Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2026:4940

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
10 juni 2026
Publicatiedatum
23 juni 2026
Zaaknummer
25/4657
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.1 WaboArt. 6:19 AwbArt. 3:2 AwbArt. 7:11 AwbArt. 23.1.2 bestemmingsplan
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging last onder dwangsom parkeerplaatsen wegens onvoldoende onderzoek en motivering

Eisers, bewoners van een perceel in de gemeente Bronckhorst, kregen van het college lasten onder dwangsom opgelegd vanwege overtredingen van het bestemmingsplan, waaronder te veel bijgebouwen, kantooractiviteiten en het gebruik van parkeerplaatsen. Na eerdere procedures en een vernietiging van een eerdere beslissing, legde het college op 2 september 2025 nieuwe lasten op.

De rechtbank oordeelt dat de beroepsgronden van eisers tegen de bouwwerken en kantooractiviteiten niet slagen. Het college heeft voldoende gemotiveerd dat de oppervlakte van de bijgebouwen de toegestane 150 m2 overschrijdt en dat het kantoorgebruik de toegestane 40% van de bruto vloeroppervlakte overschrijdt. Het controlerapport van de toezichthouder wordt als betrouwbaar beschouwd.

Voor de parkeerplaatsen oordeelt de rechtbank echter dat het college onvoldoende feiten heeft vastgesteld om te bewijzen dat deze in strijd met het bestemmingsplan worden gebruikt. De last onder dwangsom is gebaseerd op een aanname en niet op concrete waarnemingen. Daarom wordt dit deel van de beslissing vernietigd en moet het college een nieuw besluit nemen na nader onderzoek.

De overige lasten blijven gehandhaafd. Het college wordt veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eisers. De uitspraak is gedaan door rechter M. Duifhuizen op 10 juni 2026.

Uitkomst: De last onder dwangsom voor parkeerplaatsen wordt vernietigd wegens onvoldoende onderzoek, de overige lasten blijven gehandhaafd.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 25/4657

uitspraak van de enkelvoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiser] en [eiseres], uit [plaats], eisers

(gemachtigde: mr. D. Pool),
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Bronckhorst

(gemachtigde: M. Klein Gebbink).

Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [derde-partij 1] en [derde-partij 2], uit [plaats]

(gemachtigde: mr. I.P.A. van Heijst).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de aan eisers opgelegde lasten onder dwangsom. Eisers zijn het hier niet mee eens en voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de beroepsgronden over de bouwwerken en de kantooractiviteiten niet slagen. Daarnaast oordeelt de rechtbank dat het onderzoek naar de overtreding die ziet op het gebruik van de parkeerplaatsen gebrekkig is. Het beroep is daarom gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Met de beslissing op bezwaar van 2 september 2025 heeft het college, opnieuw beslissend op het bezwaar van eisers tegen een handhavingsbesluit van 6 september 2023, aan eisers vier lasten onder dwangsom opgelegd.
2.1.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen de beslissing op bezwaar.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 14 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers, de gemachtigde van eisers, de gemachtigde van het college samen met [persoon A] en [persoon B], de derde-partij en de gemachtigde van de derde-partij. De rechtbank heeft het beroep gelijktijdig op zitting behandeld met de procedures ARN 25/3495, ARN 25/3497 ARN 25/5363 en ARN 25/5495.
Beoordeling door de rechtbank
Waar gaat deze zaak over?
3. Eisers wonen aan de [locatie 1] in [plaats]. Naar aanleiding van een handhavingsverzoek van de derde-partij, woonachtig aan de [locatie 2] in [plaats], heeft het college op 6 september 2023 aan eisers acht lasten onder dwangsom opgelegd. Hierin heeft het college eisers gelast om:
i. de bij de paardrijbak geplaatste spiegelwand te verwijderen en verwijderd te houden,
ii. de gerealiseerde schuilgelegenheid te verwijderen en verwijderd te houden,
iii. de geplaatste afrastering te verwijderen en verwijderd te houden,
iv. de bijbehorende bouwwerken binnen de bestemming ‘Wonen-1’ terug te brengen tot maximaal 150 m².
v. het klinkerpad naar de paardrijbak te verwijderen en verwijderd houden,
vi. de gerealiseerde uitweg te verwijderen en verwijderd te houden,
vii. de parkeerplekken bij het kantoor te verwijderen en verwijderd te houden, en
viii. de landschapsinrichting uit te voeren zoals in 2022 is vergund.
3.1.
Met de eerste beslissing op bezwaar van 9 juli 2024 heeft het college de lasten gedeeltelijk ingetrokken. De lasten zijn gehandhaafd voor zover deze zien op de gerealiseerde schuilgelegenheid, de bijbehorende bouwwerken binnen de bestemming Wonen – 1 en de uitweg. Verder heeft het college eisers gelast om de paardenstal te verwijderen of zo aan te passen dat alle bebouwing buiten het bouwvlak wordt verwijderd.
3.2.
Tegen de beslissing op bezwaar hebben eisers en de derde-partij beroep ingesteld.
3.3.
Met de uitspraak van 4 maart 2025 [1] heeft de rechtbank de beroepen gegrond verklaard en het college opgedragen opnieuw op de bezwaren te beslissen. De rechtbank heeft beslissing op bezwaar van 9 juli 2024 vernietigd, met uitzondering van het deel van de last dat bepaalt dat eisers de tweede uitweg moeten verwijderen en verwijderd houden.
3.4.
Met de beslissing op bezwaar van 2 september 2025 heeft het college besloten dat er geen overtreding meer is voor wat betreft de schuilstal, omdat het college daar op
10 juli 2025 een omgevingsvergunning voor heeft verleend.
3.5.
Het college heeft met de beslissing op bezwaar van 2 september 2025 een last onder dwangsom opgelegd aan eisers voor de op het perceel aanwezige bijbehorende bouwwerken. De toezichthouder van het college heeft op 23 en 28 april 2025 de bouwwerken opgemeten. Het gaat om de volgende aanwezige bijbehorende bouwwerken:
a. kantoor van 104,31 m2;
b. schuur van 186,97 m2;
c. overkapping van 31,44 m2;
d. tuinhuis van 28,98 m2;
e. stal inclusief noodstal van 110,19 m2;
f. hooiberg van 52,78 m2.
Daarbij heeft de toezichthouder geconstateerd dat de schuur gedeeltelijk op het perceel van [locatie 3] staat.
Het college heeft eisers gelast de totaaloppervlakte aan bijbehorende bouwwerken op het achtererfgebied behorende bij [locatie 1] terug te brengen naar maximaal 150 m2. [2] Het college heeft een begunstigingstermijn gegeven tot 2 november 2025. Is de overtreding dan niet beëindigd, dan verbeuren eisers een dwangsom van € 5.000,- ineens.
3.6.
Voor de paardenstal geldt aanvullend dat deze gedeeltelijk binnen de woonbestemming en gedeeltelijk binnen de agrarische bestemming is gebouwd. Volgens het college is dit niet toegestaan en is er daarom sprake van een overtreding van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a en c, van de Wabo. Eisers kunnen de overtreding beëindigen door de paardenstal te verwijderen of het bouwwerk zodanig aan te passen dat alle bebouwing buiten de grens van het achtererfgebied/bestemmingsvlak wordt verwijderd. Ook dit moeten eisers voor 2 november 2025 doen, anders verbeuren zijn een dwangsom van
€ 5.000,- ineens.
3.7.
Voor wat betreft de kantooractiviteiten heeft het college geconstateerd dat de gehele ruimte van 104,31 m² gebruikt wordt als kantoor. Dat voldoet volgens het college niet aan de regels van het bestemmingsplan voor aan huis verbonden bedrijfsactiviteiten. Er is daarom sprake van een overtreding van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo. Eisers kunnen de overtreding beëindigen door maximaal 41,2 m2 van bijgebouw A te gebruiken ten behoeve van het bedrijf aan huis. Dit moeten zij voor 2 november 2025 doen, anders wordt een dwangsom verbeurd van € 5.000,- ineens.
3.8.
Voor wat betreft de parkeerplekken meent het college dat deze gebruikt worden ten behoeve van het kantoor. Dat voldoet niet aan de regels van het bestemmingsplan, zodat er sprake is van een overtreding van artikel 2.1, eerste lid 1, aanhef en onder b en c, van de Wabo. Ook deze overtreding moeten eisers voor 2 november 2025 beëindigen, anders verbeuren zij een dwangsom van € 5.000,-.
3.9.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen de beslissing op bezwaar van 2 september 2025.
3.10.
Met het besluit van 21 oktober 2025 heeft het college de begunstigingstermijn verlengd tot zes weken na de uitspraak op het beroep. [3] Hiertegen heeft de derde-partij beroep ingesteld en gelijktijdig verzocht om een voorlopige voorziening. Hierover gaan de procedures met zaaknummers ARN 25/5363 en 25/5495.
Nieuwe gronden na eerdere vernietiging
4. Eisers doen een beroep op het overgangsrecht ten aanzien van de last onder dwangsom die ziet op het teveel aan bijbehorende bouwwerken op het perceel. In het bestemmingsplan “Buitengebied Hengelo/Vorden 2005”, hoofdstuk IV, artikel 17, is bepaald:
“de voormalige bestaande agrarische functie mag tot een maximale oppervlakte van 200 m2 worden voortgezet ten behoeve van het hobbymatig houden van dieren”. Volgens eisers is 200 m2 aan bijbehorende bouwwerken op het perceel onder het overgangsrecht gebracht, toen de woningen op nummer 23 en 23a werden omgezet naar een woonbestemming. Het college heeft volgens eisers verzuimd om rekening te houden met de beschermende werking van het overgangsrecht.
4.1.
Voor wat betreft de last onder dwangsom die ziet op de paardenstal, betogen eisers dat op 17 oktober 1966 een omgevingsvergunning is verleend voor de bouw van een graanschuur op het perceel [perceelnummer]. Door de inwerkingtreding van het bestemmingsplan “Landelijk Gebied Bronckhorst” is het bestemmingsvlak kleiner geworden dan de in 1966 vergunde schuur. Door de last onder dwangsom moet nu een hoekje van de paardenstal gesloopt worden dat buiten de bestemming “Wonen” ligt. Volgens eisers is de paardenstal in 2019 vernieuwd en daardoor lijkt het groter dan de in 1966 vergunde schuur. Het gaat volgens eisers alleen om een groter overstek.
4.2.
Zoals hiervoor onder 3.3. is aangegeven heeft de rechtbank met de uitspraak van 4 maart 2025 de eerste beslissing op bezwaar vernietigd. Tegen die uitspraak is geen hoger beroep ingesteld, zodat de uitspraak in rechte vast staat. Volgens vaste rechtspraak kan tegen een nieuw besluit op bezwaar geen beroepsgronden worden aangevoerd, die ook tegen de oorspronkelijke beslissing op bezwaar aangevoerd hadden kunnen – en dus ook moeten – worden. [4]
4.3.
De rechtbank stelt vast dat eisers deze beroepsgronden niet hebben aangevoerd tegen de eerste beslissing op bezwaar. De bijbehorende bouwwerken, inclusief de paardenstal, maakten ook onderdeel uit van de last onder dwangsom van 9 juli 2024. In de eerste beslissing op bezwaar heeft het college deze lasten, met een aanvulling van de motivering, in stand gelaten. Er is geen sprake van gewijzigde omstandigheden waaruit blijkt dat eisers deze beroepsgronden niet eerder hadden kunnen aanvoeren. De rechtbank daarom komt daarom niet toe aan de inhoudelijke bespreking van deze beroepsgronden.
Is er sprake van een overtreding voor wat betreft de bijbehorende bouwwerken?
5. Volgens het college is binnen de bestemming “Wonen – 1” maximaal 100 m2 aan bijbehorende bouwweren bij de woning toegestaan. [5] Zonder omgevingsvergunning mag er maximaal 150 m2 aan bijbehorende bouwwerken gebouwd worden, omdat het bebouwingsgebied van eisers groter is dan 300 m2. [6] Volgens het college staat er in totaal 355,98 m2 aan bijbehorende bouwwerken op het perceel van eisers. Het college heeft eisers gelast het totale oppervlak aan bijbehorende bouwwerken terug te brengen naar maximaal 150 m2.
Achtererfgebied
6. Eisers betogen dat het achtererfgebied onjuist is bepaald. Het achtererfgebied is volgens eisers een deel van het erf dat niet wordt bepaald door het bouwvlak. Dat volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 7 augustus 2024. [7] Uit die uitspraak volgt dat het bouwvlak als planologisch begrip geen rol speelt bij de bepaling van het achtererfgebied. Het college is volgens eisers ten onrechte uitgegaan van het bouwvlak. Zij menen dat de feitelijke situatie relevant is voor de bepaling van het achtererfgebied. Op de zitting hebben eisers betoogd dat het gebruik al jaren ten behoeve van de woonbestemming is.
6.1.
Het gedeelte van het perceel waar de woning van eisers staat heeft op grond van het bestemmingsplan “Landelijk gebied Bronckhorst” de bestemming “Wonen - 1”. De paardenstal is voor een gedeelte gerealiseerd binnen de woonbestemming en voor een gedeelte binnen de bestemming “Agrarisch met waarden - Landschap”. Dat staat tussen partijen niet ter discussie. De agrarische gronden zijn bestemd voor onder andere behoud, herstel en ontwikkeling van landschapswaarden, maar ook voor de uitoefening van een agrarisch bedrijf.
6.2.
Een op de grond staand bijbehorend bouwwerken kan op grond van artikel 2, aanhef en onderdeel 3, van bijlage II bij het Bor onder voorwaarden zonder omgevingsvergunning in het achtererfgebied gebouwd worden. Voor het antwoord op de vraag of een deel van het perceel onderdeel uitmaakt van het achtererfgebied, is van belang of het kan worden aangemerkt als erf in de zin van artikel 1, eerste lid, van bijlage II bij het Bor. Een erf is in dat artikel als volgt gedefinieerd:
“al dan niet bebouwd perceel, of een gedeelte daarvan, dat direct is gelegen bij een hoofdgebouw en dat in feitelijk opzicht is ingericht ten dienste van het gebruik van dat gebouw, en voor zover een bestemmingsplan of een beheersverordening van toepassing is, deze die inrichting niet verbieden”.Als een bestemmingsregeling gepaard gaat met belemmeringen om een perceel of delen van een perceel te gebruiken en feitelijk in te richten ten dienste van het hoofdgebouw (in dit geval de woning), is er geen sprake van een erf. [8]
6.3.
De rechtbank oordeelt dat het college terecht heeft besloten dat het gedeelte van de paardenstal dat binnen de agrarische bestemming is gebouwd niet op de gronden staat die zijn aan te merken als ‘erf’ zoals bedoeld in artikel 1, eerste lid, van bijlage II bij het Bor. Het bestemmingsplan laat de inrichting van de gronden met de agrarische bestemming als erf niet toe. Of het feitelijk gebruik ten behoeve van de woonbestemming is, is vanwege deze strijd met het bestemmingsplan niet van belang. Omdat er geen sprake is van een erf, is er ook geen sprake van een achtererfgebied. Het gedeelte van de paardenstal dat binnen de agrarische bestemming valt, kan alleen om die reden al niet zonder omgevingsvergunning worden opgericht. De verwijzing van eisers naar de uitspraak van de Afdeling van 7 augustus 2024 maakt dat niet anders. In die procedure was de vraag of sprake is van een ‘erf’ niet aan de orde. De beroepsgrond slaagt niet.
Totaal oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken
7. Op 28 mei 2025 heeft het college de bebouwing op het perceel van eisers opnieuw opgemeten. Eisers betogen dat de bebouwing ongewijzigd is sinds de eerdere meting in 2023. Toch zit er een groot verschil in de metingen van het college. Eisers hebben daarom de bebouwing laten opmeten door Rappr. In onderstaande tabel geven eisers een overzicht van de verschillen in de metingen:
Hieruit blijkt volgens eisers dat de toezichthouder van het college niet goed gemeten heeft.
7.1.
Het college stelt zich op het standpunt dat de bijbehorende bouwwerken in zijn meting buitenwerks zijn opgemeten conform de meetvoorschriften van artikel 1, tweede lid, aanhef en onder c, van het Bor. Het rapport van Rappr gaat echter uit van het bruto vloeroppervlak. Dat is niet hoe de oppervlakte van de bouwwerken moet worden gemeten. Op de zitting heeft het college nader toegelicht dat het verschil in de metingen in de besluiten van 6 september 2023 en 2 september 2025 volgt uit de wijze van meten volgens het bestemmingsplan. Voor de last onder dwangsom in 2023 heeft het college de hooiberg en overkapping niet meegenomen, omdat hiervoor in het bestemmingsplan een andere regeling geldt dan de regeling voor bijbehorende bouwwerken op grond van bijlage II bij het Bor. Omdat de hooiberg en overkapping niet voldoen aan de regels van het bestemmingsplan, heeft het college voor de nu aan de orde zijnde last onder dwangsom gekeken naar de maximale vergunningvrije mogelijkheden. De hooiberg en carport tellen voor de toepassing van artikel 2, onderdeel 3, van bijlage II bij het Bor wel mee in de vierkante meters. Het college heeft verder toegelicht dat er ook een verschil in de metingen zit vanwege de overstekken.
7.2.
De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet ter discussie staat dat er meer dan 150 m2 aan bijbehorende bouwwerken aanwezig is in het achtererfgebied. Er is daarom sprake van de door het college geconstateerde overtreding. De rechtbank oordeelt verder dat het college voldoende gemotiveerd heeft waardoor er verschillen in de meting uit 2023 en 2025 zijn veroorzaakt. Dat eisers een meetrapport hebben laten opstellen door Rappr geeft voor de rechtbank onvoldoende aanleiding voor het oordeel dat de metingen van het college onjuist zijn. Uit de metingen van Rappr blijkt dat binnenwerks gemeten is en overstekken niet zijn meegeteld, waar deze groter zijn dan 0,5 meter. Dat is niet in overeenstemming met artikel 1, tweede lid, aanhef en onder c, van het Bor. De beroepsgrond slaagt niet.
Is er sprake van een overtreding voor wat betreft de kantooractiviteiten?
8. Eisers betogen dat het college onvoldoende heeft gemotiveerd dat meer vierkante meters van het bijgebouw worden gebruikt voor de kantooractiviteiten dan is toegestaan. Het controlerapport waarop het college zijn standpunt baseert, bevat meerdere onjuistheden. Zo wordt de aanwezigheid van een vaste wand tussen de twee ruimtes niet genoemd. Ook wordt niet genoemd dat er een bankstel en persoonlijke foto’s aanwezig is in het voorste gedeelte. De toezichthouder heeft ook verschillende constateringen gedaan van dezelfde situatie. Op 24 mei 2024 heeft de toezichthouder geconstateerd dat de oppervlakte van het gebruik voor kantoor niet meer bedraagt dan de toegestane hoeveelheid vierkante meters. Op 23 mei 2025 geeft de toezichthouder opeens aan dat het hele gebouw voor kantoor wordt gebruikt. Eisers begrijpen niet hoe de last onder dwangsom gebaseerd kan zijn op een enkele verklaring van de toezichthouder, die ook afwijkt van de verklaring van een jaar eerder over dezelfde situatie. Eisers betogen verder dat het college in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel handelt door aan te geven dat maximaal 41,7 m2 van het bijgebouw voor kantoor gebruikt mag worden. In de eerste beslissing op bezwaar gaf het college nog aan dat het maximaal 50 m2 mag zijn.
8.1.
Volgens het college heeft het bijgebouw een oppervlakte van 104,31 m2. Daarvan mag volgens het bestemmingsplan maximaal 40% voor aan huis verbonden bedrijf, in dit geval kantoor, worden gebruikt. Verder blijkt uit het controlerapport dat het bijgebouw als één ruimte moet worden aangemerkt. Er is geen vaste wand, maar een schuifdeur waardoor het bijgebouw in twee ruimtes kan worden opgedeeld. Volgens de toezichthouder van het college leek het bijgebouw op één grote ruimte en functioneert het ook als zodanig. In het achterste gedeelte bevinden zich zes werkplekken, een kast met archiefmappen, een rek met jassen bedrukt met bedrijfsreclame. In het voorste gedeelte bevinden zich een keukenblok met aanrecht, tafel en stoelen. Ook is daar een toilet- en een doucheruimte. Aan de wand in het voorste gedeelte hangen een planbord en een whiteboard met daarop onder andere namen van de medewerkers en hun bedrijfsactiviteiten. Alleen daaruit al valt volgens het college op te maken dat ook het voorste gedeeltelijk feitelijk wordt gebruikt ten behoeve van het kantoor. Verder blijkt uit de controle van de toezichthouder dat in het achterste gedeelte geen toiletvoorziening aanwezig is, zodat de medewerkers de toilet in het voorste gedeelte moeten gebruiken. Ook is geconstateerd dat de doucheruimte gebruikt werd voor opslag van bedrijfsspullen.
Bestemmingsplanregels
8.2.
Op grond van artikel 23.1.2 onder a van het bestemmingsplan is het gebruik van een woning en/of een bijbehorend bouwwerk en bij de woning behorende gronden voor de uitoefening van een aan huis verbonden activiteit toegestaan, mits wordt voldaan aan de volgende bepalingen:
1. (…);
7. bij een aan huis verbonden beroep en een aan huis verbonden bedrijf mag maximaal 40% van de bruto vloeroppervlakte (bvo) worden gebruikt tot een maximum van 50 m2;
(…)
8.3.
Volgens artikel 2.8 van het bestemmingsplan gaat het bij de bvo om de oppervlakte van een ruimte of een groep ruimten, gemeten op vloerniveau langs de buitenomtrek van de opgaande scheidingsconstructies, die de desbetreffende ruimte of groep van ruimten omhullen.
8.4.
De rechtbank oordeelt dat het college in de last onder dwangsom terecht uitgaat van maximaal 40% van de bvo. Het bijgebouw van eisers heeft een bvo van 104,31 m2. Dat betekent dat maximaal 41,72 m2 van het bijgebouw voor kantooractiviteiten gebruikt mag worden. Het maximum van 50 m2 uit de planregel is alleen aan de orde in het geval dat 40% van de bvo meer bedraagt dan 50 m2. Dat het college in de eerste beslissing op bezwaar heeft aangegeven niet te gaan handhaven, omdat de oppervlakte van het gebruik van het bijgebouw voor kantoor niet meer bedraagt dan de toegestane 50 m2 geeft geen aanleiding voor het oordeel dat de nu opgelegde last in strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel. Nadat het beroep van de derde-partij tegen de eerste last onder dwangsom op dit punt gegrond was verklaard in de uitspraak van 4 maart 2025, heeft het college in het nu voorliggende besluit opnieuw beoordeeld of een overtreding van het bestemmingsplan plaatsvindt. Daarbij is het terecht uitgegaan van de mogelijkheden die het bestemmingsplan biedt. Van een aan het college toerekenbare toezegging dat eisers 50 m² mochten gebruiken als kantoorruimte is niet gebleken. De uitleg van het bestemmingsplan past binnen de volledige heroverweging in bezwaar. [9] De beroepsgrond slaagt niet.
Controlerapport
8.5.
Volgens vaste rechtspraak mag een bestuursorgaan in beginsel uitgaan van de juistheid van de bevindingen in een op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakt en ondertekend proces-verbaal, voor zover deze eigen waarnemingen van de opsteller van het proces-verbaal weergeven. Als de bevindingen worden betwist, moet worden onderzocht of er, gelet op de aard en inhoud van die betwisting, grond bestaat voor zodanige twijfel aan die bevindingen dat deze niet of niet volledig aan de vaststelling van de overtreding ten grondslag kunnen worden gelegd. [10]
8.6.
De rechtbank ziet in dat wat eisers betogen geen aanleiding voor het oordeel dat het controlerapport niet deugt. Eisers hebben niet aangetoond dat sprake is van een vaste wand, waardoor er twee aparte ruimtes zijn. Op de foto’s bij het controlerapport is te zien dat op dat moment de schuifdeur open stond, waardoor het geheel één grote ruimte vormt. Dat duidt niet op een vaste wand, zoals eisers betogen. Daarbij komt dat uit het controlerapport volgt dat ook in het voorste gedeelte kantoor gerelateerde voorzieningen aanwezig waren, zoals het whiteboard en de opslag in de doucheruimte. Dat in het controlerapport niet genoemd wordt dat er ook een bankstel en persoonlijke foto’s aanwezig waren, maakt ook niet dat het rapport niet deugt. Het aanwezig hebben van een bankstel en foto’s, zegt niet iets over de vraag of het bijgebouw geheel of gedeeltelijk wordt gebruikt als kantoor. Het betoog dat het controlerapport niet deugt omdat de toezichthouder een jaar eerder andere constateringen heeft gedaan, volgt de rechtbank ook niet. Er zit een jaar tussen de controlemomenten. Het is daarom niet ondenkbaar dat de situatie, gezien het tijdsverloop, anders is. Eisers hebben met hun betwisting van het controlerapport niet aangetoond dat er sinds de eerste constatering niets is veranderd. De rechtbank oordeelt dat uit het controlerapport van de toezichthouder voldoende volgt dat het bijgebouw op dat moment volledig in gebruik was voor kantooractiviteiten. Omdat dit meer is dan de maximaal toegestane m2’s voor een bedrijf aan huis, is er sprake van een overtreding. De beroepsgrond slaagt niet.
Is er sprake van een overtreding voor wat betreft de parkeerplaatsen?
9. Eisers betogen dat de last is opgelegd op basis van de aanname dat de parkeerplekken ten dienste van het kantoor zijn. Een last onder dwangsom mag volgens eisers niet worden opgelegd op basis van een aanname.
9.1.
Het college stelt zich op het standpunt dat nu gebleken is dat de kantooractiviteiten niet voldoen aan het bestemmingsplan, de parkeerplaatsen ook niet ten dienste van woondoeleinden worden gebruikt. Er is door eisers nooit betwist dat de parkeerplekken ten dienste van het kantoor staan. De rechtbank heeft in de uitspraak van 4 maart 2025 ook het verband tussen het kantoor en de parkeerplaatsen bevestigd. Bovendien hebben eisers volgens het college zelf aangegeven dat sprake is van parkeergelegenheid voor bezoekers van het kantoor.
9.2.
De parkeerplaatsen liggen op de gronden met de agrarische bestemming. Het college heeft zich bij de eerste beslissing op bezwaar op het standpunt gesteld dat er geen sprake is van een overtreding voor wat betreft het gebruik van de parkeerplaatsen, omdat het gebruik hiervan onder het overgangsrecht valt. Hiertegen heeft de derde-partij beroep ingesteld. Met de uitspraak van de 4 maart 2025 heeft de rechtbank het beroep van de derde-partij gegrond verklaard en het college opgedragen opnieuw op de bezwaren te beslissen.
9.3.
Op grond van artikel 3:2 van Pro de Algemene wet bestuursrecht moet het college de relevante feiten vaststellen op grond waarvan kan worden vastgesteld dat er sprake is van een overtreding. [11] De rechtbank stelt vast dat het college niet zelf geconstateerd heeft hoe de parkeerplaatsen gebruikt worden. De enkele aanname dat, nu de kantoorruimte in strijd met het bestemmingsplan wordt gebruikt, ook de parkeerplaatsen daarom in strijd met het bestemmingsplan worden gebruikt, is niet voldoende om een overtreding vast te stellen. Uit de uitspraak van de rechtbank van 4 maart 2025 volgt ook niet dat het gebruik van de parkeerplaatsen direct verband houdt met het gebruik van het kantoor. Er staat in overweging 16.2:
“Nu onvoldoende duidelijk is welke activiteiten ter plaatse plaatsvinden kan tevens niet worden vastgesteld dat de parkeerplaatsen ten dienste van woondoeleinden worden gebruikt. Reeds daarom is het bestreden besluit op dit punt onvoldoende zorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd.”Deze overweging ontslaat het college niet van de verplichting om de relevante feiten vast te stellen die nodig zijn om tot een constatering te kunnen komen dat de parkeerplaatsen in strijd met het bestemmingsplan worden gebruikt. De beroepsgrond slaagt.

Conclusie en gevolgen

10. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met het zorgvuldigheidsbeginsel, voor zover dat ziet op de last onder dwangsom vanwege het gebruik van de parkeerplaatsen. De rechtbank vernietigt daarom de beslissing op bezwaar voor zover daarbij de last onder dwangsom is opgelegd vanwege het gebruik van de parkeerplaatsen. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit, voor zover dat wordt vernietigd, in stand te laten of zelf een beslissing hierover te nemen. Dit omdat het college eerst zelf de relevante feiten moet vergaren op grond waarvan kan worden vastgesteld dat er sprake is van een overtreding. Ook draagt de rechtbank niet aan het college op om het gebrek te herstellen met een betere motivering of een ander besluit (een zogenoemde bestuurlijke lus). Dit omdat nader onderzoek nodig is. Als blijkt dat sprake is van een overtreding, moet het college vervolgens afwegen of hij handhavend gaat op treden. Het kan ook zijn dat geen overtreding geconstateerd wordt, mede gelet op de last onder dwangsom vanwege het gebruik van het kantoor. De rechtbank bepaalt daarom dat het college een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. Omdat het beslissing op bezwaar alleen wordt vernietigd voor zover het gaat om het gebruik van de parkeerplaatsen, blijft het voor het overige in stand. Dat betekent dat de opgelegde last ten aanzien van de bouwwerken, de paardenstal en de kantooractiviteiten in stand blijven.
10.1.
Omdat het beroep gegrond is moet het college het griffierecht aan eisers vergoeden en krijgen eisers ook een vergoeding van hun proceskosten.
Het college moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eisers een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de beslissing op bezwaar van 2 september 2025 voor zover dat ziet op de last onder dwangsom vanwege het gebruik van de parkeerplaatsen;
- draagt het college op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
- bepaalt dat het college het griffierecht van € 194,- aan eisers moet vergoeden;
- veroordeelt het college tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eisers.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Duifhuizen, rechter, in aanwezigheid van D. van Til, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zaaknummers ARN 24/5930, ARN 24/5438 en ARN 24/5981, niet gepubliceerd.
2.Overtreding van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a en c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).
3.Op grond van artikel 6:19 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
4.Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 17 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2853 r.o. 12.
5.Artikel 23.3.5, sub a, van het bestemmingsplan.
6.Artikel 2, onderdeel 3, van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht (Bor).
8.Uitspraak van de Afdeling van 21 februari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:732.
9.Artikel 7:11 van Pro de Awb.
10.Uitspraak van de Afdeling van 17 april 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1254.
11.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 17 november 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2574.