ECLI:NL:RBGEL:2026:4600

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
4 juni 2026
Publicatiedatum
10 juni 2026
Zaaknummer
12206476 \ VV EXPL 26-61
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:669 lid 1 BWArt. 7:669 lid 3 BWArt. 7:669 lid 5 BWArt. 9 OntslagregelingArt. 11 lid 1 Ontslagregeling
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering plaatsing in nieuwe functie na herstructurering TenneT

De zaak betreft een kort geding tussen een werknemer en TenneT over de vraag of de oude functie van de werknemer is vervallen of onder een nieuwe naam is blijven bestaan en of hij recht heeft op plaatsing in de nieuwe functie van Manager SCM Indirect & IT.

De kantonrechter oordeelt dat de oude functie niet uitwisselbaar is met de nieuwe functie, mede vanwege verschillen in inhoud, inschaling, geografische scope en vereiste competenties. De werknemer is niet geschikt bevonden voor de nieuwe functie op basis van een objectieve selectieprocedure met assessment en interview.

Het omgekeerd afspiegelingsbeginsel is daarom niet van toepassing. Ook is geen sprake van benadeling in strijd met artikel 17e Wbk. De vorderingen tot plaatsing en schorsing van selectieprocedures worden afgewezen en de werknemer wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: Vordering tot plaatsing in nieuwe functie en schorsing selectieprocedure wordt afgewezen wegens niet-uitwisselbaarheid functies en ongeschiktheid werknemer.

Uitspraak

RECHTBANKGELDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Arnhem
Zaaknummer: 12206476 \ VV EXPL 26-61
Vonnis in kort geding van 4 juni 2026
in de zaak van
[naam eiser],
te [woonplaats] ( [land] ),
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. A. Lettenga,
tegen
TENNET TSO B.V.,
te Arnhem,
gedaagde partij,
hierna te noemen: TenneT,
gemachtigde: mr. R.M. Cats.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties 1 t/m 15;
- de conclusie van antwoord met producties 1 t/m 10;
- productie 16 van [eiser] ;
1.2.
De zaak is mondeling behandeld op 21 mei 2026. Daarbij is [eiser] verschenen met mr. Lettenga. Namens TenneT zijn verschenen mevrouw [Legal Counsel] , Legal Counsel, mevrouw [HR 1] (hierna: [HR 1] ), HR, en mevrouw [HR 2] , HR, bijgestaan door
mr. Cats. Partijen hebben spreekaantekeningen overgelegd en voorgedragen en hun standpunten verder toegelicht. Ook is van de kant van [eiser] nog een aanvullende productie overgelegd. Door de griffier is aantekening gemaakt van wat is besproken.
1.3.
Tot slot is bepaald dat een vonnis zal worden gewezen.

2.De feiten

2.1.
[eiser] is sinds 10 februari 2003 bij TenneT in dienst.
2.2.
Vanaf 1 juli 2020 is [eiser] de functie van Lead Supply Chain Management Informatie Technologie en Services (hierna: Lead SCM IT-S) gaan bekleedden, welke functie was ingedeeld in Hay schaal 18. In deze rol was [eiser] (onder andere) verantwoordelijk voor de aansturing van het IT-inkoopteam in zowel Nederland als Duitsland.
2.3.
In 2023 heeft TenneT aangekondigd dat zij in het kader van een herstructurering voor wat betreft haar activiteiten zou worden opgesplitst in een Nederlandse en een Duitse entiteit.
2.4.
Bij brief van 2 december 2024 heeft TenneT aan [eiser] bericht dat de voornoemde gewijzigde organisatiestructuur (Day 1) per 1 januari 2025 zou worden doorgevoerd en dat de verantwoordelijkheid van [eiser] voor het Duitse deel van zijn functie daarmee per die datum zou komen te vervallen. Daarbij is ook benoemd dat het om een organisatiestructuur van tijdelijke aard ging die nog verder geoptimaliseerd zou worden naar een zogenoemde Target organisatie.
2.5.
Bij brief van 16 december 2024 heeft TenneT daarnaast aan [eiser] bericht dat hij per 1 januari 2025 naast zijn functie tijdelijk de functie van Lead Indirect Categories (hierna: Lead SCM-IND) zou gaan waarnemen tegen betaling van een maandelijkse toeslag.
2.6.
Op 2 april 2025 heeft [eiser] zich ziek gemeld.
2.7.
In een gesprek dat op 4 november 2025 heeft plaatsgevonden heeft TenneT aan [eiser] medegedeeld dat zijn functie in het kader van fase twee van de herstructurering (Day 365) per Q2 van 2026 zou komen te vervallen, hetgeen bij brief van 13 november 2025 aan hem is bevestigd. In deze brief is er daarnaast melding van gemaakt dat voor [eiser] de “pre-mobiliteit” fase was aangebroken, dat er een plaatsingsproces zou worden gestart en dat er een begeleidingscommissie zou worden samengesteld.
2.8.
Naast de functie van [eiser] zijn door TenneT in het kader van de herstructurering rond de 200 functies gewijzigd dan wel vervallen.
2.9.
Per 1 januari 2026 heeft [eiser] zijn werkzaamheden in de functie van Lead SCM IT-S en IND weer volledig hervat.
2.10.
TenneT heeft [eiser] per e-mail van 14 januari 2026 medegedeeld dat hij in de periode van 15 tot en met 19 januari 2026 zijn belangstelling voor de beschikbare nieuwe functies kenbaar kon maken. Daarop heeft [eiser] kenbaar gemaakt belangstelling te hebben voor de nieuwe functie van Manager Supply Chain Management (Indirect & IT)
(hierna: Manager SCM Indirect & IT).
2.11.
Op 27 januari 2026 heeft [eiser] bij de begeleidingscommissie formeel bezwaar ingediend tegen de vaststelling dat zijn functie in het kader van Day 365 als ‘nieuw of sterk gewijzigd’ is aangemerkt, met als gevolg plaatsing in de pre-mobiliteitsfase en het moeten indienen van een belangstellingsregistratie voor de functie van Manager SCM Indirect & IT. Daarnaast heeft [eiser] erop gewezen dat als er daadwerkelijk een nieuwe niet-uitwisselbare functie zou zijn, deze op grond van omgekeerde afspiegeling aan hem aangeboden moest worden.
2.12.
Eind januari 2026 heeft [eiser] in het kader van de plaatsingsprocedure voor de functie van Manager SCM Indirect & IT een ontwikkelassessment gemaakt.
2.13.
Op 2 februari 2026 is het bezwaar van [eiser] ten aanzien van het vervallen verklaren van zijn functie ongegrond verklaard. Met betrekking tot het omgekeerd afspiegelen is geoordeeld dat de begeleidingscommissie niet kan oordelen over de geschiktheid van een medewerker voor een gewijzigde functie.
2.14.
Op 23 februari 2026 heeft er in het kader van de plaatsingsprocedure voor de functie van Manager SCM Indirect & IT een interview plaatsgevonden met [eiser] . Daarbij waren namens TenneT aanwezig de heer [naam 1] (hierna: [naam 1] ), de heer [naam 2] (Head BT Operations) en [HR 1] .
2.15.
TenneT heeft [eiser] nadien niet geschikt geacht voor de functie van Manager SCM Indirect & IT en hem voor deze functie afgewezen. Na een herplaatsingsronde is [eiser] uiteindelijk geplaatst in de functie van Category Cluster Manager.

3.Het geschil

3.1.
[eiser] vordert - samengevat - om TenneT, uitvoerbaar bij voorraad, te veroordelen hem toe te laten in de functie van Manager SCM Indirect & IT en om eventuele selectie-, plaatsings- en/of benoemingsprocedure(s) voor medewerkers betreffende deze functie op te schorten, beide vorderingen op straffe van verbeurte van een dwangsom, en met veroordeling van TenneT in de proceskosten, waaronder de nakosten, met rente.
3.2.
[eiser] legt aan zijn vorderingen ten grondslag dat TenneT ten onrechte zijn functie als vervallen beschouwd, althans de regels omtrent herplaatsing en (omgekeerd) afspiegelen niet correct heeft toegepast, waardoor hij zijn eigen of eigen aangepaste functie niet heeft verkregen in de nieuwe organisatie.
3.2.1.
Daarbij stelt [eiser] zich primair op het standpunt dat de door TenneT in het kader van de reorganisatie nieuw gecreëerde functie van Manager SCM Indirect & IT uitwisselbaar is met de oude en door TenneT als vervallen beschouwde functie van [eiser] als Lead SCM-IT-S en IND. Omdat van uitwisselbaarheid van de beide functies sprake is, is de arbeidsplaats van [eiser] niet komen te vervallen en komt de functie van Manager SCM Indirect & IT hem direct toe.
3.2.2.
Subsidiair stelt [eiser] , dat indien wel sprake zou zijn van een wezenlijk gewijzigde functie, hij op grond van het omgekeerde afspiegelingsbeginsel als eerste in de gelegenheid moet worden gesteld de functie van Manager SCM Indirect & IT te aanvaarden, omdat hij de enige is van wie de functietaken van de oude functie worden voortgezet in de nieuwe functie en hij geschikt is voor deze functie.
3.3.
Tot slot beroept [eiser] zich nog op het benadelingsverbod ex artikel 17e van de Wet bescherming klokkenluiders (hierna: Wbk) dat voor hem als klokkenluider geldt.
3.4.
[eiser] stelt een voldoende spoedeisend belang te hebben bij zijn vorderingen.
3.5.
TenneT voert verweer. TenneT concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eiser] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure.
3.6.
Ten aanzien van de niet-ontvankelijkheid stelt TenneT dat het spoedeisend belang van [eiser] bij zijn vorderingen ontbreekt en de vorderingen zich, gelet op de aard en omvang daarvan, niet lenen voor behandeling in kort geding. Ook wijst TenneT erop dat toewijzing van de vorderingen zou neerkomen op een ontoelaatbare wijziging van de bestaande rechtstoestand waarvoor in deze procedure geen plaats is.
3.7.
Daarnaast is TenneT van mening dat de vorderingen van [eiser] ook op inhoudelijke gronden niet toewijsbaar zijn.
3.7.1.
Daartoe stelt TenneT dat de functie van [eiser] in het kader van Day 365 van de herstructurering is komen te vervallen en niet één op één is voortgezet in de nieuwe organisatie. De nieuw gecreëerde functie van Manager SCM Indirect & IT wijkt zowel qua inhoud, scope, rapportagelijn, zwaarte en vereiste competenties wezenlijk af van de vorige functie van [eiser] . Van uitwisselbaarheid van de functies is dan ook geen sprake, zodat er ook niet afgespiegeld hoefde te worden.
3.7.2.
Ook omgekeerde afspiegeling is volgens TenneT niet aan de orde. [eiser] is toegelaten tot de plaatsingsprocedure voor de functie van Manager SCM Indirect & IT en hij is inhoudelijk beoordeeld aan de hand van objectieve functie-eisen van die nieuwe rol. De conclusie luidde vervolgens dat hij niet geschikt was. Daarmee ontbreekt dan ook de noodzakelijke voorwaarde voor toepassing van het omgekeerde afspiegelingsbeginsel.
3.8.
Het beroep van [eiser] op de klokkenluidersregeling mist volgens TenneT feitelijke en juridische grondslag. Zo is [eiser] geen klokkenluider, heeft hij geen benadeling ondervonden en heeft hij geen causaal verband aannemelijk gemaakt tussen een vermeende melding en enige beslissing van TenneT.
3.9.
Op de (overige) stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. De kantonrechter moet daarom eerst beoordelen of [eiser] ten tijde van dit vonnis bij die voorziening een spoedeisend belang heeft. Daarnaast geldt dat de kantonrechter in dit kort geding moet beoordelen of de vorderingen in de bodemprocedure een zodanige kans van slagen hebben, dat vooruitlopend daarop toewijzing van de voorlopige voorziening gerechtvaardigd is. Als uitgangspunt geldt bovendien dat in deze procedure geen plaats is voor bewijslevering.
Kernvragen en uitkomst
4.2.
Kern van het geschil betreft allereerst de vraag of de oude functie van [eiser] in het kader van de herstructurering van TenneT is vervallen dan wel feitelijk onder een nieuwe naam is blijven bestaan en dus met de functie van [eiser] uitwisselbaar is. Voor het geval de beide functies niet uitwisselbaar zijn, is daarnaast de vraag aan de orde of [eiser] middels het zogeheten ‘omgekeerd afspiegelen’ op de nieuwe functie geplaatst had moeten worden. Tot slot is aan de orde of TenneT al dan niet heeft gehandeld in strijd met het benadelingsverbod ex artikel 17e Wbk.
4.3.
De kantonrechter acht [eiser] ontvankelijk in zijn vorderingen, maar is van oordeel dat deze vorderingen op inhoudelijke gronden niet toewijsbaar zijn. Naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter is de oude functie van [eiser] namelijk niet uitwisselbaar met de nieuwe functie van Manager SCM Indirect & IT en is evenmin gebleken dat [eiser] ‘geschikt’ is voor de functie van Manager SCM Indirect & IT, zodat de voorwaarde voor toepassing van het omgekeerd afspiegelingsbeginsel niet is vervuld. Van een handelen van TenneT in strijd met artikel 17e Wbk is de kantonrechter daarnaast niet gebleken. Met betrekking tot de vordering van [eiser] die ziet op schorsing van een eventuele selectie-, plaatsings- en/of benoemingsprocedure geldt bovendien dat niet is komen vast te staan dat er thans nog een procedure loopt. Hierna zal worden toegelicht hoe de kantonrechter tot voornoemd oordeel is gekomen.
[eiser] is ontvankelijk in zijn vorderingen
4.4.
Voor wat betreft de door TenneT aangevoerde formele verweren is de kantonrechter van oordeel dat deze niet kunnen slagen, zodat [eiser] ontvankelijk is in zijn vorderingen.
4.5.
[eiser] heeft naar het oordeel van de kantonrechter een voldoende spoedeisend belang bij zijn vorderingen. [eiser] heeft er groot belang bij om duidelijkheid te verkrijgen omtrent zijn positie en om zo snel als mogelijk geplaatst te worden in de functie van Manager SCM Indirect & IT, voor zover deze functie hem toekomt. Plaatsing in deze functie zal naarmate meer tijd verstrijkt immers praktisch gezien steeds lastiger worden.
4.6.
Het staat [eiser] daarnaast vrij om te laten toetsen of TenneT bij de herstructurering de regels omtrent afspiegeling en herplaatsing correct heeft toegepast en, voor zover dat niet het geval is, om in kort geding, vooruitlopend op een bodemprocedure, om een ordemaatregel te vragen. Het moge zo zijn dat een eventuele toelating van [eiser] tot de werkzaamheden van Manager SCM Indirect & IT voor TenneT tot een ingrijpende en ontwrichtende wijziging van een reeds bestaande situatie kan leiden, maar dit maakt nog niet dat een dergelijke vordering een constitutief karakter draagt en in kort geding niet mogelijk is. Voor zover juist is dat TenneT de bestaande regels omtrent afspiegeling en herplaatsing niet correct heeft toegepast, heeft [eiser] recht op een spoedige correctie daarvan en komen de gevolgen daarvan in beginsel voor rekening en risico van TenneT.
4.7.
Ook de aard en omvang van deze zaak maken daarnaast niet dat er in deze kort geding procedure geen voorlopig oordeel gegeven kan worden.
Juridisch kader
4.7.
Ingevolge artikel 7:669 lid Pro 3, aanhef en onder a, BW wordt als een redelijke grond voor opzegging van de arbeidsovereenkomst aangemerkt het, over een toekomstige periode van ten minste 26 weken bezien, noodzakelijkerwijs vervallen van arbeidsplaatsen als gevolg van het wegens bedrijfseconomische omstandigheden treffen van maatregelen voor een doelmatige bedrijfsvoering. Artikel 7:669 lid Pro 5, onder b, BW bepaalt dat door de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid regels worden gesteld voor het bepalen van de volgorde van opzegging bij het vervallen van arbeidsplaatsen wegens bedrijfseconomische omstandigheden als bedoeld in lid 3, onderdeel a. Deze regels zijn neergelegd in de Ontslagregeling (Stcrt. 11 mei 2015, nr. 12685), in het bijzonder in artikel 11 en Pro artikel 13 Ontslagregeling Pro. Uit de wetsgeschiedenis [1] en bestaande jurisprudentie [2] kan daarnaast worden afgeleid dat in een procedure als de onderhavige, de kantonrechter bij zijn beoordeling dient te toetsen aan dezelfde (wettelijke) criteria als die voor het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV) gelden.
4.8.
De Ontslagregeling bepaalt dat werknemers volgens het afspiegelingsbeginsel voor ontslag in aanmerking moeten worden gebracht. Ten aanzien daarvan volgt uit artikel 11 lid 1 Ontslagregeling Pro dat per leeftijdsgroep binnen een categorie uitwisselbare functies de werknemers met het kortste dienstverband het eerst voor ontslag in aanmerking komen. Daarnaast bepaalt artikel 13 Ontslagregeling Pro dat een functie uitwisselbaar is met een andere functie als de functies vergelijkbaar zijn voor wat betreft de inhoud van de functie, de voor de functie vereiste kennis, vaardigheden en competenties en de tijdelijke of structurele aard van de functie én indien het niveau van de functie en de beloning gelijkwaardig zijn, een en ander in onderlinge samenhang bezien. Deze opsomming is volgens de Hoge Raad limitatief. Wel kunnen alle omstandigheden in aanmerking worden genomen die licht kunnen werpen op de gezichtspunten, genoemd in artikel 13 Ontslagregeling Pro. [3]
Bij de beoordeling is voorts van belang dat uit de toelichting op artikel 13 van Pro de Ontslagregeling kan worden afgeleid dat het hier gaat om de uitwisselbaarheid van functies en niet van medewerkers. De toets op uitwisselbaarheid is dus objectief gerelateerd aan de functie en niet subjectief aan de medewerkers. [4]
4.9.
Indien binnen een onderneming een nieuwe functie is of wordt gecreëerd die duidelijke overeenkomsten vertoont met de (te) vervallen functie, en de beide functies als uitwisselbaar moeten worden beschouwd, is geen sprake van het verval van een arbeidsplaats, zo volgt uit de toelichting op artikel 13 Ontslagregeling Pro. [5]
4.10.
In geval geen sprake is van uitwisselbaarheid tussen de vervallen en de nieuwe functies en een werknemer als boventallig kan worden aangemerkt, rust op de werkgever de verplichting om te onderzoeken of herplaatsing van de werknemer mogelijk is (artikel 7:669 lid 1 BW Pro). In artikel 9 Ontslagregeling Pro zijn nadere regels opgenomen met betrekking tot dit herplaatsingsvereiste. Bij herplaatsing dient te worden gekeken naar of er een passende functie beschikbaar is voor de werknemers die boventallig zijn verklaard. Van een passende functie is volgens artikel 9 lid 3 Ontslagregeling Pro sprake wanneer deze aansluit bij de opleiding, ervaring en capaciteiten van de werknemer. Bij de beoordeling of sprake is van een passende functie kan dus wel gekeken worden naar de subjectieve/persoonlijke omstandigheden van de werknemer. Of een boventallige werknemer kan worden herplaatst in een passende functie, is immers afhankelijk van de beoordeling of hij geschikt is voor deze functie.
4.11.
Uit de toelichting op de Ontslagregeling volgt dat het in het kader van het herplaatsingsvereiste in beginsel aan de werkgever is om te beoordelen welke werknemer voor het vervullen van een vacature het meest geschikt is. Indien echter een categorie uitwisselbare functies wordt opgeheven en een deel van de werkzaamheden wordt voortgezet in een andere functie, die niet met de vervallen functie uitwisselbaar is, behoort de werkgever deze functie in beginsel eerst aan te bieden aan de werknemer die daarvoor geschikt is en op grond van het afspiegelingsbeginsel als laatste voor ontslag in aanmerking zou komen. Dit betreft het zogeheten omgekeerde afspiegelingsbeginsel. [6] De verplichting om het aanbieden van de functie op basis van de hoogste afspiegelingsrechten geldt niet ten aanzien van werknemers die weliswaar niet als ‘geschikt’ zijn aangemerkt, maar wel als (door om- of bijscholing) ‘geschikt te maken’ zijn. [7]
4.12.
Er dient zo objectief mogelijk te worden vastgesteld dat een werknemer niet geschikt is. Het is aan de werkgever om te stellen en bij betwisting aannemelijk te maken dat een boventallige werknemer niet geschikt is. Bij de selectie van werknemers voor een nieuwe functie is het van belang dat de selectieprocedure aan de hand van objectieve criteria geschiedt en inzichtelijk is voor de werknemers. Er moet blijkens vaste rechtspraak sprake zijn van een gedegen inzichtelijke en objectieve, door, indien aanwezig, de OR goedgekeurde systematiek met betrekking tot de selectie van de werknemers (mede) op basis van competenties, waarin zo nodig een assessment een rol speelt. De objectiviteit van de selectieprocedure kan worden bevorderd door een begeleidings- of sollicitatiecommissie aan te stellen. In een dergelijke commissie kunnen zowel leden van de kant van de werknemers als van de kant van de werkgever plaatshebben, waardoor (de schijn van) willekeur wordt vermeden. Het is voor alle werknemers van belang dat zij kunnen nagaan dat de selectieprocedure eerlijk is verlopen. [8]
Peilmoment voor uitwisselbaarheid functies
4.13.
Voor de beantwoording van de vraag of de oude functie van [eiser] uitwisselbaar is met de (nieuwe) functie van Manager SCM Indirect & IT, dient allereerst te worden vastgesteld van welk peilmoment dient te worden uitgegaan, nu dit tussen partijen in geschil is. Zo begrijpt de kantonrechter dat volgens [eiser] dient te worden uitgegaan van de functie zoals hij deze na 1 januari 2025 uitoefende en is TenneT van mening dat dient te worden gekeken naar de functie van [eiser] zoals deze vóór 1 januari 2025 was.
4.14.
Naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter dient bij de beoordeling van de uitwisselbaarheid van de functies te worden uitgegaan van de oude functie van [eiser] zoals hij deze vóór 1 januari 2025 vervulde, zijnde de functie van Lead SCM IT-S.
4.15.
Bij dit oordeel is in de eerste plaats betrokken dat volgens TenneT bij de herstructurering voor wat betreft al haar werknemers van de werkzaamheden van vóór deze datum is uitgegaan. Deze handelswijze wordt door de kantonrechter, gelet op de omstandigheid dat de herstructurering in twee fases is uitgevoerd waarvan fase 1 startte op 1 januari 2025 én de organisatiestructuur vanaf die datum slechts van tijdelijke aard was, niet onredelijk geacht.
4.16.
In de tweede plaats heeft de kantonrechter in zijn oordeel betrokken dat uit de brief van TenneT van 2 december 2024 (productie 1 bij verweerschrift) volgt dat tijdig aan [eiser] is gecommuniceerd dat bij de bepaling van welke functies ongewijzigd zouden blijven, wijzigen of vervallen een vergelijking zou worden gemaakt tussen de functie direct voorafgaand aan Day 1, zijnde 1 januari 2025, en de functies die er vanaf de Target Organisatie zouden zijn. Het peilmoment was voor [eiser] vooraf dan ook duidelijk.
4.17.
Tot slot volgt ook uit de toelichting bij artikel 13 Ontslagregeling Pro dat functies die duidelijk een tijdelijk karakter hebben bij de beoordeling of sprake is van uitwisselbaarheid van functies, buiten beschouwing dienen te worden gelaten. Dat de functie van Lead SCM-IND voor [eiser] een tijdelijk karakter had, volgt naar het oordeel van de kantonrechter onmiskenbaar uit de brief van TenneT van 16 december 2024 (productie 2 bij verweerschrift). Hierin schrijft TenneT namelijk dat [eiser] de functie van Lead SCM-IND tijdelijk zou waarnemen naast de functie van Lead SCM IT-S tegen betaling van een (tijdelijke) toeslag, totdat de Target organisatie zou zijn gerealiseerd. Ook vermelde TenneT daarbij uitdrukkelijk dat aan de tijdelijke waarneming naast de toeslag geen andere rechten konden worden ontleend.
De functies van Lead SCM IT-S en Manager SCM Indirect & IT zijn niet uitwisselbaar
4.18.
In geschil is tussen partijen of de oude functie van [eiser] als Lead SCM IT-S uitwisselbaar is met de functie van Manager SCM Indirect & IT. Naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter is dat niet het geval.
4.19.
TenneT heeft namelijk gesteld en voldoende onderbouwd dat sprake is van (wezenlijke) verschillen tussen de beide functies en hetgeen daartegen door [eiser] naar voren is gebracht is in deze kort geding procedure onvoldoende om van een ander oordeel uit te gaan.
4.20.
In dit verband wordt er allereerst op gewezen dat in ieder geval kan worden vastgesteld dat er sprake is van een verschil in inschaling (de functie van Manager SCM Indirect & IT is hoger gewaardeerd, namelijk schaal 19), hetgeen op zichzelf al een belangrijke aanwijzing vormt dat de functies niet gelijkwaardig zijn. Daarbij komt dat de functies ook voor wat betreft hun inhoud wezenlijk van elkaar verschillen. Zo is de functie van Manager SCM Indirect & IT ten opzichte van de functie van Lead SCM IT-S geografisch beperkt, namelijk uitsluitend nationaal, en richt deze functie zich naast IT-inkoop ook op Indirecte inkoop, welke inkoop volgens TenneT omvat alle niet-IT-goederen en diensten, waaronder HR-diensten, marketing, facility, mobiliteit en consultancy. Dit verschil in functie inhoud vergt ook andere kennis en vaardigheden, namelijk ten aanzien van deze indirecte diensten. Verder verschilt de rapportagelijn nu de functie van Manager SCM Indirect & IT onderdeel uitmaakt van een andere business unit, namelijk Finance & Performance DTT. De voornoemde omstandigheden tezamen maken naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter al dat gesproken kan worden van wezenlijke verschillen tussen de beide functies. Van belang is bovendien dat ook door de begeleidingscommissie is geoordeeld dat sprake is van een gewijzigde functie.
4.21.
TenneT heeft er daarnaast ook nog op gewezen dat in de functie van Manager SCM Indirect & IT nadruk komt te liggen op verwezenlijking van de Real-Estate ambities, hetgeen om een andere strategische denkcapaciteit vraagt en dat de wijziging in rapportagelijn meer verantwoordelijkheid en autonomie met zich brengt. Tot slot heeft zij benoemd dat het nieuwe leiderschapsprofiel maakt dat de leiderschapstaken zijn verzwaard en de gevraagde competenties zijn gewijzigd. Naar het oordeel van de kantonrechter vormt de hogere inschaling van de functie van Manager SCM Indirect & IT een belangrijke aanwijzing voor deze door TenneT genoemde verzwaring in competenties en taken.
4.22.
[eiser] heeft diverse stellingen/argumenten naar voren gebracht ter onderbouwing van zijn standpunt dat wel sprake is van uitwisselbaarheid van de beide functies, maar deze treffen om de hierna te vermelden redenen geen doel.
4.23.
Zo heeft [eiser] er onder meer op gewezen dat TenneT geen functiebeschrijving heeft overgelegd van de functie van Lead SCM ITS, zodat volgens hem ook geen goede vergelijking van de beide functies kan worden gemaakt. Hoewel juist is dat normaliter de functiebeschrijving als uitgangspunt wordt genomen bij het vaststellen van de functie-inhoud, geldt dat in dit geval de onder rechtsoverweging 4.20 genoemde verschillen, die reeds voldoende zijn geacht, ook zonder deze functieomschrijving vastgesteld konden worden. Het niet overleggen van de door [eiser] genoemde functieomschrijving leidt in dit geval dan ook niet tot een ander oordeel.
4.24.
De door [eiser] naar voren gebrachte omstandigheid, inhoudende dat hij ook vóór 1 januari 2025 al taken op het gebied van Indirecte verkoop verrichte tijdens ziekte en vakantie van zijn collega(s), maakt niet dat deze taken meegenomen dienen te worden bij de beoordeling of sprake is van uitwisselbaarheid van functies. Uit de toelichting op artikel 13 Ontslagregeling Pro volgt immers duidelijk dat werkzaamheden met een duidelijk tijdelijk karakter buiten beschouwing dienen te worden gelaten.
4.25.
[eiser] heeft ter onderbouwing van zijn standpunt dat zijn oude functie niet is vervallen, een vergelijking gemaakt met de functie van Manager Vendor Management. Dat deze vergelijking opgaat is de kantonrechter echter niet gebleken nu dit door TenneT gemotiveerd is betwist. Daarbij heeft TenneT er onder meer op gewezen dat de functie van Manager Vendor Management, die voorheen was genaamd Lead Vendor & Supply Management, voor de herstructurering al was ingeschaald in schaal 19, geen internationale verantwoordelijkheid kende (anders dan samenwerking) en van aard en inhoud verschilde. Dat dit anders was is door [eiser] (met onder meer productie 16) ook niet aangetoond.
4.26.
Door [eiser] is verder nog aangevoerd dat een toetsbare conclusie/rapport van Korn Ferry, die volgens TenneT betrokken zou zijn geweest bij de indeling van functies, door TenneT niet is overgelegd, terwijl daarnaast uit het advies van de OR ook zou volgen dat er geen onafhankelijke externe partij betrokken is geweest. TenneT heeft ten aanzien van dit punt op de mondelinge behandeling verduidelijkt dat Korn Ferry zich enkel heeft bezig gehouden met de inschaling van de functies en niet met de uitwisselbaarheid. Uit onder meer de Adviesaanvraag aan de OR (productie 6 bij dagvaarding) volgt dit ook, nu hierin staat vermeld dat TenneT samen met Korn Ferry kijkt naar de weging van de functies. De kantonrechter heeft voor het overige ook geen aanknopingspunten om aan te nemen dat Korn Ferry niet door TenneT is ingeschakeld en/of de inschaling van de functie niet juist zou zijn, voor zover [eiser] dit heeft willen betogen. De enkele omstandigheid dat er geen onderliggende stukken van Korn Ferry zijn overgelegd, rechtvaardigt deze conclusie in ieder geval niet, temeer nu er in dit kort geding geen ruimte is om daadwerkelijke bewijslevering.
4.27.
Tot slot heeft [eiser] ten aanzien van de uitspraak van de begeleidingscommissie benoemd dat deze niet is ondertekend en dat hierin ook geen namen van de leden van de begeleidingscommissie zijn genoemd, zodat voor hem onduidelijk is of zijn bezwaar daadwerkelijk door de begeleidingscommissie is beoordeeld en wie hierin zitten. Ook ten aanzien van dit punt is de kantonrechter van oordeel dat, hoewel begrijpelijk is dat het ontbreken van namen en een handtekening tot verwarring kan leiden, dit nog niet de conclusie rechtvaardigt dat het hier niet om een authentieke uitspraak van de begeleidingscommissie zou gaan en/of dat aan de inhoud daarvan geen enkele waarde kan worden gehecht. Uit meerdere stukken volgt immers dat er een begeleidingscommissie is samengesteld en door TenneT is ook benoemd wat de samenstelling daarvan is (namelijk twee OR-leden, een Lead Rewards & Benefits en de Programma Manager van D365). Uit de inhoud van productie 14 bij dagvaarding kan daarnaast worden afgeleid dat de zienswijzen van [eiser] , het management en HRBP zijn verzameld en dat er vervolgens een inhoudelijk oordeel door de begeleidingscommissie is gegeven.
4.28.
De conclusie luidt dan ook dat de beide functies zodanig verschillend zijn dat deze niet onderling uitwisselbaar zijn en [eiser] niet reeds om die reden geplaatst had moeten worden in de functie van Manager SCM Indirect & IT.
Het omgekeerde afspiegelingsbeginsel is niet van toepassing
4.29.
Vervolgens moet beoordeeld worden of [eiser] op grond van het ‘omgekeerde afspiegelen’ in de functie van Manager SCM Indirect & IT geplaatst had moeten worden. Naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter is dat niet het geval.
4.30.
Vooropgesteld wordt dat hoewel de functies van Lead SCM IT-S en Manager SCM Indirect & IT niet uitwisselbaar zijn, voldoende vaststaat dat een deel van de werkzaamheden van de functie van Lead SCM IT-S terugkomt in de functie van Manager SCM Indirect & IT. Tennet heeft het voorgaande namelijk niet betwist en dit volgt daarnaast ook uit al het overige dat door partijen naar voren is gebracht. Zo richten de beide managementfuncties zich op supply chain management en komt het onderdeel IT-inkoop, waar [eiser] zich in de functie van Lead SCM IT-S hoofdzakelijk mee bezig hield, in de functie van Manager SCM Indirect & IT terug.
4.31.
Gelet op het voorgaande stond het TenneT derhalve niet direct vrij om de functie van Manager SCM Indirect & IT in het kader van herplaatsing aan te bieden aan de meest geschikte kandidaat, maar diende zij de functie aan te bieden aan de werknemer die ‘geschikt’ was op basis van de omgekeerde afspiegelingsvolgorde. TenneT heeft op de zitting desgevraagd erkend dat [eiser] in geval van geschiktheid als eerste voor de functie van Manager SCM Indirect & IT in aanmerking kwam op grond van omgekeerde afspiegeling, zodat dit niet in geschil is. Wel heeft TenneT uitdrukkelijk bestreden dat [eiser] ‘geschikt’ is voor deze functie. De vraag of [eiser] al dan niet geschikt is voor de functie van Manager SCM Indirect & IT ligt hier dan ook ter beoordeling voor.
4.32.
Naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter heeft TenneT in het kader van deze kort geding procedure voldoende gesteld en onderbouwd dat [eiser] niet geschikt is voor de functie van Manager SCM Indirect & IT.
4.33.
Bij dit oordeel heeft de kantonrechter allereerst betrokken dat voldoende is gebleken dat TenneT ten aanzien van de plaatsingsprocedure de nodige maatregelen heeft getroffen om de objectiviteit en transparantie te waarborgen. Zo blijkt uit onder meer de producties 5 en 6 bij verweerschrift dat TenneT vooraf duidelijk aan haar medewerkers heeft gecommuniceerd op welke wijze het plaatsingsproces was ingericht. Dit plaatsingsproces is bovendien met de OR besproken en afgestemd. Daarnaast geldt dat voor wat betreft de inhoud van het plaatsingsproces vooraf is gemeld dat de medewerkers hun belangstelling voor een functie kenbaar konden maken, waarna achtereenvolgens een ontwikkelassessment en interview zou plaatsvinden. Dit interview zou plaatsvinden met de toekomstig direct leidinggevende (en voor zover die positie nog vacant was een vervanger) en een recruiter of business partner volgens een standaard opbouw en met toepassing van de STARR methode. Tot slot is door TenneT vooraf benoemd dat in geval een medewerker het niet eens is met de wijze waarop de plaatsingsprocedure is uitgevoerd, dit ter toetsing kon worden voorgelegd aan een daarvoor samengestelde begeleidingscommissie.
4.34.
Dat TenneT de vooraf aangekondigde werkwijze ten aanzien van [eiser] heeft gevolgd, staat ook wel vast. Daarbij heeft TenneT nog toegelicht dat zij voor wat betreft de kandidaten voor de functie van Manager SCM Indirect & IT exact dezelfde procedure heeft toegepast en dat dezelfde personen namens TenneT bij de interviews aanwezig waren. Omdat de direct leidinggevende van de positie van Manager SCM Indirect & IT op dat moment nog niet bekend was, is [naam 1] aangeschoven bij het gesprek. De verslaglegging van het interview is bovendien gedaan middels invulling van een vast formulier.
4.35.
Hoewel volgens de kantonrechter bij het plaatsingsproces kanttekeningen te maken zijn, onder meer ten aanzien van de beknopte invulling van het interviewformulier, de onduidelijkheid met betrekking tot de inzittenden van de begeleidingscommissie en de aanwezigheid van [naam 1] bij het interview, maken deze omstandigheden nog niet dat daarmee dus met voldoende zekerheid de conclusie kan worden getrokken dat [eiser] wel geschikt is voor de functie. Met betrekking tot laatstgenoemde kanttekening geldt bovendien dat TenneT ter zitting onbetwist heeft gesteld dat [HR 1] , die namens HR het interview afnam, de beide kandidaten vooraf niet kende en dat zij ook niet bekend was met de stelling van [eiser] dat sprake zou zijn geweest van een klokkenluidersmelding en dat [naam 1] eind maart 2025 het vertrouwen in [eiser] zou hebben opgezegd. Dat het interview in het geheel niet objectief is geweest, kan dan ook in het kader van dit kort geding niet worden vastgesteld. Daarbij komt dat door [eiser] tot op heden ook geen bezwaar is ingediend bij de begeleidingscommissie over de wijze waarop de sollicitatieprocedure is uitgevoerd.
4.36.
TenneT heeft haar stelling dat op redelijke gronden tot ongeschiktheid van [eiser] voor de functie is geconcludeerd, voldoende onderbouwd. Daarbij wordt vooropgesteld dat als zodanig niet in geschil lijkt te zijn dat [eiser] voor wat betreft de voor de functie van Manager SCM Indirect & IT vereiste kennis en ervaring (grotendeels) voldeed. De kantonrechter begrijpt echter dat TenneT [eiser] met name voor wat betreft de voor de functie vereiste zogenoemde ‘soft skills’ niet geschikt achtte. Dat deze soft skills belangrijk waren voor de functie van Manager SCM Indirect & IT volgt voldoende uit de in de functieomschrijving vermeld staande ervaring, competenties en TenneT-waarden en daarop is door middel van het ontwikkelassessment en interview ook getoetst. Uitkomst van deze toets was dat [eiser] ondermaats scoorde op de onderdelen klantgerichtheid, organisatiebewustzijn en doeltreffend communiceren en dat het voor wat betreft de ontwikkelbaarheid van deze competenties nogal wat inspanning van [eiser] vergt om deze te laten zien. Daarnaast heeft TenneT er, onder verwijzing naar het interviewformulier, op gewezen dat [eiser] tijdens het gesprek onvoldoende voor het voetlicht heeft gebracht op welke wijze hij in de nieuwe functie uitvoering zou gaan geven aan de gevraagde samenwerkingsskills.
4.37.
[eiser] heeft hier onvoldoende tegenover gezet om te kunnen concluderen dat hij op alle onderdelen direct geschikt is voor de functie van Manager SCM Indirect & IT. Daarbij wordt er nog op gewezen dat zover [eiser] op bepaalde onderdelen nog wel geschikt te maken is, dit voor de kwalificatie van ‘geschikt’ in het kader van het omgekeerde afspiegelingsbeginsel niet ter zake doende is. [9] De omstandigheid dat [eiser] tijdelijk bepaalde taken heeft waargenomen, maakt voorts nog niet dat hij voor deze taken ook geschikt is. Zoals door TenneT ook al is benoemd is in een situatie als de onderhavige tot slot onvermijdelijk dat bij de beoordeling van bepaalde soft skills enige mate van subjectiviteit en ervaring wordt meegewogen.
4.38.
De slotsom is dan ook dat het omgekeerd afspiegelingsbeginsel niet hoefde te worden toegepast, zodat [eiser] ook op die grond niet geplaatst hoefde te worden in de functie van Manager SCM Indirect & IT.
Er is geen sprake van strijd met het benadelingsverbod ex artikel 17e Wbk
4.39.
[eiser] heeft zich ter onderbouwing van zijn vorderingen ook nog beroepen op het benadelingsverbod van artikel 17e Wbk. Ook dit beroep slaagt naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter niet.
4.40.
Uit artikel 17e Wbk volgt - samengevat - dat het een werkgever verboden is om een werknemer te benadelen als hij op redelijke gronden een vermoeden van een misstand meldt. Om klokkenluiders te beschermen is in artikel 17eb Wbk een bewijsvermoeden opgenomen. Als de werkgever een voor de werknemer benadelende maatregel neemt nadat hij een klokkenluidersmelding heeft gedaan, dan wordt vermoed dat de benadeling het gevolg is van de melding. Het is dan aan de werkgever om aan te tonen dat de benadelende maatregel om een andere reden dan de melding heeft plaatsgevonden.
4.41.
De kantonrechter is van oordeel dat, voor zover er door [eiser] al een melding in de zin van de Wbk is gedaan en [eiser] is benadeeld, TenneT voldoende heeft aangetoond dat het vervallen verklaren van de oude functie van [eiser] en het niet plaatsen van [eiser] in de functie van Manager SCM Indirect & IT geen verband houdt met deze melding.
4.42.
In dit kader wordt er allereerst op gewezen dat [eiser] als zodanig niet heeft bestreden dat de herstructurering niet tegen hem was gericht. Het vervallen verklaren van zijn functie is daarnaast onderdeel geweest van een grote herstructurering binnen TenneT waarbij in totaal rond de 200 functies als gewijzigd/vervallen zijn beschouwd. Dat de keuze om de functie van [eiser] te laten vervallen op enigerlei wijze is ingegeven door een klokkenluidersmelding van [eiser] , is door TenneT bestreden, hetgeen steun vindt in de herstructureringsplannen van TenneT, de omstandigheid dat deze plannen aan de OR zijn voorgelegd en dat [eiser] deze beslissing ook heeft kunnen laten toetsen door de begeleidingscommissie. Uit hetgeen hiervoor onder 4.32 tot en met 4.37 is overwogen volgt naar het oordeel van de kantonrechter voorts voldoende duidelijk dat de selectie voor de functie van Manager SCM Indirect & IT (louter) heeft plaatsgevonden op basis van geschiktheid voor die functie.
4.43.
Een en ander tezamen leidt ertoe dat de vordering van [eiser] om hem toe te laten in de functie van Manager SCM Indirect & IT wordt afgewezen.
De gevorderde schorsing van de selectie-, plaatsings- en/of benoemingsprocedure wordt afgewezen
4.44.
[eiser] heeft ook nog gevorderd om een eventuele selectie-, plaatsings- en/of benoemingsprocedure(s) voor de functie van Manager SCM Indirect & IT te schorsen. Deze vordering wordt eveneens afgewezen.
4.45.
Hiervoor is geoordeeld dat er naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter geen rechtsgrond bestaat voor plaatsing van [eiser] in de functie van Manager SCM Indirect & IT. Voor schorsing van een eventueel nog lopende selectie-, plaatsings- en/of benoemingsprocedure(s) voor deze functie bestaat dan ook evenmin aanleiding.
4.46.
Daarbij komt dat de vordering van [eiser] ook feitelijke rechtsgrond ontbeert, doordat niet is komen vast te staan dat er thans nog enige selectie-, plaatsings- en/of benoemingsprocedure voor de functie van Manager SCM Indirect & IT loopt. TenneT heeft dit namelijk voldoende gemotiveerd betwist. TenneT heeft daarbij onder meer aangevoerd dat zij al begin maart 2026 telefonisch aan [eiser] heeft gemeld dat hij niet voor de voornoemde functie is geplaatst en dat mevrouw [collega] voor deze functie is geselecteerd, hetgeen bij e-mail van 9 maart 2026 aan [eiser] is bevestigd (en welke e-mail ter zitting ook aan de kantonrechter is getoond). Dat de functie van Manager SCM Indirect & IT reeds is ingevuld, is daarnaast op het intranet van TenneT geplaatst. Per 1 mei 2026 is [collega] volgens TenneT ook daadwerkelijk gestart in de functie van Manager SCM Indirect & IT. De enkele stelling van [eiser] , inhoudende dat hij niet weet of er nog een procedure loopt, is in het licht van het voorgaande onvoldoende om van een ander oordeel uit te gaan.
Proceskosten
4.47.
[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van TenneT worden begroot op:
- salaris gemachtigde
1.154,00
- nakosten
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.298,00

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
wijst de vorderingen van [eiser] af,
5.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 1.298,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. W. van der Boon en in het openbaar uitgesproken op 4 juni 2026.
2108

Voetnoten

2.Hoge Raad 15 februari 2019, ECLI:NL:HR:2019:229
3.Hoge Raad 15 februari 2019, ECLI:NL:HR:2019:229
4.Toelichting bij de Ontslagregeling: Staatscourant. 2015, nr. 12685, p. 20
5.Toelichting bij de Ontslagregeling: Staatscourant. 2015, nr. 12685, p. 20
6.Toelichting bij de Ontslagregeling: Staatscourant. 2015, nr. 12685, p. 15
7.Hoge Raad 13 juli 2018, ECLI:NL:HR:2018:1212
8.Hulsteijn-Botter, De stoelendans anno 2018,
9.Hoge Raad 13 juli 2018, ECLI:NL:HR:2018:1212