Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2026:4568

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
10 juni 2026
Publicatiedatum
10 juni 2026
Zaaknummer
05.391760.24 + 08.317294.22 (TUL)
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:106 BWArt. 6:166 lid 1 BWArt. 9 SrArt. 14a SrArt. 14b Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor openlijke geweldpleging in vereniging met schadevergoeding

Op 4 augustus 2024 mishandelde een groep van vijf personen, waaronder de twee verdachten, het slachtoffer in het horecagebied van de Hoofdstraat te Apeldoorn. Het slachtoffer liep ernstig letsel op, waaronder een gebroken jukbeen en hoofdletsel. Camerabeelden en verklaringen bevestigden de betrokkenheid van de verdachten.

De rechtbank stelde vast dat verdachte 2 (27 jaar) het slachtoffer met zijn hand tegen het hoofd sloeg, waardoor het slachtoffer bewusteloos viel. Verdachte 1 (31 jaar) was eveneens actief betrokken. De rechtbank achtte bewezen dat verdachte 2 een significante bijdrage leverde aan het geweld en veroordeelde hem voor openlijke geweldpleging in vereniging.

De straf bestaat uit een taakstraf van 150 uur en een voorwaardelijke gevangenisstraf van 30 dagen voor verdachte 2, en een taakstraf van 150 uur met een deels voorwaardelijke gevangenisstraf van 32 dagen voor verdachte 1. Daarnaast werd aan beide verdachten een schadevergoeding van in totaal €2.649,96 aan het slachtoffer opgelegd, inclusief smartengeld en materiële schade, met wettelijke rente en hoofdelijke aansprakelijkheid.

De rechtbank legde bijzondere voorwaarden op waaronder meldplicht bij de reclassering en deelname aan een gedragsinterventie. Tevens werd de tenuitvoerlegging van een eerdere voorwaardelijke taakstraf bevolen. De uitspraak benadrukt de ernst van uitgaansgeweld en de maatschappelijke impact daarvan.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot taakstraf, voorwaardelijke gevangenisstraf en schadevergoeding voor openlijke geweldpleging in vereniging.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Arnhem
Parketnummer: 05.391760.24 + 08.317294.22 (TUL)
Datum uitspraak : 10 juni 2026
Tegenspraak (279 Sv)
vonnis van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte],
geboren op [geboortedag] 1999 te Curaçao, wonende aan [adres] in [woonplaats] .
raadsvrouw: mr. J. Klomp, advocaat in Enschede.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op openbare terechtzittingen.

1.De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 4 augustus 2024 te Apeldoorn openlijk, te weten in het horecagebied gelegen aan/in de Hoofdstraat, in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [slachtoffer] , door genoemde [slachtoffer]
- tegen diens hoofd, benen en/of lichaam te stampen, schoppen en/of slaan
en/of
- aan diens arm(en) te trekken en/of vast te houden.
2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs [1]
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het plegen van openlijk geweld tegen [slachtoffer] . Wel dient verdachte vrijgesproken te worden voor het schoppen of stampen tegen het hoofd van verdachte. Die gedragingen zijn volgens de officier niet in vereniging gepleegd, maar door één van de medeverdachte (namelijk medeverdachte [medeverdachte 2] ).
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft bepleit dat verdachte moet worden vrijgesproken. Daartoe is aangevoerd dat hij niet heeft bijgedragen aan de mishandeling van [slachtoffer] , maar dat hij slechts aanwezig was bij de betrokken groep. Dit is onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voor het aannemen van een significante en wezenlijke bijdrage aan het geweld tegen [slachtoffer] .
Beoordeling door de rechtbank
In de nacht van 4 augustus 2024 omstreeks 04.00 uur was verbalisant [verbalisant 1] samen met verbalisant [verbalisant 2] belast met een horecadienst in het centrum van Apeldoorn. Zij hoorden over de portofoon dat er een man buiten bewustzijn lag ter hoogte van de fietsenstalling aan de Paslaan in Apeldoorn. Ter plaatse aangekomen zagen verbalisanten een man met een bebloed gezicht op de grond liggen en hoorden zij omstanders zeggen dat een groep van vier of vijf Antillianen hem meermaals op zijn hoofd zou hebben geschopt. Het slachtoffer bleek [slachtoffer] te zijn (hierna: [slachtoffer] ). [2]
[slachtoffer] is onderzocht en behandeld op de spoedeisende hulp. Bij [slachtoffer] werd het volgende letsel geconstateerd: hoofdletsel met inprentingsstoornissen zonder zichtbare aanwijzingen voor hersenletsel, een gebroken jukbeen links, sterretjes zien met linker oog, een forse zwelling en paarse verkleuring van het linker oor, een wond aan de linker onder kaak en een wond links van de linker wenkbrauw. [3]
In die nacht waren er camera’s van cameratoezicht gericht op de kruising tussen de Paslaan en de Hoofdstraat in Apeldoorn. Op de beelden die zijn opgenomen met deze camera’s tussen 03.58.06 uur en 04.04.32 uur (hierna: de camerabeelden) is te zien dat een groep van vier personen een ander persoon (slachtoffer) mishandeld. Na deze mishandeling viel het slachtoffer op zijn hoofd en leek hij tweemaal op zijn hoofd te worden gestampt door (naar later bleek) verdachte [medeverdachte 2] . Op dat moment was ook te zien dat het lichaam van het slachtoffer bewoog. De camerabeelden zijn door de politie veiliggesteld ten behoeve van het onderzoek. [4]
De politie heeft onderzoek gedaan naar de personen die op de camerabeelden te zien zijn. Zij hebben de camerabeelden van de mishandeling bekeken en de verdachten van deze mishandeling daarna op de camerabeelden gevolgd. De politie heeft de personen genummerd met de nummers 1 tot en met 5. Voor zover relevant in deze zaak zijn door verbalisanten de volgende personen herkend:
  • Verdachte 1 is herkend als [medeverdachte 1] ;
  • Verdachte 2 is herkend als [verdachte] .
Aan verdachte zijn onder andere camerabeelden getoond van na de mishandeling. Verdachte [verdachte] (hierna: [verdachte] ) herkent zichzelf op deze beelden als degene die aan het einde van het filmpje links onderin staat. [6] Dat deze persoon op de beelden van na de mishandeling, waarin [verdachte] zichzelf herkent, dezelfde persoon is als degene die op de beelden van de mishandeling als verdachte 2 wordt aangemerkt, stelt de rechtbank vast aan de hand van een aanvullend proces-verbaal van bevindingen waarin verbalisant [verbalisant 3] aangeeft dat hij de camerabeelden van achtereenvolgens de Paslaan, de Hoofdstraat en de fietsenstalling veelvuldig en vanuit verschillende invalshoeken heeft bekeken. Daarbij heeft hij één voor één de verdachten gevolgd tijdens maar ook na het incident. Zijn conclusie ten aanzien van verdachte [verdachte] is dat dit de persoon is die wordt aangemerkt als verdachte 2 op de beelden van de mishandeling. [7] De rechtbank heeft geen reden aan deze conclusie te twijfelen en neemt deze dan ook over.
De rechtbank zal eerst voor verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] , in de volgorde van de nummering van de politie, vaststellen welke gedragingen door deze specifieke verdachte zijn verricht, waarbij telkens omwille van de leesbaarheid de naam van de verdachte zal worden gebruikt. Vervolgens zal de rechtbank ingaan op de vraag of en zo ja, in hoeverre het aan [verdachte] ten laste gelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen.
[medeverdachte 1] (verdachte 1)
Verbalisant [verbalisant 3] heeft op de camerabeelden onder andere waargenomen dat [slachtoffer] ineens door [medeverdachte 1] werd geslagen. [slachtoffer] liep direct met zijn hoofd naar beneden, voorover gebogen weg bij de groep. [medeverdachte 1] , die [slachtoffer] sloeg en daarna schopte, liep achter [slachtoffer] aan. Met zijn trap leek hij het achterwerk van [slachtoffer] te raken. Direct daarop sloeg [medeverdachte 1] met zijn rechterhand op het hoofd of in de nek van [slachtoffer] . Hierdoor boog [slachtoffer] naar voren, kennelijk door de kracht van de slag van [medeverdachte 1] . [medeverdachte 1] heeft [slachtoffer] ook vastgehouden. [8] [medeverdachte 1] begon met de mishandeling van [slachtoffer] . [9]
[verdachte] (verdachte 2)
[verdachte] rende naar [medeverdachte 1] en [slachtoffer] toe nadat het slachtoffer, kennelijk door de kracht van de slag van [medeverdachte 1] , naar voren boog. Terwijl [medeverdachte 1] het slachtoffer nog vast leek te houden, leek [verdachte] [slachtoffer] met zijn rechter hand tegen zijn hoofd te slaan. Op het moment dat anderen uit de groep trappende bewegingen maakten richting [slachtoffer] , stond [verdachte] achter hem en haalde hij hard met zijn rechterarm uit naar het hoofd van [slachtoffer] . Hierbij leek hij [slachtoffer] hard op zijn achterhoofd of de zijkant van zijn hoofd te raken. Direct daarna viel [slachtoffer] voorover op de grond, waarbij hij zijn armen en of handen niet gebruikte om zichzelf op te vangen. [slachtoffer] bleef roerloos liggen. [10]
Tussenconclusie
Gelet op het voorgaande, stelt de rechtbank vast dat een vijftal personen betrokken is geweest bij de mishandeling van slachtoffer [slachtoffer] . [verdachte] heeft [slachtoffer] tegen zijn hoofd geslagen, waardoor slachtoffer op de grond viel en roerloos bleef liggen. Op de camerabeelden wordt niet gezien dat [verdachte] tegen het hoofd, de benen en/of het lichaam van [slachtoffer] heeft gestampt of geschopt, dan wel dat hij aan diens armen heeft getrokken en/of hem heeft vastgehouden. De rechtbank zal [verdachte] vrijspreken van die geweldshandelingen.
Ten aanzien van het tenlastegelegde
Voor bewezenverklaring van openlijke geweldpleging moet sprake zijn van het in vereniging plegen van geweld. Uit vaste jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat van het “in vereniging” plegen van geweld sprake is indien een bijdrage wordt geleverd aan het geweld die voldoende significant of wezenlijk is. In dat kader dient de rechtbank dus te beoordelen of [verdachte] een voldoende significante en wezenlijke bijdrage aan het geweld heeft geleverd. Die bijdrage behoeft overigens niet van gewelddadige aard te zijn.
Gelet op de hierboven aangehaalde bewijsmiddelen, is de rechtbank van oordeel dat sprake is van geweldshandelingen van verschillende verdachten die tegen [slachtoffer] zijn verricht en die kunnen worden gezien als een aaneengesloten samenstel van handelingen die in één en dezelfde vechtpartij zijn verricht. De rechtbank heeft hiervoor reeds vastgesteld welke handelingen [verdachte] in dit verband heeft verricht. \Naar het oordeel van de rechtbank volgt daaruit dat verdachte een materiële bijdrage aan het geweld heeft geleverd die van voldoende gewicht is. [verdachte] heeft zich daarmee schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging in vereniging.
Conclusie ten aanzien van het tenlastegelegde
Op grond van het bovenstaande acht de rechtbank de tenlastegelegde openlijke geweldpleging in vereniging tegen [slachtoffer] wettig en overtuigend bewezen.

3.De bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
hij op
of omstreeks4 augustus 2024 te Apeldoorn openlijk, te weten in het horecagebied gelegen aan/in de Hoofdstraat,
in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [slachtoffer] , door genoemde [slachtoffer]
- tegen diens hoofd,
benen en/of lichaam te stampen, schoppen en/ofte slaan

en/of

- aan diens arm(en) te trekken en/of vast te houden.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.
Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.
Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4.De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:
Het openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen

5.De strafbaarheid van het feit

Het feit is strafbaar.

6.De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7.De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft, gelet op de ernst van het feit en het letsel, het strafblad van verdachte en het reclasseringsrapport, gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden waarvan 1 maand voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar met oplegging van de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft primair bepleit dat verdachte moet worden vrijgesproken. Subsidiair heeft de raadsvrouw aangevoerd dat rekening moet worden gehouden met alle persoonlijke omstandigheden van verdachte en in dat kader verzocht om aan verdachte een taakstraf op te leggen.
De beoordeling door de rechtbank
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.
Verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan een ernstige vorm van uitgaansgeweld. In de Hoofdstraat van Apeldoorn, een druk uitgaansgebied, heeft verdachte met anderen [slachtoffer] mishandeld. Deze mishandeling was dusdanig dat [slachtoffer] bewusteloos op de grond viel en daar roerloos bleef liggen. Verdachte en zijn mededaders hebben hem daar ‘gewoon’ laten liggen en hebben het hazenpad gekozen. Dit getuigt van een gebrek aan respect voor de lichamelijke integriteit en het welzijn van een medemens, in dit geval [slachtoffer] . Verdachte en zijn mededaders hebben zich enkel bekommerd om hun eigen vlucht en hebben [slachtoffer] aan zijn lot overgelaten. Gelukkig was er ander uitgaanspubliek aanwezig dat zich over [slachtoffer] ontfermde en bij hem bleef totdat de politie en ambulance ter plaatse kwam. Het geweld dat door de groep is toegepast, is ronduit schokkend. Verdachte nam daaraan deel. Dit soort uitgaansgeweld heeft een grote impact op de samenleving. Doordat omstanders en uitgaanspubliek ongewild worden geconfronteerd met dergelijk grof geweld, neemt het gevoel van onveiligheid en intolerantie steeds grotere vormen aan.
Uit het advies van de reclassering van 20 november 2025 komt naar voren dat het eerdere toezicht dat aan verdachte was opgelegd van april 2023 tot april 2025 moeizaam verliep. Gedurende dat toezicht is er ook weinig vooruitgang geboekt. In het gesprek dat de reclassering met verdachte voerde ten behoeve van het onderhavige rapport bleek de reclassering evenwel (tot hun verrassing, zo wordt vermeld) dat verdachte inmiddels positieve ontwikkelingen heeft doorgemaakt. Zo heeft hij op eigen kracht onderdak gevonden bij de maatschappelijke opvang van het [instelling] , verricht hij daar dagbesteding, krijgt hij begeleiding bij zijn financiën en schulden en heeft hij een ontvankelijke houding tegenover de – vanuit de opvang geboden – hulp en begeleiding. Verdachte wil zijn leven op de rit krijgen en een voorbeeld vormen voor zijn twee zoontjes. De reclassering acht de ontwikkelingen nog wel pril en zij sluit niet uit dat de positieve instelling van verdachte zal veranderen bij een opgelegd toezicht. Omdat verdachte echter wel motivatie toont voor een hernieuwd reclasseringscontact adviseert de reclassering wel om een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met daaraan gekoppeld als bijzondere voorwaarden een meldplicht en een gedragsinterventie cognitieve vaardigheden.
Bij de strafoplegging heeft de rechtbank de hiervoor genoemde omstandigheden in aanmerking genomen, alsook de straffen die rechters in vergelijkbare gevallen opleggen.
Alles overwegende is de rechtbank van oordeel dat, gelet op enerzijds de aard en de ernst van de feiten en anderzijds de positieve ontwikkelingen van verdachte, hoewel nog pril, een taakstraf voor de duur van 150 uren subsidiair 75 dagen hechtenis (met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering gesteld is geweest) met daarbij een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 maand, met een proeftijd van 2 jaren en daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering, passend en geboden is.

8.De beoordeling van de civiele vordering

De benadeelde partij [slachtoffer] heeft in verband met het feit een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 649,96 aan materiële schade en € 3.000,00 aan smartengeld, allebei vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
Standpunten
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij voor wat betreft het materiële deel geheel kan worden toegewezen. Er is tevens sprake van immateriële schade die voor vergoeding in aanmerking komt, maar niet voor het gehele bedrag. De officier van justitie wijst er in dit kader op dat in de zaak van medeverdachte [medeverdachte 2] het bedrag van € 3.000,00 is toegewezen, en dat gelet daarop een bedrag van € 3.000,00 in de onderhavige zaak aan de hoge kant is. Het voorgaande met toekenning van de wettelijke rente, en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Ten slotte wordt verzocht te bepalen dat verdachte en zijn medeverdachte voor de schade hoofdelijk aansprakelijk zijn.
De verdediging heeft zich voor wat betreft de vordering tot materiële schade gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Ten aanzien van de immateriële schade heeft de verdediging gesteld dat de vordering moet worden gematigd, omdat voor wat betreft de grondslag ‘aantasting in de persoon op andere wijze’ onvoldoende gesteld en onderbouwd is. De immateriële schadevordering kan enkel worden toegewezen op grond van het door benadeelde opgelopen lichamelijk letsel. Een bedrag van € 1.000,00 acht de verdediging in dit geval passend en redelijk.
Overweging van de rechtbank
Materiële schade
Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van verdachten rechtstreeks schade heeft geleden. De rechtbank overweegt dat de vordering voor wat betreft de materiële schade niet is betwist, voldoende onderbouwd is en redelijk voorkomt. De rechtbank wijst de vordering voor wat betreft de materiële schade dan ook volledig toe, te weten voor een bedrag van € 649,96.
Smartengeld
De benadeelde partij heeft volgens artikel 6:106 BW Pro recht op vergoeding van smartengeld in het geval dat:
  • verdachte het oogmerk had het nadeel toe te brengen,
  • de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen,
  • de benadeelde partij in zijn eer of goede naam is geschaad, of
  • de benadeelde partij op andere wijze in de persoon is aangetast.
Om te spreken van een aantasting in persoon op andere wijze moet sprake zijn van geestelijk letsel of een diepe inbreuk op de persoonlijke levenssfeer, persoonlijke integriteit of een fundamenteel recht.
Op basis van de bewijsmiddelen en wat ter zitting over de vordering is besproken, stelt de rechtbank vast dat de benadeelde partij door het bewezenverklaarde schade heeft geleden die binnen een categorie van artikel 6:106 van Pro het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) valt. Door het groepsgeweld heeft de benadeelde immers lichamelijk letsel opgelopen in de vorm van een gebroken jukbeen, hoofdletsel en wonden aan wenkbrauw, onderkaak en oor.
Op grond van artikel 6:106 BW Pro is verdachte gehouden om deze schade (die benadeelde als gevolg van het openlijke geweld heeft geleden) te vergoeden. Bij de vaststelling van die schade kijkt de rechtbank naar de aard van het letsel en naar de bedragen die Nederlandse rechters in (enigszins) vergelijkbare gevallen hebben toegekend. In dat kader heeft de rechtbank ook acht geslagen op de ‘Rotterdamse schaal’ en de door de Rechtspraak geformuleerde aanbevelingen daarop, die zijn geaccordeerd door het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS).
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het gevorderde schadebedrag van € 3.000,00 matigen tot een bedrag van € 2.000,00.
De rechtbank kan niet vaststellen dat sprake is van een ‘aantasting in de persoon op andere wijze’, gelet op de gemotiveerde betwisting door de verdediging, terwijl door benadeelde onvoldoende feiten en omstandigheden zijn gesteld ter onderbouwing van de stelling dat sprake zou zijn van een aantasting in de persoon op andere wijze. De hoogte van de schadevergoeding is dus niet mede bepaald op een aantasting in de persoon op andere wijze.
Wettelijke rente
Verdachte is:
  • over de materiële schade vanaf 7 september 2024 en
  • over de immateriële schade vanaf 4 augustus 2024
wettelijke rente over het toegewezen bedrag verschuldigd.
Groepsaansprakelijkheid
Artikel 6:166 lid 1 BW Pro bepaalt dat indien één van tot een groep behorende personen onrechtmatig schade toebrengt en de kans op het aldus toebrengen van schade deze personen had behoren te weerhouden van hun gedragingen in groepsverband, zij hoofdelijk aansprakelijk zijn indien deze gedragingen hun kunnen worden toegerekend.
De hoofdelijke aansprakelijkheid van de tot een groep behorende personen die deze bepaling in het leven roept, leidt ertoe dat de benadeelde die ten gevolge van een gedraging in groepsverband schade heeft geleden ter verkrijging van volledige vergoeding daarvan ermee kan volstaan één van de tot de desbetreffende groep behorende personen aan te spreken.
Blijkens de wetsgeschiedenis voorziet de regeling van artikel 6:166 BW Pro in een individuele aansprakelijkheid van tot een groep behorende personen (deelnemers) voor onrechtmatig vanuit de groep toegebrachte schade. De mate van betrokkenheid van de afzonderlijke deelnemers bij het onrechtmatig handelen is niet van belang. Deze individuele aansprakelijkheid vindt haar rechtvaardiging in een ieders bijdrage aan het in het leven roepen van de kans dat zodanige schade zou ontstaan. Zij vindt haar begrenzing in de eis dat de kans op het aldus toebrengen van schade hen had behoren te weerhouden van hun gedragingen in groepsverband (Hoge Raad 3 november 2020, ECLI:NL:HR:2020:1726).
Dat de rechtbank niet kan vaststellen wie van de verdachten de bij de benadeelde partij ontstane schade heeft veroorzaakt, staat in het onderhavige geval dus niet aan toewijzing van de vordering van de benadeelde partij in de weg. Ten aanzien van verdachte is immers bewezen verklaard dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan een delict waarbij hij en de medeplegers van dat delict verantwoordelijk én aansprakelijk zijn voor het geheel van het door de groep gepleegde geweld en de gevolgen daarvan. Verdachte is op grond van deze groepsaansprakelijkheid tot vergoeding van de hiervoor genoemde schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.
Hoofdelijke aansprakelijkheid
De rechtbank overweegt dat verdachte en zijn medeverdachte(n)ieder voor het hele schadebedrag (hoofdelijk) kunnen worden aangesproken. Verdachte hoeft niet meer te betalen indien en voor zover zijn medeverdachten de schade hebben vergoed.
Schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank ziet aanleiding om op grond van artikel 36f Sr de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op te leggen. Verdachte wordt verplicht het aan de benadeelde partij toegewezen bedrag aan de Staat te betalen. Eventueel toegekende proceskosten zijn daar niet bij inbegrepen.

9.De vordering tot tenuitvoerlegging (parketnummer 08.317294.22)

De politierechter heeft verdachte op 30 maart 2023 veroordeeld tot (onder meer) een voorwaardelijke taakstraf van 75 uren.
De officier van justitie vordert de tenuitvoerlegging van die straf.
De raadsvrouw heeft bepleit dat de vordering tot tenuitvoerlegging moet worden afgewezen, omdat zij vrijspraak heeft bepleit.
Bewezen is dat verdachte zich binnen de proeftijd opnieuw schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit. De rechtbank is van oordeel dat de voorwaardelijk opgelegde straf daarom ten uitvoer moet worden gelegd.

10.De toegepaste wettelijke bepalingen

De oplegging van de straf en/of maatregel is gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 63 en 141 van het Wetboek van Strafrecht.

11.De beslissing

De rechtbank:
 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;
 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;
 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;
 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
 legt op een taakstraf van 150 uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 75 dagen;
 veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 maand met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering gesteld is geweest;
  • bepaalt dat deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd van twee jaren niet heeft gehouden aan de volgende voorwaarden:
  • stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
 stelt als bijzondere voorwaarden dat verdachte:
  • meewerkt aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een geldig identiteitsbewijs ter inzage aanbiedt om de identiteit vast te stellen;
  • zich binnen vijf werkdagen na het ingaan van de proeftijd bij Reclassering Nederland in Enschede op het adres Molenstraat 50 meldt. Verdachte blijft zich melden op afspraken met de reclassering zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. Verdachte geeft toestemming aan de reclassering om te overleggen en af te stemmen met zijn hulpverleners in vrijwillig kader;
  • actief deelneemt aan de gedragsinterventie Cognitieve Vaardigheden (CoVa-training) of een andere gedragsinterventie die gericht is op cognitieve vaardigheden. De reclassering bepaalt welke training het precies wordt. Verdachte houdt zich aan de afspraken en aanwijzingen van de trainer/begeleider;
geeft opdracht aan de reclassering om toezicht te houden op de naleving van voormelde voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;
  • veroordeelt verdachte in verband met het feit tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [slachtoffer] van € 649,96 aan materiële schade, telkens vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 4 augustus 2024 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald;
  • veroordeelt verdachte in verband met het feit tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [slachtoffer] van € 2.000,00 aan smartengeld, telkens vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 4 augustus 2024 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald;
 veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partij in deze procedure heeft gemaakt en de kosten die de benadeelde partij mogelijk nog moet maken om het toegewezen bedrag betaald te krijgen, tot vandaag begroot op nul;
 verklaart de benadeelde partij [slachtoffer] voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering tot smartengeld;
  • legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van benadeelde partij [slachtoffer] , een bedrag te betalen van € 649,96 aan materiële schade. Dit wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 4 augustus 2024 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald. Als dit bedrag niet wordt betaald, kunnen 6 dagen gijzeling worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;
  • legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van benadeelde partij [slachtoffer] , een bedrag te betalen van € 2.000,- aan smartengeld. Dit wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 4 augustus 2024 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald. Als dit bedrag niet wordt betaald, kunnen 20 dagen gijzeling worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;
  • bepaalt daarbij dat met betaling aan de benadeelde partij in zoverre de betaling aan de Staat vervalt en omgekeerd;
  • bepaalt dat als de medeverdachte(n) (een deel van) het schadebedrag betaalt/betalen dat bedrag op de betalingsverplichting van verdachte in mindering wordt gebracht;
  • beveelt de tenuitvoerlegging van de op 30 maart 2023 door de politierechter voorwaardelijk opgelegde straf, te weten 75 uren taakstraf (parketnummer 08.317294.22).
Dit vonnis is gewezen door mr. T.M.A. Arts (voorzitter), mr. S. Jansen en mr. P.J. Verbeek, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E.W.A. Nabbe, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 10 juni 2026.
De griffier is buiten staat het vonnis mede te ondertekenen.

Voetnoten

1.Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant 3] van de politie Oost-Nederland, basisteam recherche Apeldoorn, opgemaakte proces-verbaal (‘eindpv [medeverdachte 2] ’), dossiernummer PL0600-2024361275, gesloten op 9 januari 2025 en het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant 3] van de politie Oost-Nederland, basisteam recherche Apeldoorn, opgemaakte proces-verbaal (hierna te noemen: ‘eindpv overige verdachten’), dossiernummer PL0600-2024361275 gesloten op 21 november 2024, en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.
2.Het proces-verbaal van bevindingen, p. 5 (eindpv [medeverdachte 2] ).
3.Letselrapportage Forensische Geneeskunde, p. 100-101 (eindpv overige verdachten)
4.Het proces-verbaal van bevindingen, p. 97 (eindpv [medeverdachte 2] ).
5.Het proces-verbaal van bevindingen, p. 99 (eindpv [medeverdachte 2] ) en het aanvullend proces-verbaal van bevindingen, d.d. 4 februari 2025.
6.Het proces-verbaal verhoor verdachte, p. 193 (eindpv overige verdachten).
7.Het aanvullend proces-verbaal ‘overzicht verdachte 1 t/m5’, p. 1-2,
8.Het proces-verbaal van bevindingen, p. 97 (eindpv [medeverdachte 2] ).
9.Het aanvullend proces-verbaal van bevindingen, d.d. 4 februari 2025.
10.Het proces-verbaal van bevindingen, p. 97 en 98 (eindpv [medeverdachte 2] ) en het aanvullend proces-verbaal van bevindingen, d.d. 4 februari 2025.