ECLI:NL:RBGEL:2026:5233

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
3 juli 2026
Publicatiedatum
3 juli 2026
Zaaknummer
ARN 25/3830
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:7 AwbArt. 6:11 AwbArt. 22j Awir
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bezwaren tegen aanslagen inkomstenbelasting 2015-2017 niet-ontvankelijk wegens termijnoverschrijding

Belanghebbende diende bezwaren in tegen de aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) voor de jaren 2015, 2016 en 2017. De inspecteur had deze bezwaren niet-ontvankelijk verklaard omdat ze buiten de wettelijke bezwaartermijn waren ingediend en er geen sprake was van een verschoonbare termijnoverschrijding.

De rechtbank bevestigde dat de bezwaartermijn zes weken bedraagt en dat deze voor de aanslagen respectievelijk op 22 december 2017, 20 april 2018 en 4 maart 2019 was verstreken. Belanghebbende had pas op 10 juni 2025 bezwaar gemaakt, ruim na het verstrijken van deze termijnen.

Belanghebbende voerde aan dat bepalingen uit het echtscheidingsconvenant ertoe leidden dat de aanslagen ten onrechte aan haar waren opgelegd. De rechtbank oordeelde dat dit geen omstandigheid was die de termijnoverschrijding verschoonbaar maakte, mede omdat het convenant pas in 2020 was ondertekend, lang na het verstrijken van de bezwaartermijnen.

De rechtbank zag daarom geen aanleiding tot inhoudelijke behandeling van de bezwaren en verklaarde de beroepen ongegrond. Belanghebbende krijgt het griffierecht niet terug en ontvangt geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: De rechtbank verklaart de bezwaren niet-ontvankelijk wegens te late indiening zonder verschoonbare termijnoverschrijding en wijst de beroepen af.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummers: ARN 25/3830, 26/277 en 26/278

uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 3 juli 2026

in de zaken tussen

[belanghebbende], uit [plaats], belanghebbende,

en

de inspecteur van de belastingdienst, kantoor Heerlen, de inspecteur.

Inleiding

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van belanghebbende tegen de uitspraken op bezwaar van de inspecteur van 18 augustus 2025.
De inspecteur heeft aan belanghebbende voor de jaren 2015, 2016 en 2017 aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd.
De inspecteur heeft de bezwaren van belanghebbende niet-ontvankelijk verklaard.
De inspecteur heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft de beroepen op 24 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: belanghebbende en namens de inspecteur mr. [persoon A] en mr. [persoon B].

Feiten

2015 (zaaknummer 25/3830)
1. De inspecteur heeft belanghebbende uitgenodigd aangifte IB/PVV voor het jaar 2015 te doen. Ondanks daartoe door de inspecteur te zijn herinnerd en aangemaand, heeft belanghebbende aanvankelijk nagelaten om een aangifte IB/PVV 2015 in te dienen. Op 1 augustus 2017 heeft belanghebbende een aangifte IB/PVV 2015 ingediend. Het verzamelinkomen volgens de aangifte IB/PVV 2015 bedraagt € 61.319. Met dagtekening 10 november 2017 heeft de inspecteur de definitieve aanslagen IB/PVV en ZVW 2015 opgelegd conform de ingediende aangifte en een verzuimboete opgelegd van € 369.
2016 (zaaknummer 26/277)
2. De inspecteur heeft belanghebbende uitgenodigd aangifte IB/PVV voor het jaar 2016 te doen. Op 10 november 2017 heeft belanghebbende een aangifte IB/PVV 2016 ingediend. Het verzamelinkomen volgens de aangifte IB/PVV 2016 bedraagt € 74.857. Met dagtekening 9 maart 2018 heeft de inspecteur de definitieve aanslagen IB/PVV en ZVW 2016 opgelegd conform de ingediende aangifte.
2017 (zaaknummer 26/278)
3. De inspecteur heeft belanghebbende uitgenodigd aangifte IB/PVV voor het jaar 2017 te doen . Op 8 november 2018 heeft belanghebbende een aangifte IB/PVV 2017 ingediend. Het verzamelinkomen volgens de aangifte IB/PVV 2017 bedraagt € 46.416. Met dagtekening 9 maart 2018 heeft de inspecteur de definitieve aanslagen IB/PVV en ZVW 2017 opgelegd conform de ingediende aangifte.
4. Belanghebbende was vanaf 11 mei 2012 tot 3 juli 2019 in algehele gemeenschap van goederen gehuwd met [persoon C]. Het huwelijk is door echtscheiding ontbonden.
5. Op 10 juni 2025 heeft belanghebbende een bezwaarschrift ingediend tegen de aanslagen IB/PVV 2015, 2016 en 2017.
6. De inspecteur heeft de bezwaren van belanghebbende met dagtekening 18 augustus 2025 niet-ontvankelijk verklaard in verband met het niet tijdig instellen van bezwaar, omdat het bezwaar is ingesteld buiten de vijfjaarstermijn en omdat volgens de inspecteur geen sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding. Tevens heeft de inspecteur aangegeven het bezwaar om dezelfde reden niet als een verzoek op grond van artikel 9.6 van de Wet IB 2001 in behandeling te nemen.
7. Belanghebbende heeft op 27 augustus 2025 beroep ingesteld tegen de uitspraken op bezwaar ter zake van 2015, 2016 en 2017.

Beoordeling door de rechtbank

8. De rechtbank beoordeelt of de inspecteur de bezwaren van belanghebbende terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
9. De rechtbank is van oordeel dat de bezwaarschriften te laat zijn ingediend en dat de termijnoverschrijding niet verschoonbaar is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
10. De termijn voor het maken van bezwaar tegen een aanslag bedraagt zes weken [1] en vangt aan met ingang van de dag na die van dagtekening van de aanslag [2] . De bezwaartermijnen van de aanslagen voor de jaren 2015 tot en met 2017 zijn respectievelijk op 22 december 2017, 20 april 2018 en 4 maart 2019 geëindigd. Belanghebbende heeft op 10 juni 2025 voor het eerst bezwaar gemaakt tegen de aanslagen. Omdat de bezwaarschriften na afloop van de bezwaartermijnen zijn ingediend zijn de bezwaren niet-ontvankelijk, tenzij de termijnoverschrijdingen verschoonbaar zijn. [3]
11. Een termijnoverschrijding is verschoonbaar indien een belanghebbende een bezwaarschrift te laat heeft ingediend als gevolg van een hem niet toe te rekenen omstandigheid en de belanghebbende, nadat die omstandigheid zich niet later voordeed, het beroepschrift heeft ingediend zo spoedig mogelijk als dit redelijkerwijs kon worden verlangd. Als uitgangspunt geldt dat hiervoor een termijn van zes weken geldt. Ook blijft een niet-ontvankelijkverklaring achterwege in gevallen waarin de verwijtbaarheid met betrekking tot de te late indiening van het beroepschrift gering is. [4]
12. Belanghebbende heeft zich op het standpunt gesteld dat de bepalingen uit het echtscheidingsconvenant maken dat de aanslagen ten onrechte aan haar zijn opgelegd. Dit maakt echter niet dat van een haar niet toe te rekenen omstandigheid sprake is. Het echtscheidingsconvenant is ondertekend op 30 april 2020. Op dat moment was de bezwaartermijn voor alle in geding zijnde aanslagen reeds lang verstreken. Daar komt bij dat de Belastingdienst geen partij is bij het echtscheidingsconvenant. Indien de rechtbank er veronderstellenderwijs vanuit gaat dat het ondertekenen van het echtscheidingsconvenant wel een omstandigheid was die de termijnoverschrijding verschoonbaar zou maken, heeft belanghebbende bovendien na het ondertekenen van het convenant onredelijk lang gewacht met het maken van bezwaar. Dus ook zo bezien is geen sprake van een verschoonbare termijnoverschrijding.
13. De rechtbank komt daarom niet toe aan een inhoudelijke behandeling.

Conclusie en gevolgen

14. De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat de inspecteur de bezwaren terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.L. van Benthem, rechter, in aanwezigheid van mr T.J.P. Wientjens, griffier.
Uitgesproken op 3 juli 2026.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
griffier
rechter

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Artikel 6:7 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Artikel 22j, aanhef en onderdeel a, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.
3.Artikel 6:11 van Pro de Awb.
4.Hoge Raad 5 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:515 en Hoge Raad 19 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:625.