Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2026:4570

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
11 juni 2026
Publicatiedatum
10 juni 2026
Zaaknummer
ARN 25/651 en 25/656
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5.4, vierde lid, aanhef en onder c, Wet natuurbeschermingArt. 8.104, eerste lid, onder a en c, Besluit kwaliteit leefomgevingArt. 8.74t, tweede lid, onder a, Besluit kwaliteit leefomgevingWet wapens en munitie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep tegen intrekking jachtaktes wegens ontbreken procesbelang

Eisers, vader en zoon, hadden jachtaktes voor het gebruik van jachtgeweren die door de korpschef werden ingetrokken vanwege het opslaan van wapens op een onjuiste locatie. Na een eerdere intrekking en bezwaarprocedure handhaafde de minister het besluit tot intrekking. Eisers stelden beroep in tegen deze intrekking.

Tijdens de procedure bleek dat eisers inmiddels nieuwe jachtaktes hadden verkregen, waardoor het jachtseizoen waarvoor de intrekking gold was verstreken. De rechtbank beoordeelde ambtshalve of er nog sprake was van procesbelang bij het beroep. Gezien het feit dat eisers weer over geldige jachtaktes beschikken en het intrekkingsbesluit betrekking had op een inmiddels afgesloten jachtseizoen, concludeerde de rechtbank dat het procesbelang was komen te vervallen.

De rechtbank oordeelde dat zonder procesbelang het beroep niet-ontvankelijk is en dat de inhoudelijke beoordeling van het beroep achterwege blijft. Eisers brachten geen andere gronden aan die het procesbelang konden herstellen, zoals geleden schade. De rechtbank wees het beroep daarom af zonder inhoudelijke beoordeling en zonder vergoeding van proceskosten.

Uitkomst: Het beroep tegen de intrekking van de jachtaktes wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van procesbelang.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummers: ARN 25/651 en 25/656

uitspraak van de enkelvoudige kamer van

in de zaken tussen

[eiser 1], uit [plaats 1], eiser 1 (25/651)

(gemachtigde: mr. J.P.A. van Schaik),
en

[eiser 2], uit [plaats 1], eiser 2 (ARN 25/656)

(gemachtigde: mr. J.P.A. van Schaik),
en

de minister van Justitie en Veiligheid

(gemachtigde: A.L. de Gier).

Als derde-partij neemt aan de zaak deel: de korpschef.

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de intrekking van de omgevingsvergunningen voor een jachtgeweeractiviteit van eisers. Eisers zijn het niet eens met deze intrekking en voeren daarom verschillende beroepsgronden aan. De rechtbank beoordeelt de intrekking aan de hand van deze beroepsgronden.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep niet-ontvankelijk is, omdat eisers geen procesbelang meer hebben. Dat betekent dat het beroep niet inhoudelijk wordt beoordeeld. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.2.
Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3 staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 4. Aan het eind staan de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.

Procesverloop

2. De korpschef heeft de jachtaktes van eisers ingetrokken met het besluit van 6 november 2023. Met het bestreden besluit van 28 maart 2025 op het bezwaar van eisers is de minister bij de intrekking van de jachtaktes gebleven.
2.1.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 16 april 2026 op zitting behandeld, waar de gemachtigde van de minister is verschenen. Eisers hebben laten weten dat zij, om niet nog meer kosten te maken in de procedure, niet op zitting zullen verschijnen.

Totstandkoming van het besluit

3. Zowel eiser 1 (zoon) als eiser 2 (vader) woonden oorspronkelijk op de boerderij gelegen aan de [locatie 1] te [plaats 2], het huidige adres van eiser 1. Eiser 2 was jachthouder van het jachtveld en nadat ook eiser 1 zijn jachtakte had verkregen, is hij medegebruiker geworden van het jachtveld. Eiser 1 heeft zelf jachtwapens gekocht, die zijn bijgeschreven op de akte van eiser 2. Er was sprake van één wapenkluis op één adres met twee gebruikers van de wapens. In 2019 is eiser 2 verhuisd naar de woning aan de [locatie 2] te [plaats 1]. Eiser 1 is op de boerderij blijven wonen.
3.1.
Op 14 maart 2023 heeft de politie bij eiser 1 een controle legaal wapenbezit op grond van de Wet wapens en munitie (Wwm) uitgevoerd. Naar aanleiding van deze controle heeft de politie een proces-verbaal van bevindingen opgemaakt, waarin is vermeld dat eiser 1 vier wapens in medegebruik op zijn naam heeft staan, die hij met eiser 2 deelt. Daarnaast is geconstateerd dat eiser 1 drie wapens in een vaststaande kluis had staan. Op 14 maart 2023 heeft de politie ook bij eiser 2 een controle legaal wapenbezit op grond van de Wwm uitgevoerd. Daarbij is geconstateerd dat eiser 2 één wapen in een vaststaande kluis had staan.
3.2.
Op 3 april 2023 heeft de korpschef een voornemen tot intrekking van de jachtakte aan eisers gestuurd, vanwege het feit dat de wapens aanwezig waren op een onjuiste locatie. Eisers hebben op 20 april 2023 een zienswijze ingediend.
3.3.
Op 25 mei 2023 heeft de korpschef het besluit genomen om de jachtaktes niet in te trekken. De korpschef is tot dit besluit gekomen omdat de politie bij controles in het verleden niet op juiste wijze heeft gehandeld, waardoor de situatie in stand is gebleven. Omdat de situatie niet uitsluitend aan eisers is toe te rekenen, achtte de korpschef het onevenredig om de jachtaktes in te trekken. Alles overwegend was de korpschef van oordeel dat er ten aanzien van eisers geen grond was voor vrees voor misbruik. Kort na dit besluit heeft een telefoongesprek plaatsgevonden tussen mevrouw [persoon A] en eisers, waarin is gesproken over de splitsing van het jachtveld en het op de juiste locatie bewaren van de wapens.
3.4.
Vervolgens heeft de politie op 17 juli 2023 opnieuw een controle uitgevoerd bij eiser 2 en op 18 juli 2023 bij eiser 1. Tijdens deze controles heeft de politie geconstateerd dat bij beiden twee wapens waren opgeslagen. Daarbij is door de politie aangegeven dat deze situatie niet voldeed aan de regels voor gemeenschappelijk gebruik van wapens.
3.5.
Bij besluit van 6 november 2023 heeft de korpschef de jachtaktes van eisers op grond van artikel 5.4, vierde lid, aanhef en onder c, van de Wet natuurbescherming (Wnb), thans artikel 8.104, eerste lid, onder a en c, van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl), ingetrokken. Daarnaast is op grond van artikel 8.74t, tweede lid, onder a, van het Bkl de aanvraag van eiser 1 voor de bijschrijving op het wapenverlof geweigerd. Bij besluit van 8 januari 2025 heeft de minister het besluit van de korpschef gehandhaafd.

Beoordeling door de rechtbank

Hebben eisers nog procesbelang?
4. Op 14 april 2026 hebben eisers aan de rechtbank laten weten dat zij in de loop van het beroep opnieuw een aanvraag hebben gedaan aan de korpschef om een omgevingsvergunning voor een jachtgeweeractiviteit te verkrijgen en om weer over hun wapens te mogen beschikken. Deze verzoeken zijn op 9 april 2026 gehonoreerd.
4.1.
De rechtbank beoordeelt ambtshalve of eisers procesbelang hebben bij dit beroep. De ingetrokken jachtaktes hebben namelijk betrekking op het jachtseizoen 2023/2024, dat liep van 1 april 2023 tot en met 31 maart 2024. Dit seizoen is inmiddels verstreken.
4.2.
Procesbelang is het belang dat eisers hebben bij de uitkomst van een procedure. Het betreft niet de vraag óf eisers gelijk hebben, maar of zij een reëel en actueel belang hebben bij dat gelijk, als dit zou worden vastgesteld. De vraag of sprake is van procesbelang wordt daarom beantwoord naar de stand van zaken op het moment van beoordeling van het beroep. [1] Daarbij gaat het erom of het doel dat eisers met het rechtsmiddel voor ogen staat, kan worden bereikt en voor hen van feitelijke betekenis is. In beginsel heeft degene die opkomt tegen een besluit procesbelang bij een beoordeling van zijn beroep, tenzij vast komt te staan dat ieder belang bij de procedure ontbreekt of is komen te vervallen. Het moet gaan om een actueel en reëel belang bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep. Als dat belang is vervallen, is de bestuursrechter niet geroepen uitspraak te doen uitsluitend vanwege de principiële betekenis daarvan. [2] Volgens vaste rechtspraak [3] kan het belang bij een oordeel over de rechtmatigheid van een besluit zijn gelegen in de omstandigheid dat dit oordeel kan worden betrokken bij toekomstige besluiten. Ook kan procesbelang bestaan als wordt gesteld dat schade is geleden ten gevolge van bestuurlijke besluitvorming. [4]
4.3.
De rechtbank oordeelt dat geen sprake meer is van procesbelang. De rechtbank stelt vast dat eisers inmiddels weer beschikken over nieuwe jachtaktes. Hieruit volgt dat geen procesbelang meer bestaat bij een oordeel over de rechtmatigheid van het besluit tot intrekking van de jachtaktes. Immers, gebleken is dat de korpschef bereid is eisers opnieuw een jachtakte te verlenen. De uitkomst van deze procedure heeft daarom geen invloed meer op toekomstige aanvragen van eisers.
4.4.
Mogelijk andere redenen om procesbelang te kunnen aannemen, zoals geleden schade, hebben eisers niet naar voren gebracht. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is niet-ontvankelijk, omdat eisers geen procesbelang meer hebben. Dat betekent dat de rechtbank het beroep niet inhoudelijk beoordeelt. De proceskosten worden niet vergoed.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van Harten, rechter, in aanwezigheid van
mr. J. van Oosterhout, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Uitspraak van de Afdeling van 23 januari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:186
2.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 13 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3857, r.o. 6.1 en de uitspraak van de Afdeling van 8 oktober 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4812, r.o. 6.1.
3.Bijvoorbeeld ABRvS 25 februari 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BH4009.
4.Zie ABRvS 6 oktober 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2219.