ECLI:NL:RBGEL:2026:5079

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
23 april 2026
Publicatiedatum
29 juni 2026
Zaaknummer
C/05/463827
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 11 ZvwArt. 13 Zvw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering tot contracteerverplichting zorgverzekeraar VGZ aan MoreCare Clinics

MoreCare Clinics, een zelfstandig behandelcentrum gespecialiseerd in bariatrische chirurgie, vordert dat VGZ Zorgverzekeraar N.V. wordt veroordeeld tot het aanbieden van een zorgovereenkomst voor 2026 tegen marktconforme voorwaarden. MoreCare Clinics opereert ook op ASA 3-classificatie patiënten, waarvoor VGZ een inkoopbeleid hanteert dat contractering beperkt tot zorgaanbieders in ziekenhuissetting met intensive care.

VGZ weigert contractering op basis van dit beleid en vergoedt zorg op niet-gecontracteerde basis deels aan verzekerden. MoreCare Clinics stelt dat VGZ onrechtmatig handelt door het inkoopbeleid, schending van zorgplicht (art. 11 Zvw Pro), hinderpaalcriterium en redelijkheid en billijkheid. VGZ voert verweer op grond van contractsvrijheid, zorgvuldigheidsverplichting en objectief gemotiveerd inkoopbeleid.

De voorzieningenrechter oordeelt dat VGZ vrij is in contractkeuze en dat MoreCare Clinics onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat VGZ onrechtmatig handelt of dat een contracteerverplichting bestaat. Het inkoopbeleid is objectief, transparant en niet inconsistent aangetoond. Ook is niet gebleken dat VGZ haar zorgplicht schendt of dat de vergoeding op grond van art. 13 Zvw Pro onrechtmatig is jegens MoreCare Clinics.

De subsidiaire vordering tot dooronderhandelen wordt eveneens afgewezen wegens gebrek aan onderhandelingsbasis en belang. De rechtbank wijst de vorderingen af en veroordeelt MoreCare Clinics in de proceskosten. De voorzieningenrechter geeft VGZ ten overvloede mee haar weigering tot overleg te heroverwegen gezien haar regierol in het zorglandschap.

Uitkomst: De vorderingen van MoreCare Clinics tot het opleggen van een zorgovereenkomst en dooronderhandelen worden afgewezen en zij wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK Gelderland

Civiel recht
Zittingsplaats Arnhem
Zaaknummer: C/05/463827 / KG ZA 26-87
Vonnis in kort geding van 23 april 2026
in de zaak van
STICHTING MORECARE CLINICS,
statutair gevestigd en kantoorhoudende te Amersfoort,
eisende partij,
hierna te noemen: Morecare Clinics,
advocaat: mrs. K. Mous,
tegen
VGZ ZORGVERZEKERAAR N.V.,
statutair gevestigd en kantoorhoudende te Arnhem,
gedaagde partij,
hierna te noemen: VGZ,
advocaat: mr. T.R.M. van Helmond.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties 1 tot en met 25,
- de conclusie van antwoord met producties A tot en met C,
- de aanvullende productie 26 van Morecare Clinics,
- de mondelinge behandeling van 2 april 2026,
- de pleitnota van Morecare Clinics,
- de pleitnota van VGZ.
1.2.
Ten slotte is op heden vonnis bepaald.

2.De zaak in het kort

2.1.
MoreCare Clinics drijft een zelfstandig behandelcentrum (hierna: ZBC) in Amersfoort en is gespecialiseerd in chirurgische behandeling van patiënten met ernstig overgewicht (bariatrische chirurgie). Van haar patiënten was in 2025 24,4% verzekerd bij VGZ en in dat jaar heeft zij aan bijna 1.100 verzekerden van VGZ bariatrische zorg verleend. In het ZBC van MoreCare Clinics worden ook ASA 3-classificatie patiënten [1] (hierna: ASA 3 patiënten) geopereerd. MoreCare Clinics heeft met het Meander Ziekenhuis afspraken gemaakt in geval van calamiteiten bij de operaties van deze patiënten. Het Meander Ziekenhuis stelt in dat geval een operatiekamer ter beschikking waar een chirurg van MoreCare Clinics de patiënt dan zal behandelen. Indien een patiënt niet door BMI maar om een andere reden in de ASA 3 classificatie valt, zoals door hartfalen, wordt de operatie niet door MoreCare Clinics gedaan maar wordt de patiënt doorverwezen naar het Flevo Ziekenhuis.
2.2.
MoreCare Clinics heeft in de jaren 2023, 2024 en 2025 tevergeefs pogingen gedaan om met VGZ zorgovereenkomsten te sluiten. VGZ heeft de aanvragen steeds afgewezen op grond van haar inkoopbeleid en omdat zij stelt voldoende zorg te hebben ingekocht bij andere zorgaanbieders. Het inkoopbeleid in kwestie houdt in dat VGZ in geval van invasieve ingrepen onder algehele anesthesie alleen met een ZBC contracteert als deze ingrepen uitsluitend plaatsvinden bij patiënten met een ASA 1 of 2 classificatie. Indien dergelijke ingrepen (ook) plaatsvinden bij ASA 3 patiënten wordt slechts gecontracteerd met zorgaanbieders in een ziekenhuissetting met een intensive care op locatie.
2.3.
VGZ vergoedt op niet gecontracteerde basis aan haar verzekerden die voor bariatrische zorg van MoreCare Clinics kiezen wel een deel van de behandelingskosten. Bij het bepalen van deze vergoeding ex artikel 13 Zorgverzekeringswet Pro (Zvw) gaat VGZ uit van een gemiddelde van de tarieven die zij met gecontracteerde zorgaanbieders is overeengekomen. Dat gemiddelde minus een korting levert het bedrag van de vergoeding aan de verzekerde op. In de polissen van VGZ is opgenomen dat zij voor het jaar 2026 een vergoedingspercentage van 60-80% van het gemiddeld gecontracteerde tarief toepast. MoreCare Clinics hanteert een coulanceregeling die inhoudt dat zij het deel van de zorgkosten die de verzekerde (ook na een beroep op de hardheidsclausule opgenomen in de polisvoorwaarden van VGZ) niet vergoedt volledig voor haar rekening neemt.
2.4.
MoreCare Clinics vordert in dit kort geding primair dat VGZ wordt veroordeeld om een zorgovereenkomst aan te bieden voor 2026 tegen reële en marktconforme voorwaarden, dat wil zeggen op basis van gemiddeld door VGZ gecontracteerde tarieven en met inachtneming van de bestaande capaciteit en omvang van de zorgverlening door Morecare Clinics aan VGZ verzekerden. Subsidiair vordert zij een gebod om (door) te onderhandelen over een dergelijke zorgovereenkomst voor 2026. Tot slot vordert MoreCare Clinics een veroordeling van VGZ tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten.
De vorderingen van MoreCare Clinics zullen worden afgewezen. Hieronder zal uitgelegd worden waarom.

3.De beoordeling

3.1.
Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. Voor toewijzing is nodig dat Morecare Clinics daarbij een spoedeisend belang heeft.
De voorzieningenrechter vormt zich een voorlopig oordeel over de vorderingen aan de hand van de stukken en de mondelinge behandeling. Daarnaast geldt dat de voorzieningenrechter in dit kort geding moet beoordelen of de vorderingen in de bodemprocedure een zodanige kans van slagen hebben, dat vooruitlopend daarop toewijzing van de voorlopige voorziening gerechtvaardigd is. Als uitgangspunt geldt ook dat in deze procedure geen plaats is voor bewijslevering. Of de gevraagde voorziening wordt verleend, hangt tevens af van de afweging van de belangen van partijen.
De primaire vordering
3.2.
De voorzieningenrechter komt tot het oordeel dat niet aannemelijk wordt geacht dat VGZ in een bodemprocedure zal worden veroordeeld om een zorgovereenkomst voor 2026 aan MoreCare Clinics aan te bieden. De primaire vordering komt in feite neer op een contracteerverplichting. Hetgeen MoreCare Clinics naar voren heeft gebracht, kan geen grondslag vormen voor een dergelijke veroordeling, nog daargelaten dat haar stellingen in dat verband binnen het bestek van dit kort geding niet aannemelijk zijn geworden en haar vordering te ruim en onbepaald is geformuleerd. Dat zal hieronder nader worden toegelicht.
3.3.
Aan haar primaire vordering legt MoreCare Clinics het volgende ten grondslag. De ordemaatregel die wordt gevraagd strekt ertoe een onrechtmatige situatie op te heffen. Dit betekent dat VGZ wordt verplicht een marktconform voorstel te doen. Uit jurisprudentie [2] volgt dat de verhouding van MoreCare Clinics en VGZ wordt beheerst door de redelijkheid en billijkheid. Omdat MoreCare Clinics in belangrijke mate afhankelijk is van VGZ rust er op VGZ een buitencontractuele zorgvuldigheidsverplichting. Gelet op deze zorgvuldigheidsverplichting en de verantwoordelijkheden van VGZ die voortvloeien uit wet- en regelgeving, beleidsregels en jurisprudentie moet zij zoveel mogelijk tot contractering komen, waarbij zij verplicht is rekening te houden met de gerechtvaardigde belangen van MoreCare Clinics. De schending van dit zorgvuldigheidsbeginsel is op zichzelf en in samenhang met de overige gronden onrechtmatig. Deze overige gronden betreffen i) de schending van de zorgplicht van artikel 11Zvw ii) het op grond van het hinderpaalcriterium onrechtmatig handelen jegens MoreCare Clinics iii) het in strijd handelen met de doelstellingen van de IZA en AZWA en iv) de onterechte afwijzingen op basis van achterhaald inkoopbeleid dat door VGZ inconsistent wordt toepast. Schending van zowel artikel 11 Zvw Pro als artikel 13 Zvw Pro leiden ook afzonderlijk van de overige gronden tot een onrechtmatige toestand die bij ordemaatregel moet worden opgeheven. In dat verband wordt een beroep gedaan op de schakeljurisprudentie [3] . Daaruit volgt dat deze normen niet alleen het belang van verzekerden dienen maar ook het belang van zorgaanbieders en dat voor het aannemen van een normschending op grond van deze artikelen ten opzichte van zorgaanbieders niet is vereist dat de norm ook jegens verzekerden is geschonden, aldus MoreCare Clinics.
3.4.
VGZ voert het volgende verweer. Het uitgangspunt is contractsvrijheid. Voor zorgverzekeraars houdt dat in dat zij vrij zijn om te bepalen met welke zorgaanbieders zij een overeenkomst sluiten en onder welke voorwaarden. Uit de Zvw en de toelichting daarop volgt dat selectief contracteren is toegestaan en dat zorgverzekeraars nadrukkelijk niet verplicht zijn om met iedere zorgaanbieder een contract te sluiten. Verder heeft VGZ haar zorgplicht die voortvloeit uit artikel 11 Zvw Pro niet geschonden, is geen sprake van onrechtmatig handelen op grond van het hinderpaalcriterium en is op basis van valide, op kwaliteit en zorg gerichte redenen besloten om niet met MoreCare Clinics te contracteren. Afgezien van het voorgaande kunnen schending van de zorgplicht en het hinderpaalcriterium niet leiden tot een contracteerverplichting. Ook kunnen de redelijkheid en billijkheid op zichzelf geen overeenkomst in het leven roepen maar slechts een bestaande contractuele verhouding inkleuren en van een contractuele verhouding is geen sprake. Van een precontractuele verhouding evenmin omdat partijen nimmer in onderhandeling zijn getreden. Ingrijpen op grond van de redelijkheid en billijkheid kan verder slechts in zeer uitzonderlijke gevallen en van dergelijke omstandigheden is ook geen sprake. Tot slot is de vordering van MoreCare Clinics te onbepaald en in schril contrast met de contractsvrijheid en de regierol van zorgverzekeraars, aldus VGZ.
3.5.
De voorzieningenrechter overweegt als volgt. De Zvw beoogt onder meer door marktwerking de kwaliteit van de zorg te bevorderen en de kosten van de zorg te beheersen. Aan zorgverzekeraars is in dit verband een regierol toegekend bij het sluiten van overeenkomsten met zorgaanbieders en met consumenten. De wet legt in artikel 11 Zvw Pro aan zorgverzekeraars een zorgplicht op die inhoudt dat de zorgverzekeraar ervoor moet zorgen dat er voldoende zorg beschikbaar is voor de consumenten die bij hem verzekerd zijn. Daartoe koopt de zorgverzekeraar zorg in door het sluiten van zorgovereenkomsten met zorgaanbieders. Bij het inkopen van zorg geldt het uitgangspunt van contractsvrijheid. Zorgverzekeraars en zorgaanbieders zijn niet verplicht om met elkaar een zorgovereenkomst te sluiten. Zorgverzekeraars hebben dus te maken met zorgaanbieders die wel en die geen zorgovereenkomst met hen hebben gesloten. Zorgverzekeraars bepalen in hun polisvoorwaarden welke vergoeding hun verzekerden ontvangen voor zorg door niet-gecontracteerde zorgaanbieders. Deze vergoeding mag niet zo laag zijn dat dit feitelijk een hinderpaal voor de verzekerden oplevert om zorg van niet-gecontracteerde zorgaanbieders af te nemen (artikel 13 lid 1 Zvw Pro).
3.6.
Het stelsel van de wet brengt dus mee dat VGZ als zorgverzekeraar mag bepalen onder welke voorwaarden zij zorgovereenkomsten met zorgaanbieders wil sluiten. Deze voorwaarden vormen het inkoopbeleid van VGZ. Onderdeel van het inkoopbeleid van VGZ is het niet contracteren met ZBC’s die buiten een “ziekenhuissetting” ASA 3 patiënten opereren. Dit beleid strekt volgens VGZ tot het waarborgen van de veiligheid van haar verzekerden omdat bij de ASA 3 patiënten sprake is van een verhoogd operatie-risicoprofiel met kans op levensbedreigende complicaties. Als dan op locatie geen intensive care aanwezig is, moet een patiënt worden overgeplaatst van een ZBC naar een ziekenhuis wat leidt tot tijdverlies, aldus VGZ. Niet in geschil is dat inkoopbeleid en het uitvoeren daarvan objectief, transparant en non-discriminatoir moet zijn. Waar het daarbij om gaat is dat de regels voor iedere zorgaanbieder duidelijk moeten zijn en op iedere zorgaanbieder -of het nu gaat om een bestaande of om een nieuwe speler op de markt- gelijk moeten worden toegepast. Uit de stellingen van partijen kan worden afgeleid dat daaraan in het gegeven geval is voldaan. Weliswaar voert MoreCare Clinics aan dat het inkoopbeleid daarnaast “uitlegbaar” moet zijn maar dit is door VGZ gemotiveerd weersproken en deze stelling vindt ook geen steun in de wet of jurisprudentie.
Ook zou VGZ volgens MoreCare Clinics haar inkoopbeleid inconsistent toepassen. Volgens haar contracteert VGZ namelijk wel met ziekenhuizen die op hun buitenpoli’s ASA 3 patiënten behandelen, wat vergelijkbaar is met een ZBC, en waar dus ook geen intensive care op locatie beschikbaar is. Zij heeft dit echter niet met stukken onderbouwd en volstaan met een kale stelling op dit punt. VGZ heeft dit betoog vervolgens gemotiveerd weersproken en zij stelt er streng op toe te zien dat dit beleid wordt nageleefd. Verder voert zij aan dat voor zover een gecontracteerde partij in strijd handelt met dit beleid die partij daarop moet worden aangesproken, maar dat zij niet weet op welke gecontracteerde partij(en) MoreCare Clinics doelt. MoreCare Clinics heeft ook niet uit de doeken gedaan over welke gecontracteerde zorgaanbieders het gaat, aldus VGZ.
Een en ander leidt tot de conclusie dat in dit kort geding niet kan worden uitgegaan van de juistheid van de stelling van MoreCare Clinics. Daarvoor zijn meer feitelijke gegevens nodig, die echter ontbreken.
3.7.
Wat MoreCare Clinics in de kern – kort samengevat – betoogt is dat het beleid van VGZ al 15 jaar achterhaald is omdat de ASA 3 classificatie meer dan 60 jaar oud is, zich dus niet meer verhoudt tot de huidige stand van de wetenschap en het voorgaande ook wordt ingezien door andere zorgverzekeraars, beroepsverenigingen en de Inspectie voor Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ). Zowel de beroepsvereniging als de IGJ hebben laten weten geen bezwaar te hebben tegen de behandeling van ASA 3 patiënten in een ZBC omdat de spoedzorg en achterwachtregeling bij MoreCare Clinics goed zijn geborgd.
Volgens MoreCare Clinics is het onterecht dat VGZ dit beleid hanteert omdat het geen steun vindt in richtlijnen en is MoreCare Clinics de enige partij die op basis van dit beleid wordt uitgesloten van contractering.
VGZ heeft ook dit gemotiveerd betwist. Volgens haar is het beleid een weerspiegeling van een bredere zorginhoudelijke consensus en praktijk. Ook betwist VGZ dat MoreCare Clinics de enige partij is die door dit beleid wordt uitgesloten.
Partijen hebben op dit punt hun stellingen over en weer onderbouwd en gemotiveerd toegelicht waarom behandeling van ASA 3 patiënten wel of niet uitsluitend in een ziekenhuissetting met een intensive care op locatie moet plaatsvinden.
De discussie hierover kan echter niet in het kader van deze procedure worden beslecht. In beginsel is VGZ vrij in het hanteren van kwaliteitseisen bij de zorginkoop. Het is niet aan de voorzieningenrechter om het beleid van VGZ uitgebreid inhoudelijk te toetsen. In het kader van de marginale toets, waartoe de voorzieningenrechter zich dient te beperken, kan in elk geval nu niet worden aangenomen dat de motivering duidelijk tekort schiet en/of dat VGZ niet in redelijkheid tot dit beleid kan kunnen komen.
3.8.
Ook kan binnen het bestek van deze procedure niet worden aangenomen dat VGZ in strijd handelt met haar zorgplicht die voortvloeit uit artikel 11 Zvw Pro. Dat de thans geldende wachttijden niet binnen de maximaal aanvaardbare wachttijden (Treeknormen) vallen dan wel dat die worden overschreden indien MoreCare Clinics stopt met het verlenen van bariatrische zorg aan VGZ verzekerden, heeft VGZ immers voldoende gemotiveerd (en met stukken onderbouwd) weersproken. Volgens VGZ hebben haar gecontracteerde zorgaanbieders laten weten dat zij meer volume aan kunnen, daar dus meer zorg kan worden ingekocht en de patiënten van MoreCare Clinics kunnen worden opvangen. Daarnaast heeft VGZ gemotiveerd toegelicht dat de vraag naar bariatrische chirurgie lijkt te stagneren of zelfs daalt ten opzichte van voorgaande jaren en dat ook de opkomst van verschillende medicatie daar invloed op heeft.
Gelet op deze gemotiveerde betwisting -en bij gebrek aan nadere stukken waaruit de juistheid van de stelling van MoreCare Clinics volgt- kan in deze procedure niet worden aangenomen dat VGZ de uit artikel 11 Zvw Pro voortvloeiende plicht schendt om haar verzekerden tijdig toegang te geven tot de benodigde zorg van goede kwaliteit en binnen redelijke afstand. De door MoreCare Clinics ter zitting benoemde de uitkomsten van een eigen belronde langs alle aanbieders van bariatrische chirurgie doen daar niet aan af, omdat het bijbehorende overzicht te laat naar voren is gebracht en niet op juistheid kon worden getoetst door VGZ. Bovendien geldt dat voor zover schending van artikel 11 Zvw Pro wel zou worden aangenomen, dit niet per definitie leidt tot toewijzing van de primaire vordering. Zoals reeds onder 3.5 overwogen, geldt als uitgangspunt de contractsvrijheid en heeft de zorgverzekeraar een regierol die strekt tot het bevorderen van de kwaliteit van de zorg en beheersing van de kosten. Bij schending van de zorgplicht ligt het weliswaar voor de hand om aan te nemen dat VGZ verplicht is om financiële maatregelen te treffen om verzekerden toch zorg te laten ontvangen, maar dat betekent niet per definitie dat zij verplicht is om een overeenkomst te sluiten met een specifieke zorgaanbieder, laat staan dat zij wordt verplicht om die overeenkomst te sluiten met MoreCare Clinics. Hierin kan dan ook geen grondslag worden gevonden voor (toewijzing van) de primaire vordering van MoreCare Clinics.
3.9.
Ook is niet aannemelijk geworden dat de vergoeding die VGZ nu op grond van artikel 13 Zvw Pro betaalt, leidt tot een onrechtmatige toestand ten opzichte van MoreCare Clinics (die ongedaan gemaakt zou moeten worden door het aanbieden van een zorgovereenkomst). Volgens MoreCare Clinics ervaren verzekerden door de (volledige) coulanceregeling die zij hanteert weliswaar geen hinderpaal, maar volgt uit schakeljurisprudentie van de Hoge Raad over het hinderpaalcriterium dat dit niet betekent dat onder de gegeven omstandigheden geen sprake kan zijn van onrechtmatig handelen door de zorgverzekeraar richting de zorgaanbieder. Daarbij wijst zij er op dat VGZ een beroep op de hardheidsclausule standaard afwijst juist omdat MoreCare Clinics een coulanceregeling hanteert. MoreCare Clinics voert daarover verder aan dat zij die coulanceregeling louter in het leven heeft geroepen vanwege de weigering van VGZ om te contracteren en dat deze regeling een jaarlijkse kostenpost oplevert van bijna drie miljoen euro. Dit – aldus nog steeds MoreCare Clinics – is voor haar niet vol te houden maar zij kan deze regeling ook niet afschaffen omdat VGZ verzekerden dan zullen wegblijven vanwege de hoge kortingen die VGZ toepast. Vaststaat dat VGZ over 2026 in haar polissen een vergoedingspercentage van 60-80% van het gemiddeld gecontracteerde tarief hanteert en dat dit in beginsel is toegestaan. Volgens MoreCare Clinics is hier evenwel sprake van duurdere vormen van zorg en kan het hinderpaalcriterium dan aan het gebruik van een generiek kortingspercentage in de weg staan.
VGZ stelt daar tegenover dat het gehanteerde generieke vergoedingspercentage op zichzelf geoorloofd is. Verder voert zij aan dat zij een hardheidsclausule hanteert die ertoe strekt maatwerk te leveren. Van een feitelijke hinderpaal is dan geen sprake. Bij de hinderpaaltoets moet bovendien de coulanceregeling van MoreCare Clinics worden meegewogen. VGZ betwist dat MoreCare Clinics de huidige coulanceregeling moet hanteren om VGZ-verzekerden aan te trekken. MoreCare Clinics ook kan kiezen voor een gedeeltelijke in plaats van een volledige coulance, zoals ook andere niet gecontracteerde zorgaanbieders doen. Niet is gebleken dat VGZ verzekerden ook bij een gedeeltelijke coulance niet voor MoreCare Clinis zullen kiezen. Ook voert VGZ aan dat MoreCare Clinics bedrijfseconomisch niet onevenredig afhankelijk is van VGZ.
Dat sprake is van een schending van artikel 13 Zvw Pro die onrechtmatig is ten opzichte van MoreCare Clinics is, gelet op dit gemotiveerde verweer van VGZ, onvoldoende aannemelijk geworden. Uit jurisprudentie van de Hoge Raad [4] over het hinderpaalcriterium volgt immers dat een coulanceregeling, zoals die door MoreCare Clinics nu wordt gehanteerd, kan worden betrokken bij de vraag of verzekerden een hinderpaal ervaren. Niet in geschil is dat die hinderpaal gelet op die volledige coulanceregeling van MoreCare Clinics door verzekerden nu niet wordt ervaren. Dat ondanks het ontbreken van een hinderpaal voor verzekerden toch een onrechtmatige toestand op grond van het hinderpaalcriterium kan ontstaan jegens MoreCare Clinics vindt – in tegenstelling tot wat MoreCare Clinics aanvoert – geen bevestiging in de aangehaalde schakeljurisprudentie. In elk geval is er ook niets waaruit zou kunnen worden afgeleid dat verzekerden van VGZ wegblijven als MoreCareclinics geen coulanceregeling zou hebben. Dan komt immers ook de hardheidsclausule in beeld, waar dan (wel) een beroep kan worden gedaan. Die situatie doet zich nu nog niet voor en het gaat te ver om enkel op basis van ervaringen van verzekerden van VGZ die daar met betrekking tot andere behandelingen niet succesvol een beroep op hebben gedaan aan te nemen dat VGZ ook met betrekking tot de onderhavige behandelingen standaard nul op het rekest geeft. Bovendien ligt het meer voor de hand dat een dergelijke onrechtmatige toestand leidt tot het opleggen van een verplichting aan VGZ om tot verhoging van de vergoeding ex artikel 13 Zvw Pro over te gaan en niet tot een verplichting om te contracteren met MoreCare Clinics.
3.10.
Tot slot kan MoreCare Clinics ook niet worden gevolgd in haar betoog dat VGZ op grond van de redelijkheid en billijkheid gehouden is een contract aan te bieden. De (pre)contractuele verhouding tussen zorgverzekeraars en zorgaanbieders wordt weliswaar beheerst door de redelijkheid en billijkheid maar het kan geen grondslag vormen voor de gevorderde verplichting tot contractsluiting. De jurisprudentie die MoreCare Clinics in dit verband aanhaalt leidt niet tot een andere conclusie. Die zaken gaan juist over gecontracteerde zorg in combinatie met het aanbieden van reële tarieven en over de beëindiging van bestaande contractuele relaties. Dit betreffen dus bestaande contractuele verhoudingen waar de redelijkheid en billijkheid een rol kan spelen. Ook uit het door MoreCare Clinics aangehaalde vonnis van de rechtbank Midden-Nederland (ECLI:RBMNE:2015:9415) [5] volgt niet dat de redelijkheid en billijkheid een zelfstandige grond kan vormen voor een verplichting om met (nieuwe) zorgaanbieders te contracteren. Het beroep van MoreCare Clinics op de redelijkheid en billijkheid en de zorgvuldigheidsverplichting als grondslag voor de primaire vordering faalt dus. Uit het Integraal Zorgakkoord en het Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord vloeit evenmin een verplichting voort om met alle zorgaanbieders een contract te sluiten. Dit zou ook in strijd zijn met de contractsvrijheid en de regierol van de zorgverzekeraar.
3.11.
Bij deze stand van zaken zal de primaire vordering dan ook worden afgewezen. Te meer nu die vordering veel te ruim en niet voldoende bepaald is geformuleerd. Toewijzing zou er toe leiden dat VGZ verplicht zou worden om te contracteren tegen reële en marktconforme voorwaarden, terwijl niet duidelijk is geworden wat dit in concreto betekent. In elk geval kan VGZ niet worden verplicht om alle zorg die nu door MoreCare Clinics aan verzekerden van VGZ wordt geleverd onderdeel te laten zijn van die overeenkomst. Zoals reeds eerder is overwogen is VGZ vrij in de keuze van de zorgaanbieders die zij contracteert en zij kan niet worden gedwongen om een bepaalde hoeveelheid zorg bij één bepaalde zorgaanbieder, MoreCare Clinics, af te nemen.
Subsidiaire vordering
3.12.
Ook de subsidiaire vordering zal worden afgewezen. Gesteld noch gebleken is op basis waarvan MoreCare Clinics er gerechtvaardigd op heeft mogen vertrouwen dat er een contract voor 2026 met haar zou worden gesloten. Van een (begin van een) onderhandeling is immers niet gebleken. Bovendien heeft dooronderhandelen over een contract voor 2026 enkel zin indien VGZ bereid is het inkoopbeleid, te weten het criterium dat ziet op operatie van ASA 3 patiënten, terzijde te schuiven. VGZ heeft laten weten daartoe nu niet bereid te zijn. Onder deze omstandigheden heeft MoreCare Clinics dus ook geen belang bij toewijzing van deze vordering. MoreCare Clinics heeft ter zitting nog aan haar subsidiaire vordering toegevoegd dat VGZ moet worden veroordeeld om door te onderhandelen over afwijking van dit beleid. Dit heeft zij evenwel te laat naar voren gebracht en ook ontbreekt, zoals hiervoor overwogen, een grondslag voor toewijzing van een dergelijke vordering. De voorzieningenrechter ziet daarentegen wel aanleiding om VGZ op dit punt het volgende ten overvloede mee te geven.
Ten overvloede
3.13.
De kern van het geschil lijkt met name te zien op de weigering te contracteren op grond van het inkoopbeleid. Zoals reeds overwogen onder 3.7 is dit beleid volgens MoreCare Clinics achterhaald en heeft zij gemotiveerd waarom die beleid van tafel zou moeten. Ter zitting heeft een chirurg van MoreCare Clinics toegelicht dat zij nooit de mogelijkheid hebben gehad, ondanks verzoeken, om inhoudelijk over dit beleid met de medisch adviseurs van VGZ te spreken. Hij heeft verder toegelicht dat MoreCare Clinics deze mogelijkheid wel bij andere zorgverzekeraars heeft gehad en de gesprekken tussen haar medisch specialisten en de medisch adviseurs van deze zorgverzekeraars uiteindelijk tot contractsluiting hebben geleid. Ter zitting leek VGZ nog steeds niet voor een dergelijk gesprek open te staan. Gelet op het aantal VGZ-verzekerden dat MoreCare Clinics jaarlijks behandelt en de rol en taak van de zorgverzekeraar, kan de vraag worden gesteld of deze weigering van VGZ past bij de rol die zij vervult in het zorglandschap. .De voorzieningenrechter geeft VGZ daarom ten overvloede mee om haar weigering om op dit verzoek in te gaan te heroverwegen.
3.14.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de vorderingen van MoreCare Clinics zullen worden afgewezen.
Proceskosten
3.15.
MoreCare Clinics is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van VGZ worden begroot op:
- griffierecht
735,00
- salaris advocaat
1.177,00
- nakosten
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
2.101,00

5.De beslissing

De voorzieningenrechter
5.1.
wijst de vorderingen af,
5.2.
veroordeelt MoreCare Clinics in de proceskosten van € 2.101,00 te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als MoreCare Clinics niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
Dit vonnis is gewezen door mr. D.T. Boks en in het openbaar uitgesproken op 23 april 2026.
1780

Voetnoten

1.De ASA-classificatie is het American Society of Anesthesiologists classificatiesysteem voor de
2.MoreCare Clinic doet in dat verband een beroep op Gerechtshof Den Haag 14 oktober 2025, ECLI:NL:GHDHA:2025:2096.
3.MoreCare Clinics doet in dat verband een beroep op Hoge Raad 6 november 2015: ECLI:NL:HR:2015:3241.
4.Hoge Raad 9 december 2022, ECLI:NL:HR:2022:1789, r.o. 3.6.6.
5.Zie r.o. 4.9.