Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2026:4449

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
5 juni 2026
Publicatiedatum
4 juni 2026
Zaaknummer
ARN 25/1164
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8.0a BklArt. 22.29 OmgevingsplanArt. 1 planvoorschriften bestemmingsplanArt. 17.2.3 bestemmingsplanArt. 3:9 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling omgevingsvergunning uitbreiding derde bouwlaag woning binnen omgevingsplan

De zaak betreft een beroep tegen de door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Overbetuwe verleende omgevingsvergunning voor het uitbreiden van de derde bouwlaag van een woning. Eiser betwist dat het bouwplan binnen het omgevingsplan past en voert aan dat het een aan- of uitbouw betreft die niet voldoet aan de maximale bouwhoogte volgens het bestemmingsplan.

De rechtbank oordeelt dat het bouwplan een uitbreiding van het hoofdgebouw betreft en niet een aan- of uitbouw, omdat een aan- of uitbouw volgens het bestemmingsplan maximaal uit één bouwlaag mag bestaan. De bouwhoogte van 8,3 meter valt binnen de toegestane maximale bouwhoogte van 10 meter voor woningen met een plat dak binnen de bouwaanduiding VD3.

Daarnaast is het bouwplan niet in strijd met de redelijke eisen van welstand. De Commissie Monumenten en Welstand heeft het plan getoetst aan de welstandsnota en het college heeft het advies op zorgvuldige wijze gevolgd. Het tegenadvies van eiser is gebaseerd op een onjuist uitgangspunt en wordt niet gevolgd.

De rechtbank bevestigt dat een omgevingsplanactiviteit die binnen het omgevingsplan past, moet worden verleend en niet getoetst wordt aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Het beroep wordt ongegrond verklaard en het college heeft de vergunning terecht verleend.

Uitkomst: Het beroep tegen de omgevingsvergunning voor de uitbreiding van de derde bouwlaag wordt ongegrond verklaard en de vergunning blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 25/1164

uitspraak van de enkelvoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiser], uit [plaats], eiser

(gemachtigde: [gemachtigde]),
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Overbetuwe

(gemachtigden: mr. Y. Joeloensingh en mr. D. Izgi).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel:
[derde-partij 1] en [derde-partij 2], uit [plaats].

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de aan de derde-partij verleende omgevingsvergunning voor het uitbreiden van de derde bouwlaag van zijn woning. Eiser is het niet eens met dit besluit en voert een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de verleende omgevingsvergunning.
1.1.
In deze uitspraak komt de rechtbank tot het oordeel dat het college de omgevingsvergunning terecht heeft verleend. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is daarom ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Het college heeft op 26 juli 2024 een omgevingsvergunning verleend voor het uitbreiden van de derde bouwlaag van de woning [locatie 1] in [plaats]. In de beslissing op bezwaar van 12 februari 2025 heeft het college de bezwaren van eiser ongegrond verklaard en de omgevingsvergunning in stand gelaten.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen de beslissing op bezwaar.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 10 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en zijn gemachtigde, de gemachtigden van het college en namens de derde-partij [derde-partij 1].

Beoordeling door de rechtbank

Totstandkoming van het bestreden besluit
3. De derde-partij heeft op 4 juli 2024 een aanvraag voor een omgevingsvergunning ingediend voor het uitbreiden van de derde bouwlaag van de woning [locatie 1] in [plaats] op de plaats van het bestaande dakterras [1] . Op 26 juli 2024 heeft het college een omgevingsvergunning verleend voor de omgevingsplanactiviteit bouwwerken, omdat de aanvraag voldoet aan de in het omgevingsplan opgenomen beoordelingsregels voor een binnenplanse omgevingsplanactiviteit bouwwerken. [2] In de beslissing op bezwaar van 12 februari 2025 heeft het college de bezwaren van eiser ongegrond verklaard en de omgevingsvergunning in stand gelaten.
Eiser woont aan [locatie 2] in [plaats]. Zijn perceel grenst aan de achterzijde aan dat van de derde-partij.
Toetsingskader
4. Op 1 januari 2024 is de Omgevingswet (Ow) in werking getreden. Met de inwerkingtreding van deze wet heeft elke gemeente direct een omgevingsplan van rechtswege dat regels geeft over de fysieke leefomgeving voor het gehele grondgebied van de gemeente [3] . Voor het perceel waar de woning van de derde-partij op is gelegen, was vóór 1 januari 2024 het bestemmingsplan “[plaats]” van kracht. Dat bestemmingsplan maakt dus onderdeel uit van het tijdelijk deel van het “Omgevingsplan gemeente Overbetuwe”.
4.1.
In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn de beoordelingsregels opgenomen voor een aanvraag om een omgevingsplanactiviteit. In artikel 8.0a, eerste lid, van het Bkl staat dat de omgevingsvergunning voor een binnenplanse omgevingsplanactiviteit wordt verleend als de activiteit niet in strijd is met de regels die in het Omgevingsplan zijn gesteld over het verlenen van de omgevingsvergunning. Uit artikel 22.29, eerste lid, aanhef en onder a en b, van het Omgevingsplan volgt dat de omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk alleen wordt verleend als de activiteit niet in strijd is met de in het Omgevingsplan gestelde regels over het bouwen, in stand houden en gebruiken van bouwwerken en ook niet in strijd is met redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota.
Past het bouwplan in het omgevingsplan?
5. Eiser voert aan dat het college de omgevingsvergunning niet mocht verlenen door middel van een binnenplanse omgevingsplanactiviteit omdat de omgevingsvergunning in strijd is met het omgevingsplan. Volgens eiser moet de activiteit worden aangemerkt als een “aan- of uitbouw” zoals bedoeld in artikel 1 van Pro het bestemmingsplan “[plaats]” en niet zoals het college aangeeft een uitbreiding van het hoofdgebouw [4] . Het is volgens eiser vaste rechtspraak dat planregels omwille van de rechtszekerheid letterlijk dienen te worden uitgelegd. Daarnaast zijn de afmetingen van de aanbouw veel kleiner dan die van het hoofdgebouw, waardoor er sprake is van een ruimte die door zijn afmetingen ondergeschikt is aan het hoofdgebouw. Doordat sprake is van een aanbouw, voldoet het bouwplan volgens eiser niet aan artikel 17.2.3, aanhef en onder d, van het bestemmingsplan “[plaats]”. Deze bepaling schrijft immers een maximale goothoogte van 3 meter en een maximale bouwhoogte van 4,5 meter voor, terwijl het bouwplan een bouw- en goothoogte van 8,3 meter heeft. De omgevingsvergunning is daarom in strijd met artikel 8.0a, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving verleend.
5.1.
De beroepsgrond slaagt niet. Op het perceel van de derde-partij geldt volgens bestemmingsplan “[plaats]” de bestemming “Wonen”. Daarbij geldt de specifieke bouwaanduiding - VD3 (Vrijstaand of Dubbelwoning, drie bouwlagen). De woning van de derde-partij bestaat uit drie bouwlagen met een plat dak. De derde bouwlaag bestond oorspronkelijk voor de helft uit een dakterras. De derde-partij heeft een omgevingsvergunning aangevraagd om de woning uit te breiden door uit te bouwen op de plaats van het dakterras.
Het betoog van eiser dat sprake is van een aan- of uitbouw volgt de rechtbank niet. Dit omdat een aan- of uitbouw op grond van artikel 1 van Pro de planvoorschriften maximaal uit één bouwlaag mag bestaan. Het college is daarom terecht tot de conclusie gekomen dat sprake is van een uitbreiding van het hoofdgebouw en geen aan- of uitbouw.
Deze uitbreiding past naar het oordeel van de rechtbank binnen de in de tabel bij artikel 17.2.3, aanhef en onder d, van de planvoorschriften aangegeven maximaal toegestane maatvoering van woningen bij de bouwaanduiding VD3.
In dit geval is sprake van een woning met een platte afdekking. Dit blijft ook zo na de realisatie van het bouwplan. In dat geval is de maximale toegestane bouwhoogte 10 meter. Met een goot- en bouwhoogte van 8,3 meter wordt hieraan voldaan. Het bouwplan past daarom binnen het bestemmingsplan “[plaats]”.
Het betoog van eiser dat de categorie “deels platte afdekking” van toepassing zou zijn met een maximale bouwhoogte van gedeeltelijk 6 en 9 meter, volgt de rechtbank niet. De aanduiding “deels platte afdekking” impliceert naar het oordeel van de rechtbank dat deze categorie van toepassing is bij woningen die naast een gedeeltelijke platte afdekking ook een andere vorm van afdekking hebben, bijvoorbeeld in de vorm van een schuin dak. Daarvan is hier geen sprake.
Is het bouwplan in strijd met de redelijke eisen van welstand?
6. Eiser voert aan dat het bouwplan in strijd is met de redelijke eisen van welstand. Volgens eiser heeft het college het advies van de Commissie Monumenten en Welstand (CMW) niet kunnen volgen. Volgens eiser gaat het advies van de CMW uit van een onjuiste planologische beoordeling van het bouwplan door het bouwplan te zien als uitbreiding van het hoofdgebouw in plaats van als aanbouw. Daarom bestaat er reden voor twijfel aan de juistheid en zorgvuldigheid van het advies. Het college is daarnaast niet ingegaan op het argument van eiser dat het bouwplan leidt tot een onevenredige aantasting van de stedenbouwkundige waarden van de omgeving. Eiser heeft ter onderbouwing van zijn betoog een tegenadvies in geding gebracht van [persoon A].
6.1.
Het is vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: Afdeling) dat de welstandscommissie het bouwplan toetst aan de hand van de criteria in de welstandsnota aan redelijke eisen van welstand en zij zich in beginsel heeft te richten naar de bouwmogelijkheden die het geldende bestemmingsplan biedt [5] .
6.2.
Hoewel het college niet aan een welstandsadvies is gebonden en de verantwoordelijkheid voor welstandstoetsing bij het college zelf ligt, mag het op dat advies afgaan, nadat het is nagegaan of dit advies op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten. Deze verplichting is neergelegd in artikel 3:9 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) voor de wettelijk adviseur en volgt uit artikel 3:2 van Pro de Awb voor andere adviseurs. Het overnemen van een welstandsadvies behoeft in beginsel geen nadere toelichting. Dit is anders als de aanvrager of een derde-belanghebbende een advies van een andere deskundig te achten persoon of instantie heeft overgelegd of concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van het advies, de begrijpelijkheid van de in het advies gevolgde redenering of het aansluiten van de conclusies daarop naar voren heeft gebracht.
6.3.
De beroepsgrond slaagt niet. Zoals hiervoor is geoordeeld is het bouwplan niet in strijd met de in het omgevingsplan gestelde regels over het bouwen, in stand houden en gebruiken van bouwwerken. Dat betekent dat de CMW bij haar welstandsbeoordeling is uitgegaan van het juiste uitgangspunt, namelijk de mogelijkheden die het omgevingsplan biedt. Het tegenadvies van [persoon A] is uitgegaan van het uitgangspunt dat het bouwplan niet binnen het omgevingsplan past en er voor verlening van de omgevingsvergunning afgeweken diende te worden van het omgevingsplan. Het omgevingsplan staat echter het realiseren van drie volledige bouwlagen toe. Dat betekent dus dat de oorspronkelijke vorm van de woning in zoverre niet geheel is gebouwd zoals op grond van het omgevingsplan al was toegestaan. Het uitgangspunt in het tegenadvies leidt daarom tot een doorkruising van de planologische mogelijkheden en kan daarom niet gevolgd worden omdat dat in strijd is met de in rechtsoverweging 6.1 opgenomen vaste rechtspraak. De CMW heeft naar aanleiding van het tegenadvies het welstandsadvies op 11 september 2024 en 18 maart 2025 nader gemotiveerd en heeft het positieve welstandsadvies gehandhaafd. De rechtbank oordeelt dat het college tot de conclusie heeft kunnen komen dat het welstandsadvies op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen en het college dit advies ten grondslag heeft kunnen leggen aan de besluitvorming. Het door eiser ingediende tegenrapport biedt gelet op het voorgaande geen aanknopingspunten voor een ander oordeel.
6.4.
Nu het bouwplan past binnen het omgevingsplan, slaagt ook de beroepsgrond van eiser dat geen sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties niet. Een omgevingsplanactiviteit die past binnen het omgevingsplan moet immers worden verleend (8.0a lid 1 Bkl) en wordt niet getoetst aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

Conclusie en gevolgen

7. Gelet op het voorgaande concludeert de rechtbank dat het college de omgevingsvergunning voor de uitbreiding van de derde bouwlaag op goede gronden heeft verleend. Het beroep van eiser zal ongegrond worden verklaard. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Emaus, rechter, in aanwezigheid
van mr. M.H. Dijkman, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.De omgevingsvergunning is verleend voor de binnenplanse omgevingsplanactiviteit als bedoeld in artikel 5.1, lid 1, onder a, van de Omgevingswet (Ow) en een bouwactiviteit als bedoeld in artikel 5.1, lid 2, onder a, van de Ow.
2.Artikel 22.29 van het omgevingsplan.
3.Zie artikel 22.1, aanhef en onder a, van de Omgevingswet in samenhang met artikel 4.6, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet.
4.In artikel 1 van Pro de planvoorschriften staat een aan- of uitbouw gedefinieerd als: een aan een hoofdgebouw gebouwde ruimte, die daaraan ruimtelijk (door zijn constructie of afmetingen) ondergeschikt is - maximaal bestaande uit één bouwlaag al dan niet met kap - met dien verstande dat een aanbouw een zelfstandige ruimte is en een uitbouw een uitbreiding van een reeds bestaande ruimte van het hoofdgebouw is;
5.Zie onder meer de uitspraak van de Afdeling van 25 oktober 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3875.