ECLI:NL:RBGEL:2026:5426

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
9 juli 2026
Publicatiedatum
8 juli 2026
Zaaknummer
AWB-24_5511
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.1 WaboArt. 2.12 WaboArt. 6:5 AwbArt. 6:7 AwbArt. 4.3 Invoeringswet Omgevingswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering omgevingsvergunning voor parkeerplaatsen in groenstrook wegens strijd met bestemmingsplan

Lisuda Vastgoed B.V. heeft een omgevingsvergunning aangevraagd voor het realiseren van 12 parkeerplaatsen in een groenstrook aan een adres in Ermelo. Het college van burgemeester en wethouders van Ermelo heeft deze aanvraag geweigerd omdat het gebruik in strijd is met het bestemmingsplan, dat de betreffende strook als 'Groen' bestempelt en dergelijk gebruik niet toestaat.

Eiseres voerde aan dat het college eerder in een ontwerpbesluit voor vier parkeerplaatsen in dezelfde groenstrook de ruimtelijke aanvaardbaarheid had bevestigd, en dat het college zich niet anders had mogen opstellen. De rechtbank oordeelt echter dat de situatie destijds wezenlijk anders was, onder meer omdat toen werd uitgegaan van een impliciete vergunning voor zes parkeerplaatsen, wat later werd teruggedraaid. Hierdoor is de huidige aanvraag niet vergelijkbaar met de eerdere situatie.

Verder heeft het college de motivering van de weigering voldoende toegelicht, waarbij het belang van het behoud van het groene karakter en de natuurwaarden in de groenstrook zwaarder weegt dan het belang van eiseres bij extra parkeerplaatsen. De rechtbank vindt dat het college binnen zijn beleidsruimte en discretionaire bevoegdheid heeft gehandeld en dat het besluit niet onzorgvuldig tot stand is gekomen.

Het beroep wordt ongegrond verklaard, waardoor de weigering van de omgevingsvergunning standhoudt. Eiseres krijgt geen vergoeding van proceskosten of griffierecht terug. De uitspraak is gedaan door rechter J.M. Emaus en griffier S.G. Hoijinck.

Uitkomst: De rechtbank bevestigt de weigering van de omgevingsvergunning voor 12 parkeerplaatsen in de groenstrook wegens strijd met het bestemmingsplan.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 24/5511

uitspraak van de enkelvoudige kamer van

in de zaak tussen

Lisuda Vastgoed B.V., uit Ermelo, eiseres

(gemachtigde: [gemachtigde] ),
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Ermelo

(gemachtigden: mr. F.T.J. van Veluw en mr. L.C. Faber).

Als derde-partij neemt aan de zaak deel: Stichting DOEH uit Ermelo

(gemachtigde: mr. I.E. Nauta).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de geweigerde omgevingsvergunning voor het realiseren van 12 parkeerplaatsen in een groenstrook aan de [adres] in Ermelo. Eiseres is het hier niet mee eens. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de vergunningaanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college in redelijkheid de omgevingsvergunning kon weigeren. Het beroep is ongegrond en eiseres krijgt dus geen gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.2.
De wettelijke regels en beleidsregels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.

Procesverloop

2. Eiseres heeft een omgevingsvergunning aangevraagd voor het realiseren van 12 parkeerplaatsen in een groenstrook aan de [adres] in Ermelo. Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 14 december 2023 afgewezen. Met de beslissing op bezwaar van 4 juli 2024 is het college bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen de beslissing op bezwaar. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. De derde-partij heeft ook schriftelijk gereageerd.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 12 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [persoon 1] namens eiseres, de gemachtigde van eiseres, de gemachtigden van het college en de gemachtigde van de derde-partij. Het verzoek van eiseres om vanwege haar verblijf in het buitenland via Teams aan de zitting deel te nemen, heeft de rechtbank afgewezen.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
3. Lisuda Vastgoed B.V. is eigenaar van het perceel [adres] in Ermelo. Op dat perceel is restaurant [restaurant] gerealiseerd. Voor dit perceel gelden de bestemmingsplannen ‘De Driehoek 2016’ en ‘Parkeernormen’. Hieruit blijkt dat het perceel voor het grootste gedeelte de bestemming ‘Horeca’ heeft en voor een kleine strook gelegen aan de rechtervoorzijde (langs de [adres] ), de bestemming ‘Groen’. Op 1 april 2019 is aan eiseres een omgevingsvergunning verleend voor de bouw van het restaurant.
Voorgeschiedenis
3.1.
In 2020 is er een handhavingsprocedure gestart tegen eiseres, omdat de parkeersituatie bij restaurant [restaurant] niet voldeed aan de regels uit de toen ook al geldende bestemmingsplannen ‘De Driehoek 2016’ en ‘Parkeernormen’. De strijdige situatie is ontstaan tijdens de bouw van het restaurant. In afwijking van de verleende vergunning, zijn de parkeerplaatsen namelijk niet aan de achterzijde en zijkant, maar aan de voorzijde van het restaurant gerealiseerd. Aan de achterzijde heeft eiseres een Thaise tuin ingericht.
3.2.
Ter legalisatie van de parkeersituatie heeft eiseres in 2020 al een omgevingsvergunning voor het realiseren van vier parkeerplaatsen in de groenstrook aangevraagd. Over deze aanvraag heeft het college positief geoordeeld in het ontwerpbesluit van 13 mei 2020. Met het definitieve besluit van 30 oktober 2020 heeft het college de vergunning echter geweigerd. Eiseres heeft deze weigering in beroep en hoger beroep aangevochten. Eerst de rechtbank [1] en daarna de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) [2] hebben de weigering van de omgevingsvergunning in stand gelaten en het (hoger) beroep ongegrond verklaard.
Aanvraag omgevingsvergunning
3.3.
Eiseres heeft op 31 augustus 2023 weer een tijdelijke omgevingsvergunning aangevraagd voor het realiseren van 12 parkeerplaatsen voor de bezoekers van het restaurant. [3]
3.4.
De aanvraag voldoet niet aan de regels van het bestemmingsplan, omdat de parkeerplaatsen zijn voorzien binnen de bestemming ‘Groen’. Uit de planregels volgt dat de voor ‘Groen’ aangewezen gronden dergelijk gebruik niet toestaan. [4] Het college heeft daarom onderzocht of de vergunning kon worden verleend door af te wijken van het bestemmingsplan met toepassing van de kruimelgevallenregeling. [5] Het college is in zijn primaire besluit tot de conclusie gekomen dat die mogelijkheid niet bestaat omdat daarmee niet zou worden voldaan aan de Nota Parkeernormen [6] in permanente situaties. Het college heeft de omgevingsvergunning daarom op 14 december 2023 geweigerd.
3.5.
Eiseres is hiertegen in bezwaar gekomen. Na de hoorzitting en het advies van de commissie bezwaarschriften, heeft het college in navolging daarvan de aanvraag opnieuw beoordeeld. Met het besluit van 4 juli 2024 heeft het college het bezwaar van eiseres gedeeltelijk gegrond verklaard maar de weigering van de omgevingsvergunning, onder aanvulling van de motivering, in stand gelaten. Voor de motivering van de weigering verwijst het college naar het advies van de commissie bezwaarschriften en naar zijn beleidsruimte [7] die meebrengt dat hij de keuze heeft om de bevoegdheid tot afwijking van het bestemmingsplan niet te gebruiken.
3.6.
Eiseres is het hier niet mee eens en is op 13 augustus 2024 in beroep gekomen.
Toepasselijk recht, overgang Wabo naar Omgevingswet
4. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo).
4.1.
De aanvraag voor de omgevingsvergunning is ingediend op 31 augustus 2023. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
Ontvankelijkheid beroep
5. Het college betoogt dat het beroep van eiseres niet-ontvankelijk is. Op 13 augustus 2024 is namens Lisuda Vastgoed B.V. pro forma beroep ingesteld. De beroepsgronden, die op 5 september 2024 zijn ingediend, komen echter van een andere rechtspersoon, namelijk van [restaurant] B.V. Dit blijkt volgens het college ook uit het meegestuurde uittreksel van de Kamer van Koophandel. Formeel juridisch gezien kan de situatie op twee manieren worden uitgelegd. Óf eiseres heeft geen gronden van beroep ingediend en voldoet daarmee niet aan de criteria van artikel 6:5 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) óf [restaurant] B.V. heeft niet eerder dan op 5 september 2024 beroep ingesteld tegen het besluit van 4 juli 2024, waarmee de wettelijke termijn van zes weken neergelegd in artikel 6:7 van Pro de Awb is overschreden.
5.1.
De derde partij sluit zich bij het standpunt van het college aan.
5.2.
De gemachtigde van Lisuda Vastgoed B.V. heeft op de zitting toegelicht dat sprake is van een vergissing. Er spelen meerdere juridische procedures tussen Lisuda Vastgoed B.V. en het college en tussen [restaurant] B.V. en het college. Daarin staan het perceel aan de [adres] en het daarop aanwezige restaurant [restaurant] centraal. [gemachtigde] treedt voor beide rechtspersonen op als gemachtigde. Per abuis zijn de namen van de betrokken rechtspersonen bij het indienen van de gronden door elkaar gehaald.
5.3.
Uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt dat de identiteit van degene namens wie beroep wordt ingesteld kenbaar moet zijn voor afloop van de beroepstermijn. [8]
5.4.
De rechtbank stelt vast dat het pro forma beroepschrift is gedateerd op 13 augustus 2024 en ook op diezelfde dag bij de rechtbank is binnengekomen. Het pro forma beroepschrift begint met de woorden:
"Namens mijn cliënte Lisuda Vastgoed B.V. richt ik mij tot u middels onderhavig pro forma beroepschrift. Cliënte heeft mij verzocht namens haar beroep in te stellen tegen bijgevoegd besluit d.d. 4 juli 2024. Het betreft een ‘Beslissing op bezwaar geweigerde omgevingsvergunning [adres] ’ van het college van de gemeente Ermelo.Daarmee is de identiteit van degene namens wie het beroep wordt ingesteld, namelijk Lisuda Vastgoed B.V., komen vast te staan.
5.5.
Vervolgens heeft de rechtbank op 5 september 2024, dus binnen de door de rechtbank gestelde termijn, een aanvullend processtuk ontvangen, met als onderwerp:
“Gronden van beroep.”Hoewel dit stuk begint met de woorden:
“Namens mijn cliënte [restaurant] richt ik mij tot u middels onderhavig beroepschrift in bovenvermelde procedure. Cliënte verzocht namens haar beroep in te stellen tegen het besluit d.d. 4 juli 2024 betreffende een ‘Beslissing op bezwaar geweigerde omgevingsvergunning [adres] ’ van het college van de gemeente Ermelo”eindigt de eerste alinea als volgt:
“Ik diende al eerder pro forma beroep in, de procedure is bij u bekend onder bovenvermeld zaaknummer (ARN 24/5511).”Hieruit blijkt dat met dit stuk wordt voortgebouwd op het eerder door Lisuda Vastgoed B.V. ingestelde pro forma beroep, dat bij de rechtbank is geregistreerd onder zaaknummer ARN 24/5511 GEMWT. De rechtbank oordeelt daarom dat aannemelijk is dat sprake is van een verschrijving in de eerste zin van het aanvullende processtuk, en dat de beroepsgronden zijn aangevoerd door degene die het pro forma beroepschrift heeft ingediend, Lisuda vastgoed B.V. Het betoog van het college (en ook de derde-partij) slaagt daarom niet. Eiseres is ontvankelijk in deze procedure.
5.6.
Overigens stelt de rechtbank vast dat wat betreft het aanleveren van gronden geen sprake is van verzuim. Deze zijn tijdig, in vervolg op het pro-forma beroepschrift en binnen de gestelde termijn, aangeleverd. Eventueel zou de verwarring over de naam en het adres van de indiener als verzuim kunnen worden aangemerkt. Dit kan echter niet leiden tot niet-ontvankelijkheid van het beroep, omdat eiseres dan eerst in de gelegenheid had moeten worden gesteld om het geconstateerde verzuim te herstellen. Bovendien is de naamsverwarring opgehelderd door de toelichting van eiseres op de zitting.
5.7.
Dat eiseres in de bijlagen bij het aanvullende stuk met de beroepsgronden een uittreksel Kamer van Koophandel van de rechtspersoon [restaurant] B.V. heeft gevoegd, maakt het oordeel van de rechtbank niet anders. Daar staat namelijk tegenover dat zich in diezelfde bijlagen een op 13 augustus 2024 getekend document bevindt waarin [persoon 1] een machtiging verleent aan [gemachtigde] om Lisuda Vastgoed B.V. te vertegenwoordigen in beroepsprocedures die gaan over lasten onder dwangsom en de afwijzing omgevingsvergunning met betrekking tot het perceel aan de [adres] in Ermelo. Uit de bijgevoegde stukken kan dus niet worden afgeleid dat gemachtigde de bedoeling heeft gehad om namens [restaurant] B.V. beroep in te stellen tegen het bestreden besluit van 4 juli 2024.
Heeft het college de afwijking van het bestemmingsplan kunnen weigeren en heeft hij dat besluit deugdelijk gemotiveerd?
6. Het college heeft beslist dat hij niet met toepassing van de kruimelgevallenregeling wil afwijken van het bestemmingsplan om de parkeerplaatsen in de groenstrook mogelijk te maken. Daar zal de rechtbank hierna, aan de hand van dat wat eiseres daartegen heeft aangevoerd, op ingaan.
Wijze van beoordelen
6.1.
Voordat de rechtbank ingaat op de beroepsgrond die gaat over het strijdige gebruik van het perceel, benadrukt de rechtbank dat het college beleidsruimte heeft bij de beslissing om al dan niet gebruik te maken van zijn bevoegdheid om in afwijking van het bestemmingsplan een omgevingsvergunning te verlenen en hij de betrokken belangen moet afwegen. De rechtbank oordeelt niet zelf of verlening van de omgevingsvergunning in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. Zij toetst deze keuze van het college terughoudend. De rechtbank beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit in overeenstemming is met het recht en of het college de omgevingsvergunning in redelijkheid heeft kunnen verlenen. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het besluit onevenredig zijn in verhouding tot de met de verlening of weigering van de omgevingsvergunning te dienen doelen. [9]
Geen ruimte voor toetsing strijdig gebruik
7. Eiseres betoogt dat vanuit het oogpunt van ruimtelijke aanvaardbaarheid niets aan vergunningverlening in de weg staat, omdat het college eerder, in het kader van de vergunningaanvraag voor vier parkeerplaatsen in de groenstrook, al heeft afgewogen en geconcludeerd dat parkeerplaatsen in de groenstrook ruimtelijk aanvaardbaar zijn. Daarvoor verwijst eiseres naar het ontwerpbesluit van 13 mei 2020 dat voorafging aan het afwijzende besluit van 30 oktober 2020. Daarin staat onder meer het volgende:
“Derde voorwaarde is, dat er een ruimtelijke afweging plaatsvindt ten aanzien van de plaats en de hoeveelheid te realiseren parkeerplaatsen in het groen. Dit om te kunnen waarborgen dat het groene karakter van Ermelo behouden blijft. (...) Ontheffing zal, als voldaan is aan vorenstaande voorwaarden, kunnen worden verleend. In dit geval kunnen de parkeerplaatsen verkeerstechnisch worden aangelegd en staat de ruimtelijke afweging de aanleg van de parkeerplaatsen niet in de weg. Het groene karakter blijft bovendien behouden.”Volgens eiseres kan het college daar nu niet ineens iets anders van vinden. Dat de destijds aangevraagde omgevingsvergunning uiteindelijk niet is verleend doet daar niets aan af.
7.1.
De rechtbank stelt vast dat eiseres zich bij herhaling beroept op het ontwerpbesluit van het college van 13 mei 2020. Omdat het college zich destijds bij de beoordeling van de vergunningaanvraag voor vier parkeerplaatsen in de groenstrook in het ontwerpbesluit positief heeft uitgelaten over de ruimtelijke aanvaardbaarheid van die gewenste activiteit, betoogt eiseres dat de vergunningaanvraag die in de huidige procedure voorligt niet geweigerd had mogen worden. Daarmee lijkt eiseres te stellen dat het college de eventuele instemming met 12 parkeerplaatsen in de groenstrook niet meer hoeft te toetsen aan een goede ruimtelijke ordening, omdat het college daar eerder al iets van gevonden heeft, of in elk geval dat het college beter had moeten motiveren waarom hij van de beoordeling in het ontwerpbesluit van 13 mei 2020 is afgeweken. De situatie die toen, in ontwerp beoordeeld is, is echter een heel andere dan de aanvraag die nu voorligt. Het ging destijds om een vergunningaanvraag om vier parkeerplaatsen in de groenstrook. Het college heeft toegelicht dat hij bij het nemen van het ontwerpbesluit in de veronderstelling was dat op 1 april 2019, bij het verlenen van de omgevingsvergunning voor de bouw van het restaurant, impliciet al een vergunning was verleend voor het realiseren van zes parkeerplaatsen in de groenstrook. Daarvan uitgaande was de aanvraag voor (nog eens) vier parkeerplaatsen een beperkte toename van wat al was vergund. Uit de uitspraak van rechtbank Gelderland van 25 januari 2023 [10] volgt dat het college, onder meer door het advies van de commissie bezwaarschriften destijds, tot de conclusie was gekomen dat er toch geen impliciete vergunning was verleend en dat daarmee van een beperkte overschrijding van wat was toegestaan in de groenstrook geen sprake meer was. In het primaire besluit van 30 oktober 2020 heeft het college naar aanleiding van deze gewijzigde situatie toen een ander, namelijk afwijzend besluit op de vergunningaanvraag genomen. In hoger beroep is dit besluit ook in stand gebleven. Nog daargelaten de vraag of het ontwerpbesluit van 13 mei 2020, dat in een heel andere procedure een rol heeft gespeeld en niet als zodanig onderdeel uitmaakt van het dossier in de vergunningaanvraag die hier voorligt, volgt de rechtbank het college in zijn standpunt dat de aanvraag en de omstandigheden die speelden ten tijde van het ontwerpbesluit van 13 mei 2020 niet met de huidige vergunningaanvraag te vergelijken zijn. In de huidige situatie heeft het college een beslissing genomen op de vergunningaanvraag voor 12 parkeerplaatsen, in de wetenschap dat de beoogde ligging in de groenstrook in strijd is met de planregels van het bestemmingsplan en dat van een eerder impliciet verleende vergunning geen sprake is. Omdat van vergelijkbare omstandigheden geen sprake is, heeft het college zich niet hoeven laten leiden door haar eerdere uitspraken over de ruimtelijke aanvaardbaarheid van parkeerplaatsen in de groenstrook en kan hij dus tot een andere beoordeling komen van de ruimtelijke aanvaardbaarheid. Het betoog van eiseres slaagt niet.
Heeft het college deugdelijk gemotiveerd waarom hij geen gebruik maakt van zijn bevoegdheid om af te wijken van het bestemmingsplan?
8. Eiseres betoogt dat ze zich overvallen voelt door de afwijzing van de vergunningaanvraag en dat de motivering van het college gezocht is. Het primaire besluit maakte namelijk geen enkele melding dat het plan op grond van de ruimtelijke onaanvaardbaarheid of anderszins geen kans van slagen heeft. De afwijzing berustte enkel op de (onjuiste) interpretatie van de bevoegdheid op grond van artikel 4, onderdeel 11 van bijlage II van het Bor. Vervolgens heeft het college volgens eiseres in de beslissing op bezwaar naar argumenten gezocht door aan te voeren dat parkeren in de groenstrook het initiatief van kleinschaligheid en de beoogde versterking van natuurwaarden teniet zou doen. De onderbouwing van het belang van kleinschaligheid door de verwijzing naar het ‘recente’ bestemmingsplan, is voor eiseres onnavolgbaar omdat dit bestemmingsplan al op 8 maart 2018 is vastgesteld en op 3 april 2019 onherroepelijk is geworden. Bovendien ontgaat eiseres de relevantie van de opmerking over natuurwaarden, in de toelichting op het bestemmingsplan, omdat deze is geplaatst in relatie tot de Wet natuurbescherming. Het gaat volgens haar ver om deze in te roepen voor een afwijzing van een ‘kruimelvergunning’. Tot slot merkt eiseres op dat het college in geval van toewijzing van de aanvraag onterecht bevreesd is voor precedentwerking. Daarvoor is de (gewenste) situatie op het perceel zodanig specifiek dat er zich binnen de gemeente niet snel vergelijkbare situaties zullen voordoen
8.1.
De beroepsgrond van eiseres slaagt niet. Het college is in het bestreden besluit ingegaan op de totstandkoming van het bestemmingsplan ‘De Driehoek 2016’, vanwege het functieveranderingsbeleid voor dit deel van de gemeente Ermelo. Op grond van de toelichting op dit bestemmingsplan worden kleinschalige ontwikkelingen in het lint [adres] toegestaan. Daarnaast is nog genoemd dat ten behoeve van de instandhouding en ontwikkeling van natuurwaarden het versterken van groene randen aan onder meer de [adres] een aanbeveling is. In het verlengde hiervan wordt ook in de toelichting [11] de voorgestelde terreininrichting van [adres] , met een restaurant waarvan het terras aan de voorzijde is gelegen en de parkeerplaatsen naast en achter het restaurant zijn voorzien, passend gevonden voor deze omgeving. Ook omdat dat betekent dat de groene randen aan de [adres] ten behoeve van de instandhouding en ontwikkeling van natuurwaarden versterkt kunnen worden. De voor het perceel voorheen geldende bestemming ‘Recreatie’ is daarom gewijzigd in de bestemming ‘Horeca’, om de realisatie van een restaurant op deze locatie mogelijk te maken, en de bestemming ‘Groen’, om te voorkomen dat er op de groenstrook geparkeerd zou mogen worden. Op die manier heeft de gemeente de beperkte uitbreiding van economische activiteit mogelijk willen maken, onder de voorwaarde van een goede landschappelijke inpassing.
8.2.
Het college heeft naar het oordeel van de rechtbank in voldoende mate en deugdelijk gemotiveerd dat parkeerplaatsen niet passend zijn in de als ‘Groen’ bestemde perceelstrook. Daarbij heeft het college kunnen betrekken dat de effecten ervan in strijd zijn met het beleid van landschappelijke inpassing en het versterken van de groene randen aan de [adres] en dat de belangen van eiseres bij het kunnen parkeren langs de [adres] daar niet tegen opwegen. Daarbij heeft het college kunnen betrekken dat ten tijde van de bestemmingsplanwijziging van het perceel en rekening houdend met de uitgangspunten en voorwaarden voor de gebiedsontwikkeling, bewust gekozen is voor een splitsing van het perceel in een ‘Horeca’-vlak en een ‘Groen’-strook. Het belang dat het college hecht aan de versterking van de groene belijning aan de randen van de [adres] , blijkt ook uit de verleende omgevingsvergunning voor de bouw van het restaurant in 2019, omdat daarin bewust is gekozen voor parkeerplaatsen naast en aan de achterzijde van het restaurant. Met deze toelichting heeft het college deugdelijk gemotiveerd dat de vereiste kleinschaligheid van de toegestane ontwikkelingen en het belang van de natuurwaarden aan en rondom de [adres] consequent onderdeel zijn van het gemeentelijk beleid.
8.3.
Gelet op voorgaande uitgangspunten bij de ontwikkeling van het gebied aan en rondom de [adres] , oordeelt de rechtbank dat van een gezochte motivering geen sprake is. Het college heeft in redelijkheid tot het besluit kunnen komen om de omgevingsvergunning niet te verlenen. Het gaat om een discretionaire bevoegdheid van het college om af te wijken van het bestemmingsplan. Het college heeft voldoende gemotiveerd dat geen sprake is van een goede ruimtelijke ordening als bij toewijzing van de omgevingsvergunning zal worden geparkeerd in de groenstrook met de bestemming ‘Groen’ en dat hij dit belang zwaarder heeft mogen laten wegen dan het belang van eiseres bij toewijzing van haar verzoek.
8.4.
De opmerking van eiseres dat het bestemmingsplan inmiddels niet meer ‘recent’ is, maakt dit oordeel van de rechtbank niet anders. Allereerst merkt de rechtbank daarover op dat het een onjuiste weergave van zaken is om het college het bestemmingsplan als ‘recent’ te laten bestempelen. Het college spreekt in het bestreden besluit namelijk van het ‘vrij recente onherroepelijke bestemmingsplan.’ Daarnaast doet de datum van het bestemmingsplan aan de geldigheid niets af. Net zo min als aan het voortduren van de uitgangspunten die eraan ten grondslag liggen. Dat blijkt ook wel uit het bij herhaling handhavend optreden van het college en de weigering van de eerdere en voorliggende omgevingsvergunning voor het realiseren van parkeerplaatsen in de groenstrook. De rechtbank geeft ook geen gehoor aan de stelling van eiseres dat de benoemde natuurwaarden niet meegenomen zouden moeten worden in de beoordeling van de aanvraag. Daargelaten de vraag of deze uitgangspunten voortvloeien uit de Wet natuurbescherming, volgt uit de toelichting op het bestemmingsplan dat de groene randen aan de [adres] versterkt moeten worden. Het college heeft het realiseren van de parkeerplaatsen in de als ‘Groen’ bestemde strook op het perceel, daarmee in strijd mogen achten.
8.5.
Het betoog van eiseres dat het college onterecht bevreesd is voor precedentwerking door toewijzing van de vergunningaanvraag, slaagt niet. Uit de motivering van het college blijkt immers dat precedentwerking niet de reden voor de afwijzing van de vergunningaanvraag is.
Is het besluit onzorgvuldig tot stand gekomen?
9. Het betoog van eiseres dat het college inconsistent en daardoor ook onzorgvuldig heeft gehandeld, omdat zij in het primaire besluit de Nota Parkeernormen aan haar besluit ten grondslag heeft gelegd en de weigering in de beslissing op bezwaar heeft gemotiveerd door te verwijzen naar de ruimtelijke uitgangspunten binnen de gemeente, slaagt niet. Een van de kenmerken van een beslissing op bezwaar is dat het gaat om een volledige heroverweging van het primaire besluit. Dat hoeft niet maar kan wel tot een wijziging van het primaire besluit leiden; bijvoorbeeld in de vorm van een veranderde of aangevulde motivering of zelfs een herroeping van het primaire besluit. In dit geval heeft het college de weigering van de omgevingsvergunning in stand gelaten maar heeft zij de achterliggende motivering, in navolging van het advies van de commissie bezwaarschriften, gewijzigd. Daarmee heeft het college binnen de wettelijke kaders en de hem gegeven bevoegdheden gehandeld.

Conclusie en gevolgen

10. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het college de omgevingsvergunning heeft kunnen weigeren. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Emaus, rechter, in aanwezigheid van mr. S.G. Hoijinck, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
Artikel 2.1
Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit: (…)
c. het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan, een beheersverordening een exploitatieplan, de regels gesteld krachtens artikel 4.1, derde lid of 4.3, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening of een voorbereidingsbesluit voor zover toepassing is gegeven aan artikel 3.7, vierde lid, tweede volzin, van die wet; (…)
Artikel 2.12
1. Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, kan de omgevingsvergunning slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en:
a. indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan of de beheersverordening:
1° met toepassing van de in het bestemmingsplan of de beheersverordening opgenomen regels inzake afwijking,
2° in de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen, of
3° in overige gevallen, indien de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat; (…)
Bestemmingsplan Parkeernormen
3.1.1
Parkeernorm
Bij het gebruiken en/of bebouwen van gronden dient voldaan te worden aan de gemeentelijke parkeernormen (met bijbehorende eisen voor locatie en inrichting) ten behoeve van (vracht)auto's en overige verkeersvoertuigen en de bijhorende bepalingen omtrent de ontsluiting en bevoorrading als opgenomen in bijlage 1. Deze eis geldt als een voorwaardelijke verplichting in de zin van de Wet ruimtelijke ordening.
Bestemmingsplan de Driehoek 2016
7.1
Bestemmingsomschrijving
De voor 'Groen' aangewezen gronden zijn bestemd voor:
groenvoorzieningen;
de versterking en bescherming van groene waarden;
in- en uitritten ten behoeve van naastgelegen percelen;
ter plaatse van de functieaanduiding "houtsingel": uitsluitend voor de aanleg en instandhouding van een houtsingel die voldoet aan de eisen uit de beeldkwaliteitsparagraaf De Driehoek die is opgenomen als bijlage 2 van de regels;
ter plaatse van de functieaanduiding "specifieke vorm van groen - fietspad": voor een fietspad met een maximale breedte van 8 meter inclusief berm, die uitsluitend voor fietsers en gemotoriseerd bestemmingsverkeer de Oude Nijkerkerweg met de Fokko Kortlanglaan verbindt.
met daarbij behorende bouwwerken geen gebouwen zijnde, andere voet- en fietspaden, geluidwerende voorzieningen, speelvoorzieningen, water en voorzieningen voor de waterhuishouding.
7.2
Bouwregels
Artikel 7.2.1 Algemeen
Op de voor 'Groen' aangewezen gronden mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten dienste van de bestemming worden gebouwd.
Artikel 7.2.2 Bouwwerken geen gebouwen zijnde
Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, geldt dat:
de bouwhoogte niet meer mag bedragen dan 2 m;
ter plaatse van de aanduiding 'geluidwal' de hoogte van geluidwerende voorzieningen maximaal 5 m mag bedragen.
Bestemmingsplan ‘Parkeernormen’.
3.1.1
Parkeernorm
Bij het gebruiken en/of bebouwen van gronden dient voldaan te worden aan de gemeentelijke parkeernormen (met bijbehorende eisen voor locatie en inrichting) ten behoeve van (vracht)auto's en overige verkeersvoertuigen en de bijhorende bepalingen omtrent de ontsluiting en bevoorrading als opgenomen in bijlage 1. Deze eis geldt als een voorwaardelijke verplichting in de zin van de Wet ruimtelijke ordening.
Nota Parkeernormen Ermelo
3.5
Maatvoering
De ruimten voor het parkeren van auto's moeten afmetingen hebben, die zijn afgestemd op gangbare personenauto's. Aan deze eis wordt geacht te zijn voldaan indien de afmetingen van bedoelde parkeerruimten in het geval van lengterichting aan het trottoir (langsparkeren) bij een manoeuvreerruimte van minimaal 3 meter ten minste 2,00 meter breed bij 6,00 meter lang zijn. In het geval van haaksparkeren de afmetingen ten minste 2,50 meter breed bij 5,00 meter lang zijn (of 4,50 meter lang met 0,50 meter overstek). Voor zowel langs- als haaksparkeren mogen de afmetingen ten hoogste 3,25 meter breed bij 6,00 meter lang zijn. De afmetingen van een gereserveerde parkeerruimte voor een gehandicapte bij lengterichting aan een trottoir zijn ten minste 3,50 meter breed bij 6,00 meter lang. Bij haaksparkeren met een uitstapstrook langs het parkeervak geldt een afmeting van ten minste 3 meter breed (zonder uitstapstrook ten minste 3,50 meter breed en ten minste 5 meter lang).

Voetnoten

1.Uitspraak van rechtbank Gelderland van 25 januari 2023, ECLI:NL:RBGEL:2023:354.
2.Mondelinge uitspraak van de Afdeling van 4 december 2023 (verzonden op 6 december 2023), ECLI:NL:RVS:2023:4509.
3.Het gaat om een vergunning in de zin van artikel 2.1, eerste lid, onder c van de Wabo,
4.Zie artikel 7.1. van de planregels van het bestemmingsplan.
5.Artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2°, van de Wabo in samenhang met artikel 4, onderdeel 11, van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht (Bor).
6.In artikel 3.1.1 van de planregels van het bestemmingsplan ‘Parkeernormen’, is bepaald dat aan de gemeentelijke parkeernormen, de Nota Parkeernormen Ermelo, moet worden voldaan.
7.Op grond van artikel 2.12, eerste lid, aanhef, van de Wabo.
8.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 1 augustus 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2562
9.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 24 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:5429.
11.“Bijlage 10 ‘Ruimtelijke onderbouwing van initiatieven’ bij de toelichting op het bestemmingsplan.