening.
Onrechtmatige daad
6. Eiser voert aan dat de gemeente [woonplaats] een onrechtmatige daad heeft gepleegd. Het college heeft namelijk privacygevoelige informatie gedeeld en er zijn door het college valse beschuldigingen geuit. Om die reden heeft eiser een klacht ingediend bij de gemeente [woonplaats] , die gegrond is verklaard. Eiser stelt dat hiermee vaststaat dat sprake is van smaad en laster, wat aangemerkt moet worden als een onrechtmatige daad.
6.1.
De stelling van eiser – dat sprake is van een onrechtmatige daad – kan niet aan de bestuursrechter worden voorgelegd, omdat dat een kwestie voor de burgerlijke rechter is.
Conclusie en gevolgen
7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
7.1.
Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid om tegen de mondelinge uitspraak in hoger beroep te gaan op de hieronder omschreven wijze.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 29 juni 2026 door mr. H.J. Klein Egelink, rechter, in aanwezigheid van mr. J.M. van Kouwen, griffier.
griffier
rechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 29 juni 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:1500.
2.Als bedoeld in artikel 49, aanhef en onder b, van de Pw.