ECLI:NL:RBGEL:2026:4926

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
22 juni 2026
Publicatiedatum
22 juni 2026
Zaaknummer
AWB-26_2713
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:4 AwbArt. 7 WwmArt. 9 WwmArt. 12 Wwm
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening tegen intrekking beheerderschap en vervoersverlof wapens

Verzoeker, beheerder van een bedrijf met erkenning voor het hanteren en vervoeren van wapens en munitie, kreeg zijn beheerderschap en vervoersverlof ingetrokken door de korpschef na het aantreffen van een vuurwapen in zijn handbagage op Schiphol. Verzoeker betwistte dit besluit en vroeg om een voorlopige voorziening.

De voorzieningenrechter oordeelde dat de korpschef terecht vrees voor misbruik kon aannemen vanwege de onzorgvuldigheid van verzoeker, ondanks diens jarenlange ervaring en het feit dat het meenemen van het wapen een menselijke vergissing was. De intrekking was geschikt en noodzakelijk om de maatschappij te beschermen.

Echter, de korpschef had onvoldoende onderbouwd waarom niet volstaan kon worden met een minder ingrijpende maatregel zoals een waarschuwing. Hierdoor had het bezwaar een redelijke kans van slagen en was schorsing van het besluit op zijn plaats.

De voorzieningenrechter schorst het besluit tot zes weken na de beslissing op het administratief beroep, wijst het verzoek toe en veroordeelt de korpschef tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.

Uitkomst: Het besluit tot intrekking van het beheerderschap en vervoersverlof wordt geschorst wegens onvoldoende onderbouwing van de noodzaak van intrekking.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 26/2713

uitspraak van de voorzieningenrechter van

in de zaak tussen

[verzoeker] , uit [plaats 1] , verzoeker

(gemachtigden: mr. J.J. Molenaar en mr. J.P.H. de Bruijn),
en

De Minister van Veiligheid en Justitie

Als derde-partij neemt aan de zaak deel: De Korpschef.
(gemachtigden: drs. mr. S.A.J. Wezendonk en R.P. Barendrecht LLB).

Samenvatting

1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over het besluit van de korpschef om de vermelding van verzoeker als beheerder op de erkenning van [naam bedrijf] en het verlof tot vervoer in te trekken. Verzoeker is het hier niet mee eens. Hij heeft administratief beroep ingesteld en verzoekt om een voorlopige voorziening te treffen. Daartoe voert hij een aantal gronden aan.
1.1.
De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of zij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Deze vraag beantwoordt zij aan de hand van de gronden van verzoeker.
1.2.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek toe. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.3.
Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

Procesverloop

2. Met het bestreden besluit van 30 april 2026 – aangevuld 20 mei 2026 – heeft de korpschef de vermelding van verzoeker als beheerder op de erkenning van [naam bedrijf] en het verlof tot vervoer ingetrokken
.Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
2.1.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 5 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker en zijn partner, mr. J.J. Molenaar en [persoon A] , deskundige (Phoenix Global Guidance B.V.). De minister heeft zich met kennisgeving niet laten vertegenwoordigen. De korpschef heeft zich laten vertegenwoordigen door de gemachtigden.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Totstandkoming van het besluit
3. Verzoeker is in de hoedanigheid van beheerder bijgeschreven op de erkenning die op 07 juli 2025 is afgegeven aan het bedrijf van verzoeker - [naam bedrijf] B.V. (hierna [naam bedrijf] ) - tot het bedrijfsmatig hanteren van wapens en munitie, met de daarbij behorende bevoegdheid tot het vervoeren van de in de bedrijfsvoorraad opgenomen wapens en/of munitie. Aan [naam bedrijf] is ook een verlof tot vervoer van (vuur)wapen verleend. Verzoeker staat op het verlof vermeld als daadwerkelijk vervoerder.
4. Op dinsdag 9 december 2025 stond verzoeker rond 15.05 uur bij de securitycheck op de luchthaven Schiphol. Hierbij is door de medewerkers van de Gewapende Beveiliging Burgerluchtvaart (GBB) in zijn handbagage een op een vuurwapen gelijkend voorwerp met munitie aangetroffen. Verzoeker verklaarde ten overstaan van de GBB dat het een echt vuurwapen betrof en dat het wapen (een pistool van het merk "SPRlNGFlELD ARMORY, type "HellCat Pro”) in half-geladen toestand in een daarvoor bestemd holster in zijn rugzak zat.
4.1. Op 22 januari 2026 heeft de korpschef kenbaar gemaakt voornemens te zijn de erkenning tot het bedrijfsmatig hanteren van wapens en munitie, met de daarbij behorende bevoegdheid tot het vervoeren van de in de bedrijfsvoorraad opgenomen wapens en/of munitie en het verlof tot vervoer van een (vuur)wapen in te trekken. Verzoeker heeft tegen dit voornemen een zienswijze ingediend.
4.2. Met het bestreden besluit heeft de korpschef het beheerderschap van verzoeker op de erkenning van [naam bedrijf], alsmede zijn verlof tot vervoer ingetrokken op grond van artikel 12, aanhef en onder b van de Wet Wapens en Munitie (Wwm). De korpschef stelt zich op het standpunt dat sprake is van vrees voor misbruik van wapens en munitie, dan wel dat verzoeker het onder zich hebben van wapens en munitie niet langer kan worden toevertrouwd.
Op de zitting heeft de korpschef gesteld dat hij, gelet op de zienswijze, in de gevolgen die de intrekking heeft voor het bedrijf van verzoeker aanleiding heeft gezien niet de gehele erkenning in te trekken, maar alleen het beheerderschap van verzoeker.
Toetsingskader5. Op grond van het bepaalde in artikel 9, eerste lid, van de Wwm is het verboden zonder erkenning een wapen of munitie te vervaardigen, te transformeren of in de uitoefening van een bedrijf uit te wisselen, te verhuren of anderszins ter beschikking te stellen, te herstellen, te beproeven of te verhandelen. Dit verbod is ook van toepassing op het onderhandelen over of regelen van transacties voor de aankoop, verkoop of levering van wapens of munitie of het organiseren van de overbrenging van wapens of munitie binnen, naar of vanuit een lidstaat van de Europese Unie.
Op grond van artikel 9, tweede lid van de Wwm is de korpschef bevoegd tot het verlenen en intrekken van een erkenning. Voorts kan de korpschef, indien een redelijk belang dit vordert, bepalen dat de erkenning tevens inhoudt het vervoer van wapens en munitie van de categorieën ll en lll.
Ingevolge het derde lid heeft een erkenning uitsluitend betrekking op de daarin genoemde handelingen, soorten wapens en munitie en bedrijfseenheden. Indien de handelingen worden verricht in de uitoefening van een bedrijf, strekt de werking van de erkenning zich mede uit tot de beheerder.
Op grond van artikel 12, aanhef en onder b van de Wwm kan een erkenning worden ingetrokken indien er aanwijzingen zijn dat aan de beheerder, het onder zich hebben van wapens en munitie, niet langer kan worden toevertrouwd.
Oordeel van de voorzieningenrechter6. De voorzieningenrechter stelt voorop dat de korpschef artikel 12, van de Wwm aan het bestreden besluit ten grondslag heeft gelegd. In dit artikel is de bevoegdheid neergelegd om een erkenning in te trekken. Hoewel hier niet uitdrukkelijk is bepaald dat hieronder ook wordt verstaan het wijzigen van de erkenning, is de voorzieningenrechter van oordeel dat de korpschef ook bevoegd is om de erkenning te wijzigen. Dit volgt immers uit het bepaalde in artikel 7, tweede lid, van de Wwm.
7. In zowel artikel 12, als artikel 7 is Pro sprake van een discretionaire bevoegdheid van de korpschef. Aan de korpschef komt dus beoordelingsruimte toe bij de beantwoording van de vraag of sprake is van aanwijzingen dat aan de houder van een verlof of erkenning het onder zich hebben van wapens en munitie niet langer kan worden toevertrouwd.
7.1.
Het is vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) dat iemand die een wapenverlof of erkenning heeft, zich in een uitzonderingspositie bevindt ten opzichte van andere burgers, voor wie het algemeen verbod op het voorhanden hebben van wapens en munitie geldt. Als er ook maar geringe twijfel is aan het verantwoord zijn van deze uitzondering, is er voldoende grond om het verlof of de erkenning in te trekken. Deze twijfel moet wel objectief toetsbaar zijn. [1]
7.2.
Voor die toetsing heeft de minister beleid vastgesteld over redenen om te vrezen dat van het verlof misbruik zal worden gemaakt. Dit beleid is neergelegd in de Circulaire wapens en munitie 2019 (Cwm). In de Cwm, Bijzonder deel (B) staat dat ‘vrees voor misbruik’ en ‘het niet langer kunnen toevertrouwen’ twee verschillende omschrijvingen voor in feite dezelfde situatie zijn. Wat in de Cwm wordt opgemerkt met betrekking tot de invulling van het ‘vrees voor misbruik-criterium’ kan daarom analoog worden toegepast als het gaat om de intrekking of weigering van een vergunning omdat het voorhanden hebben van wapens of munitie niet (langer) aan de betreffende persoon kan worden toevertrouwd.
Voor de beoordeling van de vraag of in een bepaald geval vrees voor misbruik bestaat, worden in paragraaf B/1.2 een aantal concrete criteria gegeven. Aan de hand van deze criteria zal in elk geval afzonderlijk moeten worden bezien of er sprake is van ‘vrees voor misbruik’ dan wel ‘het niet langer kunnen toevertrouwen’. Bij het onderzoek in verband met de vraag of er vrees voor misbruik bestaat kan gebruik worden gemaakt van informatie afkomstig uit de registers van de justitiële documentatie en van andere, politiële informatie, die afkomstig kan zijn uit verschillende bronnen. Bij dergelijk onderzoek kan blijken van:
a. veroordelingen en andere rechterlijke uitspraken;
b. andere omtrent de aanvrager bekende feiten.
Heeft de korpschef kunnen concluderen dat sprake is van vrees voor misbruik?
8. Niet in geschil is dat verzoeker op 9 december 2025 een wapen in zijn handbagage had toen hij op luchthaven Schiphol bij de security check stond. Dit wapen heeft verzoeker vanaf de locatie van het bedrijf in [plaats 2], met een korte tussenstop bij zijn woning in [plaats 2] , in een rugzak vervoerd naar Schiphol.
8.1.
Verzoeker betoogt dat de korpschef het incident ten onrechte heeft aangemerkt als aanwijzing dat het voorhanden hebben van wapens en munitie niet langer aan hem kan worden toevertrouwd. Hij had het wapen per abuis meegenomen. Voorafgaand aan vertrek naar de luchthaven in verband met een dienstreis wilde hij het wapen van een kleine kluis op zijn kantoor overbrengen naar de centrale wapenkamer elders in het pand van [naam bedrijf] . Hij werd tijdens die verplaatsing meerdere malen onderbroken door medewerkers, moest documenten ondertekenen en besprak lopende agendapunten. Toen hij op zijn horloge keek, bleek hij over zijn vertrektijd heen te zijn. Hij is direct doorgelopen naar zijn auto en na een korte stop bij zijn woning in [plaats 2] vervolgens naar Schiphol gereden. Verzoeker realiseerde zich niet dat het wapen nog in zijn rugzak zat. Het Openbaar Ministerie heeft de zaak geseponeerd met sepotcode 20: "een niet-strafrechtelijk ingrijpen verdient de voorkeur". Verzoeker wijst erop dat hij al 34 jaar in diverse functies binnen de defensie, de koninklijke marechaussee en de AIVD ervaring heeft met wapens en er nooit eerder incidenten hebben plaatsgevonden.
8.2.
De voorzieningenrechter volgt het betoog van verzoeker niet. De voorzieningenrechter is van oordeel dat, nu geringe twijfel reeds voldoende is, de korpschef tot de conclusie heeft mogen komen dat er een potentieel onveilige situatie is ontstaan en reeds daardoor sprake is van vrees voor misbruik. Dat sprake zou zijn van een menselijke vergissing volgt de voorzieningenrechter niet. Juist van een man met de kennis en ervaring als verzoeker en zijn positie in het bedrijf mag de korpschef een hoge mate van zorgvuldigheid verwachten. Door het wapen in zijn rugzak te stoppen met de bedoeling om deze in de kluis in het bedrijfspand op te bergen en daar – om wat voor reden dan ook – niet meer aan te denken en deze mee te nemen naar Schiphol heeft verzoeker niet de zorgvuldigheid betracht die van hem verwacht mag worden. Dat verzoeker niet opzettelijk heeft gehandeld wordt door de korpschef overigens ook niet in twijfel getrokken. Maar dat doet niet af aan het feit dat verzoeker onzorgvuldig heeft gehandeld en dat de korpschef op basis daarvan heeft kunnen concluderen dat sprake is van vrees voor misbruik. Door het te bestempelen als een menselijke vergissing en een vervoersfout bagatelliseert verzoeker zijn handelen. Aan het betoog van verzoeker dat geen sprake is van een grove fout, zoals de korpschef in het bestreden besluit heeft gedaan, komt de voorzieningenrechter dan ook niet toe. Voldoende is het feit dat verzoeker hoogst onzorgvuldig heeft gehandeld. Dit geldt evenzeer voor de vraag of sprake is geweest van ‘dragen’ of het ‘voorhanden hebben’ van het wapen.
8.3.
De voorzieningenrechter gaat ook voorbij aan het betoog van verzoeker dat met het plaatsen van de rugzak op de stoep voor het huis geen risico zou zijn gecreëerd dat een willekeurige burger toegang zou hebben tot de rugzak en daarmee tot het vuurwapen omdat de woning van verzoeker is omgeven door hoge hekken. Ook dit bagatelliseert de ernst van de situatie. Dat het gevaar zich niet heeft verwezenlijkt doet er niet aan af dat er een potentieel gevaarlijke situatie is ontstaan doordat verzoeker de rugzak met wapen en munitie op de stoep had gezet. Van verzoeker mag meer zorgvuldigheid worden verwacht. Bovendien is niet gebleken dat de hekken ook daadwerkelijk gesloten waren toen verzoeker zijn auto parkeerde en hij bij zijn collega in de auto stapte. Het betoog slaagt daarom niet.
Zorgt de intrekking van de erkenning voor onevenredig negatieve gevolgen voor verzoeker?
9. De evenredigheidstoets is neergelegd in artikel 3:4, tweede lid, van de Awb en bepaalt dat de voor een of meer belanghebbenden nadelige gevolgen van een besluit niet onevenredig mogen zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen. Gelet op vaste rechtspraak van de Afdeling kunnen de factoren geschiktheid, noodzakelijkheid en evenwichtigheid een rol spelen bij de toetsing van een besluit aan de norm van artikel 3:4, tweede lid, van de Awb.
9.1.
Niet in geschil is dat verzoeker zeer grote financiële belangen heeft. Door het intrekken van de erkenning kan hij zijn (erkenningsplichtige) bedrijfsactiviteiten niet uitvoeren en dat zou kunnen leiden tot een faillissement.
9.2.
Verzoeker betwist dat de intrekking geschikt is om het doel (bescherming van de maatschappij) te bereiken. Ook betwist hij de noodzaak en de evenwichtigheid van de intrekking van het beheerderschap en het verlof om wapens te vervoeren.
Verzoeker heeft op de zitting toegelicht dat er op dit moment nog twee mensen zijn die als beheerder op de erkenning zijn aangewezen. Drie beheerders is ook het maximum dat op een erkenning wordt vermeld. Een van deze twee mensen is nu met zwangerschapsverlof, waardoor in de praktijk maar een persoon de beheerderstaken kan uitvoeren. Als die persoon niet op kantoor aanwezig is, liggen de bedrijfsactiviteiten in feite stil. Er wordt wel aan gewerkt om meer mensen als beheerder aan te wijzen, maar daar is veel tijd voor nodig omdat zij eerst een opleiding moeten volgen. Op korte termijn is dat dan ook geen oplossing. Bovendien wijst verzoeker erop dat het bedrijf hierdoor imagoschade oploopt. Hij heeft er verder op gewezen dat de bedrijfsprocessen al zijn aangepast, waardoor een dergelijke fout niet meer zal kunnen voorkomen.
9.3.
De korpschef acht de maatregel geschikt. Ook is de maatregel noodzakelijk. Een lichtere maatregel als een waarschuwing ligt gelet op het incident dat heeft plaatsgevonden en de daarbij ontstane 'vrees voor misbruik' en het 'niet langer kunnen toevertrouwen' van wapens en munitie, niet voor de hand. Dat is een te licht middel en daarom niet passend. Verder stelt de korpschef dat hij bij de totstandkoming van het bestreden besluit voldoende rekening heeft gehouden met de zware belangen van verzoeker. In de zienswijze en de gestelde belangen heeft de korpschef aanleiding gezien om niet over te gaan tot intrekking van de gehele erkenning, maar tot intrekking van het beheerderschap en het verlof om wapens te vervoeren van verzoeker. Zo kan het bedrijf wel voortbestaan.
Is de intrekking geschikt?
9.4.
Met de korpschef is de voorzieningenrechter van oordeel dat de intrekking van de beheerdersfunctie en het verlof om wapens te vervoeren geschikt is om het doel, bescherming van de maatschappij, te bereiken. Dat verzoeker uit hoofde van zijn functie mensen opleidt, wapens verkoopt aan politie en defensie en daarmee een functie vervult in het beschermen van de maatschappij, en door het intrekken van de beheerdersfunctie al deze functies niet meer kan uitoefenen, maakt – wat daar ook van zij – niet dat de maatregel niet geschikt is. Het betoog slaagt niet.
Is de intrekking noodzakelijk?
9.5.
Bij de beoordeling of de intrekking noodzakelijk is, is de vraag aan de orde of de korpschef met een minder ingrijpend middel had kunnen en dus ook moeten volstaan, omdat het beoogde doel ook daarmee had kunnen worden bereikt. Niet in geschil is dat de korpschef in voorkomende gevallen de mogelijkheid heeft om te waarschuwen of om een bestuurlijke boete op te leggen.
9.6.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat de korpschef onvoldoende heeft onderbouwd waarom intrekking in de gegeven omstandigheden noodzakelijk is en niet kan worden volstaan met een minder ingrijpend middel als de waarschuwing. Verzoeker heeft 34 jaar werkervaring bij onder meer de Koninklijke Marechaussee, Defensie en de AIVD. Verzoeker heeft een blanco strafblad en wordt ook niet vervolgd voor de feiten. Verder heeft hij gesteld dat de bedrijfsprocessen inmiddels zodanig zijn aangepast dat een dergelijke fout niet nogmaals gemaakt kan worden. Dat de feiten verzoeker zwaar worden aangerekend doet niet af aan het feit dat het doel van het bestreden besluit, te weten de bescherming van de samenleving, ook kan worden bereikt door een waarschuwing op te leggen. De korpschef heeft dit ten onrechte niet onderkend. Het betoog slaagt.
9.7.
Reeds omdat de korpschef onvoldoende heeft onderbouwd dat niet kan worden volstaan met een waarschuwing heeft het bezwaar een redelijke kans van slagen. Het bestreden besluit zal naar verwachting in bezwaar niet ongewijzigd in stand blijven. Aan het betoog dat de intrekking van het beheerderschap en het verlof tot vervoer onevenwichtig is komt de voorzieningenrechter dan ook niet meer toe.

Conclusie en gevolgen

10. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening toe en schorst het besluit van 30 april 2026 – aangevuld 20 mei 2026 –tot zes weken na het door de minister te nemen besluit op het administratief beroep.
11. Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst moet de korpschef het griffierecht aan verzoeker vergoeden en krijgt hij ook een vergoeding van zijn proceskosten. De korpschef moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt verzoeker een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft een verzoekschrift ingediend en aan de zitting van de voorzieningenrechter deelgenomen. In bezwaar heeft elke proceshandeling een waarde van € 934,00. Dat brengt het totaal op
€ 1.868,-.

Beslissing

De voorzieningenrechter
- wijst het verzoek om voorlopige voorziening toe;
- schorst het besluit van 30 april 2026 – aangevuld 20 mei 2026 – tot zes weken na de beslissing op het administratieve beroep;
- bepaalt dat de korpschef het door verzoeker betaalde griffierecht van € 200,- aan hem vergoedt;
- veroordeelt de korpschef in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 1.868,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.M. Verhoeven, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.H.Y Snoeren-Bos, griffier, en wordt openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Afdeling van 20 januari 2021, ECLI:NL:RVS:2021:97,