Eiseres, werkzaam als maatschappelijk werker jeugd, kreeg een WIA-uitkering toegekend wegens volledige arbeidsongeschiktheid na operaties en medische klachten. Na herbeoordeling door verzekeringsartsen en arbeidsdeskundigen werd haar arbeidsongeschiktheid op minder dan 35% vastgesteld, waarna het UWV haar uitkering beëindigde per 12 februari 2024.
Eiseres voerde aan dat haar beperkingen, waaronder pijnklachten, vermoeidheid en cognitieve problemen, onvoldoende waren meegewogen. Zij bracht medische rapporten in van specialisten en een bekkenfysiotherapeut ter onderbouwing van haar standpunt. De rechtbank constateerde dat de verzekeringsarts in beroep alsnog een beperking voor schrijven wegens dyslexie had aangenomen, wat een zorgvuldigheids- en motiveringsgebrek opleverde.
Desondanks oordeelde de rechtbank dat de overige medische conclusies en beperkingen adequaat waren gemotiveerd en dat de medische informatie geen aanleiding gaf tot het aannemen van zwaardere beperkingen of een urenbeperking. De rechtbank vond dat eiseres in staat was passend werk te verrichten en dat het UWV terecht de uitkering had beëindigd. Het beroep werd ongegrond verklaard, maar het UWV werd veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.