Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2026:4670

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
12 juni 2026
Publicatiedatum
11 juni 2026
Zaaknummer
05.255447.24
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 342 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak wegens gebrek aan wettig en overtuigend bewijs in ontuchtzaak tegen begeleider verstandelijk beperkte cliënten

De rechtbank Gelderland behandelde een zaak tegen een 33-jarige man die werd beschuldigd van ontucht met twee cliënten met een matige verstandelijke beperking en complexe persoonlijkheidsproblematiek. De tenlastelegging betrof seksuele handelingen gepleegd in de periode van augustus 2020 tot februari 2023 tijdens zijn werkzaamheden als begeleider.

De officier van justitie vorderde een gevangenisstraf van 40 maanden en een beroepsverbod van vijf jaar, gebaseerd op de verklaringen van de slachtoffers en getuigen die emotioneel gedrag hadden waargenomen. De verdediging betoogde dat de verklaringen onbetrouwbaar waren vanwege inconsistenties, associatief gedrag en persoonlijkheidsproblematiek van de slachtoffers, en het ontbreken van objectief steunbewijs.

De rechtbank oordeelde dat de verklaringen van beide slachtoffers onvoldoende betrouwbaar en geloofwaardig waren, mede door hun lage functionele leeftijd en associatief gedrag. Daarnaast ontbrak objectief steunbewijs zoals fysieke aanwijzingen of onafhankelijke getuigenverklaringen. De verklaringen van getuigen waren gebaseerd op horen zeggen en konden daarom niet als steunbewijs dienen.

Gezien het bewijsminimum niet was gehaald, sprak de rechtbank de verdachte vrij van alle tenlastegelegde feiten. De civiele vorderingen tot schadevergoeding van de slachtoffers werden eveneens niet-ontvankelijk verklaard omdat de strafrechtelijke bewezenverklaring ontbrak.

Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens onvoldoende wettig en overtuigend bewijs van ontucht.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Zutphen
Parketnummer: 05.255447.24
Datum uitspraak : 12 juni 2026
Tegenspraak
vonnis van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte],
geboren op [geboortedag] 1993 in [geboorteplaats] ,
wonende aan [adres]
, in [woonplaats] .
Raadsman: mr. B.J. de Pree, advocaat in Utrecht.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen
van 21 maart 2025 en 29 mei 2026.

1.De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
1.
hij in of omstreeks de periode van 1 augustus 2020 tot en met 13 februari 2023 te [plaats] , althans in Nederland, terwijl hij werkzaam was in de gezondheidszorg en/of maatschappelijke zorg, ontucht heeft gepleegd met [aangever 1] , die zich als patiënt en/of cliënt aan verdachtes hulp en/of zorg had toevertrouwd, door meermaals, althans eenmaal het brengen en/of bewegen van zijn, verdachtes, penis in de vagina en/of tussen de schaamlippen van die [aangever 1] ;
althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling leidt:
hij in of omstreeks de periode van 1 augustus 2020 tot en met 13 februari 2023 te [plaats] , althans in Nederland, met [aangever 1] , van wie hij, verdachte, wist dat deze in staat van bewusteloosheid, verminderd bewustzijn of lichamelijke onmacht verkeerde, dan wel aan een zodanige psychische stoornis, psychogeriatrische aandoening en/of verstandelijke handicap leed dat die [aangever 1] niet of onvolkomen in staat was haar wil daaromtrent te bepalen of kenbaar te maken of daartegen weerstand te bieden, een of meer ontuchtige handelingen, te weten het brengen en/of bewegen van zijn, verdachtes, penis in de vagina en/of tussen de schaamlippen van die [aangever 1] ;
2.
hij in of omstreeks de periode van 1 augustus 2020 tot en met 13 februari 2023 te [plaats] , althans in Nederland, terwijl hij werkzaam was in de gezondheidszorg en/of maatschappelijke zorg, ontucht heeft gepleegd met [aangever 2] , die zich als patiënt en/of cliënt aan verdachtes hulp en/of zorg had toevertrouwd, door meermaals, althans eenmaal het brengen en/of bewegen van zijn, verdachtes, penis in de mond van die [aangever 2] ;
althans, indien het vorenstaande onder 2 niet tot een veroordeling leidt:
hij in of omstreeks de periode van 1 augustus 2020 tot en met 13 februari 2023 te [plaats] , althans in Nederland, met [aangever 2] , van wie hij, verdachte, wist dat deze in staat van bewusteloosheid, verminderd bewustzijn of lichamelijke onmacht verkeerde, dan wel aan een zodanige psychische stoornis, psychogeriatrische aandoening en/of verstandelijke handicap leed dat die [aangever 2] niet of onvolkomen in staat was haar wil daaromtrent te bepalen of kenbaar te maken of daartegen weerstand te bieden, een of meer ontuchtige handelingen, te weten het brengen en/of bewegen van zijn, verdachtes, penis in de mond van die [aangever 2] .

2.De standpunten

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de primair ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden en heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 40 maanden, waarvan 10 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaar, oplegging van alle door de reclassering geadviseerde voorwaarden en een bevel tot dadelijke tenuitvoerlegging. Daarnaast verzoekt de officier van justitie om een beroepsverbod voor de duur van vijf jaar op te leggen aan verdachte.
Ten aanzien van feit 1 heeft de officier van justitie aangevoerd dat de verklaring van [aangever 1] (hierna: [aangever 1] ) betrouwbaar en geloofwaardig is omdat zij zelf consistent over het misbruik heeft verklaard. Daarnaast wordt haar verklaring ondersteund door het feit dat haar begeleiders in september 2023 en in december 2023 een hevige emotionele uitbarsting bij haar hebben waargenomen en door de verklaring van een van de begeleiders die stelt dat het gedrag van [aangever 1] sinds februari 2023 erg veranderd is.
Ten aanzien van feit 2 heeft de officier van justitie aangevoerd dat de verklaring van [aangever 2] (hierna: [aangever 2] ) betrouwbaar en geloofwaardig is omdat zij zelf consistent en gedetailleerd heeft verklaard. Die verklaring wordt volgens de officier ondersteund door de verklaringen van getuigen die bij haar angstig gedrag hebben geconstateerd.
De verdediging heeft voor vrijspraak van beide feiten gepleit vanwege gebrek aan voldoende wettig en overtuigend bewijs. De verdachte ontkent het tenlastegelegde.
Ten aanzien van feit 1 heeft de verdediging onder meer naar voren gebracht dat de verklaring van [aangever 1] tijdens haar studioverhoor onvoldoende betrouwbaar en geloofwaardig is vanwege de vele inconsistenties in deze verklaring en vanwege haar complexe persoonlijkheidsproblematiek. De verdediging heeft hierbij in het bijzonder aangevoerd dat uit het dossier volgt dat [aangever 1] associatief handelt en denkt. Dit is volgens de verdediging duidelijk terug te zien in het studioverhoor.
Ten aanzien van feit 2 heeft de verdediging naar voren gebracht dat ook de verklaring tijdens het studioverhoor van [aangever 2] onbetrouwbaar is en daarom niet kan worden gebruikt voor het bewijs. De verklaring vertoont aantoonbare onjuistheden. Dit, naast de persoonlijkheidsproblematiek van [aangever 2] , maakt dat de verklaring niet betrouwbaar en geloofwaardig kan worden geacht. De verdediging heeft ten slotte aangevoerd dat er geen sprake is van steunbewijs ten aanzien van de feiten, nu er enkel de auditu-verklaringen in het dossier zitten.

3.Vrijspraak

De rechtbank vindt dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs in het dossier aanwezig is voor een bewezenverklaring van beide feiten en overweegt als volgt.
Juridisch kader
Bij de beoordeling van het bewijs stelt de rechtbank voorop dat zedenzaken zich doorgaans kenmerken door het gegeven dat slechts twee personen aanwezig waren bij de ten laste gelegde seksuele handelingen: het vermeende slachtoffer en de vermeende dader. Volgens het tweede lid van artikel 342 van Pro het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) kan het bewijs dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan door de rechter niet uitsluitend worden aangenomen enkel op basis van de verklaring van het slachtoffer. Deze bepaling strekt ter waarborging van de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing, in die zin dat zij de rechter verbiedt tot een bewezenverklaring te komen ingeval de in deze verklaring genoemde feiten en omstandigheden op zichzelf staan en onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal.
Dit betekent – in een geval als het onderhavige, waarin wordt ontkend dat de verweten seksuele handelingen zijn gepleegd en er geen getuigen van de gestelde incidenten zijn – dat de rechtbank de betrouwbaarheid en de geloofwaardigheid van de verklaring van het slachtoffer moet beoordelen én moet onderzoeken of voor de door het slachtoffer genoemde verweten gedragingen voldoende steunbewijs aanwezig is. Het voor een veroordeling benodigde steunbewijs kan volgens vaste rechtspraak niet worden aangenomen op grond van alleen een zogenoemde ‘de auditu’- getuigenverklaring (van horen zeggen), waarbij de getuige geen eigen zelfstandige waarneming deed ten aanzien van de emotionele of fysieke toestand van het slachtoffer tijdens of kort na het feit (Hoge Raad 6 juli 2018, ECLI:NL:HR:2018:1117).
Verder is van belang dat de rechter uit het dossier en uit het verhandelde ter terechtzitting de overtuiging moet krijgen dat het feit is gepleegd zoals het de verdachte wordt verweten. Zeker als de bewijsmiddelen schaars zijn, moet de rechter behoedzaamheid betrachten om op grond van hetgeen overigens blijkt, aan te nemen dat het feit is gepleegd.
In de onderhavige zaak is bovendien extra behoedzaamheid en terughoudendheid vereist bij de beoordeling van de verklaringen van [aangever 1] en [aangever 2] vanwege hun complexe persoonlijkheidsproblematiek en omdat zij daarnaast functioneren op het niveau van respectievelijk een kind van 3,3 jaar en een kind van tussen de 1,0 en 4,8 jaar oud.
Feiten en omstandigheden
[aangever 1] en [aangever 2] zijn beiden cliënten die wonen in een woongroep van [instelling] in [plaats] voor mensen met een verstandelijke beperking. Verdachte heeft hier als begeleider gewerkt tot februari 2023. [aangever 1] heeft een matig verstandelijke beperking, een autismespectrumstoornis en zij vertoont associatief gedrag. Zij functioneert op een verbaal ontwikkelingsniveau van een kind van 3,3 jaar. [aangever 1] heeft vermoedelijk een belast verleden waar sprake is geweest van seksueel misbruik. Door haar associatieve gedrag kan zij moeilijk open vragen beantwoorden. Zij maakt dan associaties op losse woorden, maar geeft niet tot nauwelijks antwoord op de daadwerkelijke vraag. Op 19 januari 2024 heeft de curator van [aangever 1] aangifte gedaan van seksueel misbruik namens [aangever 1] .
Uit de aangifte van de curator, d.d. 19 januari 2024 komt naar voren (p. 65 procesdossier):
“V: Hoe ging die eerste onthulling van [aangever 1] in september 2023?
A: Client zat toen op de achterbank van de auto, voorin zaten twee begeleiders. Client zei toen uit het niks: "Grote vagina." De begeleiding reageerde met: "Wat is er met grote vagina?" Client zei toen: "Broertje piemel in spleetje in [plaats] en [plaats] ". Begeleiding vroeg: "Wat is er in [plaats] ?” Client benoemde toen de namen van de oud-begeleiders. Ik weet niet welke namen dat waren. Ik haal deze informatie uit meldingen. Die meldingen moeten volgens de privacywet anoniem gemaakt worden. Daarna zei [aangever 1] : "Nee, die doen dat niet. Nee, die doen dat niet". Ze noemde toen de naam van een oud-medewerker, volgens mij was dat [verdachte] , en bleef toen stil. De begeleider vroeg: "En toen?" [aangever 1] zei: "Piemel in spleetje, deed pijn.
Er kwam bloed in de douche en op bed." Ik heb niet terug kunnen vinden in de rapportage of er ook daadwerkelijk bloed is aangetroffen.”
Volgens de curator heeft [aangever 1] met betrekking tot drie andere oud medewerkers dezelfde uitlatingen m.b.t. het opensnijden van haar spleetje gedaan (p. 65 procesdossier):
“Dat zijn [naam] , [naam] en [naam] , ik weet zijn achternaam niet. Over deze personen heeft [aangever 1] de uitspraken gedaan: "Ze hebben me opgesloten op mijn kamer en mij pijn gedaan aan mijn borstjes en spleetje. Ze trokken me hard aan mijn arm en hoofd het bed uit. Ze snijden mijn spleetje open met een mes." Hierbij noemde [aangever 1] twee namen van oud-medewerkers. Ik weet die namen niet, maar deze zijn wel bekend bij [getuige 1] .”
De curator heeft verder verklaard dat zij van de begeleider van [aangever 1] heeft gehoord dat [aangever 1] over verdachte heeft gezegd “dikke piemel in mijn spleetje. Dit doet pijn en bloed eruit”. De curator heeft ook verklaard dat [aangever 1] de naam van verdachte noemt als er wordt gevraagd naar de seksuele handelingen.
[aangever 2] heeft ook een matig verstandelijke beperking, een autismespectrumstoornis en een angststoornis. Zij functioneert adaptief op het niveau van een kind tussen de 1,0 en 4,8 jaar. Haar taalgebruik ligt boven haar taalbegrip, waardoor zij soms overschat wordt. Bij [aangever 2] is daarnaast sprake van seksueel grensoverschrijdend gedrag richting begeleiders.
Op 8 november 2023 doet [aangever 3] aangifte van seksueel misbruik namens [aangever 2] . [aangever 3] heeft verklaard dat [aangever 2] tegen haar begeleider (getuige [getuige 1] ) heeft gezegd dat zij de piemel van verdachte in haar mond moest doen in de slaapkamer en de douche (p. 189 procesdossier):
V: Hoe is dat gesprek gegaan?
A: Op 1 september 2023 hebben een aantal medewerkers van een uitzendbureau met elkaar
gesproken over het vermoeden van grensoverschrijdend gedrag in het algemeen. Dat is [getuige 1] ter ore gekomen. Dat ging niet specifiek over [aangever 2] . Op diezelfde dag heeft [getuige 1] een gesprek met [aangever 2] gehad, omdat het ging over huisgenoten en [aangever 2] zat bij die groep aan tafel terwijl dat gesprek gaande was. Toen is [getuige 1] met haar in gesprek gegaan, want die dacht: ik weet niet wat er gebeurt en ik wil gewoon even met haar een gesprekje. Want tijdens het gesprek aan tafel heeft [aangever 2] heel spontaan gezegd dat ze blij was dat een aantal medewerkers niet meer kwam, en ze noemde onder andere de naam [verdachte] . [getuige 1] vroeg haar: waarom wil je niet dat hij terugkomt? Toen vertelde [aangever 2] wat [verdachte] gedaan had. Ze vertelde dat ze [verdachte] piemel in haar mond moest doen in de auto. Dat was met boodschappen doen. En ze vertelde dat ze het sperma moest uitspugen. Ze zegt dat dit ook in de slaapkamer en in haar douche was gebeurd. Ze kwam spontaan met deze uitspraken, [getuige 1] heeft daar geen vragen over gesteld. [aangever 2] zei ook heel duidelijk: hij deed het, niet ik.
Feit 1 – betrouwbaarheid en geloofwaardigheid verklaring [aangever 1]
is op 25 januari 2024 gehoord in een kindvriendelijke studio. De rechtbank heeft de verklaring van [aangever 1] kritisch en met uiterste behoedzaamheid bekeken, mede in het licht van haar complexe persoonlijkheidsproblematiek en haar functionele leeftijd. Het valt de rechtbank op dat [aangever 1] in haar studioverhoor regelmatig geen antwoord geeft op de daadwerkelijke vraag van de verhoorder over verdachte en wat hij met haar zou hebben gedaan. Ook antwoordt zij vaak slechts met ‘weet ik niet’ of ‘ja’ wanneer haar gerichte vragen over verdachte worden gesteld door de verhoorder. Daarnaast beantwoordt zij regelmatig vragen door over andere dingen te praten, zoals over koffie of eten. Ook vertelt [aangever 1] over een gasbrander, het trekken aan haar haren, het uitscheuren van een oorlel en waarom zij niet meer thuis woont, terwijl de verhoorder haar gericht vraagt naar verdachte. [aangever 1] lijkt op die momenten associatief te antwoorden zoals ook door de gedragswetenschapper is voorspeld. Op sommige vragen die gaan over verdachte antwoordt zij door te vertellen dat
mensenhaar vroeger pijn hebben gedaan en zij noemt op dat moment verschillende namen, mogelijk van oud medewerkers van [instelling] . Daarnaast begint zij te vertellen over haar verleden en dat zij erge dingen heeft meegemaakt, wanneer de verhoorder wederom vraagt naar verdachte en hoe zij verdachte kent (vgl. p. 128 procesdossier):
“V: Maar ik wil het eigenlijk over hebben wat [verdachte] gedaan heeft bij jou. Je zei al, piemeltje in vaginaatje doen.
A: Wat gebeurt als in de kamer, dat bloedt dood. En dan? Is toch niet leuk.
V: Waar bloeide het dan?
A: Ja, zijn erge dingen wat ik vroeger heb meegemaakt.
V: Wat je vroeger hebt meegemaakt, zijn erge dingen.
A: Ja.”
Na meerdere pogingen aan de kant van de verhoorder, vertelt [aangever 1] dat zij verdachte kent van [plaats] , maar zij vertelt niet wat hij mogelijk met haar deed en ook na deze vraag begint zij wederom direct te praten over geheel andere zaken, deels kennelijk uit haar verleden.
[aangever 1] is een kwetsbare vrouw met een forse verstandelijke beperking en complexe persoonlijkheidsproblematiek, waaronder een voorgeschiedenis van seksueel misbruik en sterk associatief gedrag. In haar uitlatingen over seksueel misbruik worden verschillende personen (onder wie meerdere (voormalige) medewerkers) vanaf haar eerste onthulling door elkaar genoemd en lopen beschrijvingen van gebeurtenissen in de tijd en qua betrokkenen door elkaar, zodat niet goed is te onderscheiden wie op welk moment welke handeling zou hebben verricht. Daarbij spreekt [aangever 1] ook over zeer extreme en gewelddadige seksuele handelingen, waarvoor in het dossier in het geheel geen steunbewijs is aangetroffen, zoals objectief vast te stellen letsel of waarnemingen van bloed.
De omstandigheid dat [aangever 1] in het studioverhoor de naam van verdachte niet spontaan noemt en zij veelal antwoorden geeft die geen duidelijk verband houden met de gestelde vragen, onderstreept dat het geen heldere, door haarzelf gestuurde en consistente verklaring betreft.
Voornoemde ongerijmdheden en de onderlinge inconsistenties maken dat de rechtbank de verklaring van [aangever 1] in haar geheel onvoldoende betrouwbaar en geloofwaardig acht om tot het wettig en overtuigend bewijs te kunnen bijdragen.
Feit 2 – Betrouwbaarheid en geloofwaardigheid verklaring [aangever 2]
werd op 23 november 2023 gehoord in een kindvriendelijke studio. De rechtbank heeft ook de verklaring van [aangever 2] kritisch en met uiterste behoedzaamheid bekeken, mede in het licht van haar complexe persoonlijkheidsproblematiek en haar functionele leeftijd. De verklaring van [aangever 2] is gedetailleerd en haar verklaring komt erop neer dat verdachte haar meerdere malen seksueel zou hebben misbruikt door zijn piemel in haar mond te doen, waarna zij soms het sperma moest uitspugen en soms moest doorslikken. Dit zou gebeurd zijn in de auto tijdens het boodschappen doen, in het washok, in het voorraadhok en in de douche. Verder is te zien in het verhoor van [aangever 2] dat zij duidelijk kan aangeven aan de verhoorder wanneer zij het antwoord op een vraag niet weet.
Het valt de rechtbank echter op dat ook het verhaal van [aangever 2] inconsistenties bevat. In de voorbereiding op haar studioverhoor vertelt [aangever 2] aan de politie dat ze over verdachte gaat vertellen, dat hij met zijn piemel in haar mond is geweest tijdens het boodschappen doen in de auto en dat daar niemand bij was. Maar in de HKS-melding (nummer 2019316) staat beschreven dat [aangever 2] zou hebben verklaard dat [aangever 1] aanwezig was in de auto tijdens het boodschappen doen, dat [aangever 1] toen achterin moest zitten en dat verdachte toen met zijn piemel in de mond van [aangever 2] is gegaan terwijl [aangever 1] zich op de achterbank van de auto bevond. Daarnaast heeft [aangever 2] in haar studioverhoor verklaard dat ‘de piemel uit het vel’ kwam. Dit strookt niet met hetgeen de verdediging heeft aangevoerd, namelijk dat verdachte volledig besneden is, hetgeen de rechtbank aannemelijk acht gezien zijn culturele achtergrond.
In het dossier zit daarnaast een verklaring van getuige [getuige 2] , van 22 mei 2024. Deze getuige heeft verklaard dat hij samen met een collega de eerste persoon was die van [aangever 2] iets hoorde over de vermeende seksuele handelingen tussen [aangever 2] en een oud-collega. Getuige [getuige 2] benoemt in zijn verklaring dat het verhaal van [aangever 2] ging over een oud-collega genaamd [naam] - en dus niet [verdachte] - waar hij zelf nooit mee heeft gewerkt, omdat die persoon er werkte voordat hij kwam werken bij [instelling] . Uit het dossier wordt duidelijk dat getuige [getuige 2] en verdachte wel degelijk, en voor een langere periode, gelijktijdig bij [instelling] hebben gewerkt. Het is om die reden zeer aannemelijk dat getuige [getuige 2] verwijst naar een andere persoon dan verdachte.
Bovenstaande vaststellingen maken dat de rechtbank twijfelt aan hetgeen er tussen [aangever 2] en verdachte heeft plaatsgevonden.
Steunbewijs in beide zaken
Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat het in deze zaak aan objectief steunbewijs ontbreekt om tot een bewezenverklaring van de tenlastegelegde handelingen te kunnen komen. Hoewel de verklaringen van [aangever 1] en [aangever 2] over de handelingen die zouden hebben plaatsgevonden steun lijken te vinden in de verklaringen van getuige [getuige 1] en getuige [getuige 3] , hebben deze verklaringen allemaal dezelfde bronnen, namelijk [aangever 1] en [aangever 2] . Daarnaast kunnen de verklaringen van getuige [getuige 1] en [getuige 3] niet dienen als steunbewijs gezien de pleegperiode. Het vermeende seksueel misbruik moet hebben plaatsgevonden vóór februari 2023, aangezien verdachte daarna niet meer werkzaam was op de groep. De hevige emotionele uitbarsting van [aangever 1] waar getuige [getuige 3] en getuige [getuige 1] over verklaren, heeft plaatsgevonden in september 2023. Dit betekent dat [aangever 1] ten tijde van de beweerde handelingen zich daarover niet heeft geuit naar anderen. Dit heeft zij pas vele maanden later gedaan ten overstaan van getuige [getuige 1] en getuige [getuige 3] . Ook volgt niet uit het dossier dat anderen destijds aan [aangever 1] gemerkt hebben dat zij aangedaan of overstuur was door enig (ontuchtig) handelen van verdachte. In het dossier bevinden zich geen verklaringen van getuigen die een eigen zelfstandige waarneming hebben gedaan ten aanzien van de emotionele of fysieke toestand van [aangever 1] kort na het vermeende feit.
Dit laatste geldt ook ten aanzien van de verklaring van [aangever 2] . Daarbij merkt de rechtbank nog op dat getuige [aangever 3] in haar aangifte zelfs heeft verklaard dat er bij [aangever 2] überhaupt geen aantoonbare gedragsverandering heeft plaatsgevonden sinds het vermeende seksueel misbruik.
De rechtbank is op grond hiervan van oordeel dat daarmee in geval van beide tenlastegelegde feiten niet is voldaan aan het bewijsminimum.
De rechtbank is van oordeel dat het dossier daarmee onvoldoende wettig en overtuigend bewijs bevat op grond waarvan kan worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het hem tenlastegelegde.
Verdachte zal daarom integraal van het tenlastegelegde worden vrijgesproken.

4.De beoordeling van de civiele vorderingen

De benadeelde partij [aangever 1] heeft in verband met feit 1 een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 15.000,- aan smartengeld, vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
De benadeelde partij [aangever 2] heeft in verband met feit 2 een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 10.000,- aan smartengeld, vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
Overweging van de rechtbank
Nu de rechtbank bij beide feiten niet tot een bewezenverklaring komt, zullen de benadeelde partijen niet-ontvankelijk worden verklaard in de vorderingen.

5.De beslissing

De rechtbank:
  • spreekt verdachte vrij van het tenlastegelegde;
  • verklaart de benadeelde partij [aangever 1] niet-ontvankelijk in de vordering;
  • verklaart de benadeelde partij [aangever 2] niet-ontvankelijk in de vordering.
Dit vonnis is gewezen door mr. A. Bril (voorzitter), mr. H.C. Leemreize en mr. A.P. Sno, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.C.N. Witteveen, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 12 juni 2026.