Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2026:4444

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
4 juni 2026
Publicatiedatum
3 juni 2026
Zaaknummer
05/054862-23
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 28 SrArt. 31 SrArt. 47 SrArt. 63 SrArt. 420ter Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling medeplegen gewoontewitwassen met goudtransacties en contante opnames

De rechtbank Gelderland heeft verdachte veroordeeld voor medeplegen van gewoontewitwassen in de periode van 14 september 2020 tot en met 3 december 2020. Verdachte maakte zich schuldig aan het witwassen van circa €2.776.117, bestaande uit geldbedragen, goud en contanten, via bankrekeningen op zijn naam en die van een vennootschap waarvan hij bestuurder was.

Het onderzoek Dwerguil richtte zich op een cluster van ondernemingen en bankrekeningen die betrokken waren bij het witwassen van ruim 7 miljoen euro aan vermoedelijke fraudegelden. Verdachte stelde zijn vennootschap en bankrekeningen beschikbaar aan medeverdachte 1, die de feitelijke zeggenschap had over de rekeningen en de goudtransacties regelde. Uit communicatie, bankgegevens en reisgegevens bleek een nauwe samenwerking tussen verdachte en medeverdachte 1.

De rechtbank oordeelde dat verdachte wist dat het geld afkomstig was uit misdrijf en dat hij een gewoonte had gemaakt van witwassen, maar niet handelde in de uitoefening van een beroep of bedrijf. Verdachte werd vrijgesproken van het deel van de tenlastelegging dat betrekking had op handelen in de uitoefening van een beroep. De rechtbank legde een gevangenisstraf van 30 maanden op, met een korting wegens overschrijding van de redelijke termijn, en een ontzetting van 54 maanden van het recht bestuurder te zijn. De vordering tot gevangenneming en ongeanonimiseerde publicatie van het vonnis werden afgewezen.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 30 maanden gevangenisstraf en 54 maanden ontzetting als bestuurder wegens medeplegen van gewoontewitwassen.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Arnhem
Parketnummer: 05/054862-23
Datum uitspraak : 4 juni 2026
Tegenspraak
vonnis van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte] (hierna: [verdachte] ),
geboren op [geboortedag] 1974 in [geboortedag] ,
wonende aan [adres] te [woonplaats ] .
Raadsman: mr. L.C. Fleskens, advocaat in Amsterdam.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op openbare terechtzittingen.
Inhoudsopgave
1 De inhoud van de tenlastelegging3
2 Overwegingen ten aanzien van het bewijs4
2.1 Inleiding4
2.2 De standpunten5
2.2.1 Het standpunt van de officier van justitie5
2.2.2 Het standpunt van de verdediging5
2.3 Beoordeling door de rechtbank5
2.3.1 Inleiding5
2.3.2 Door [medeverdachte 1] gebruikte identiteiten, telefoonnummers, SkyECC-account en panden6
2.3.3 Rekeningen op naam van [verdachte]11
2.3.4 [bedrijf] BV ( [bedrijf] )14
2.3.5 De criminele herkomst en de wetenschap van [verdachte]19
2.3.6 Witwashandelingen van [verdachte]20
2.3.7 Medeplegen21
2.3.8 Gewoonte en handelen in de uitoefening van een beroep of bedrijf21
2.3.9 Conclusie21
3 De bewezenverklaring22
4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde23
5 De strafbaarheid van het feit23
6 De strafbaarheid van de verdachte23
7 De overwegingen ten aanzien van straf en maatregel23
7.1 Het standpunt van de officier van justitie23
7.2 Het standpunt van de verdediging24
7.3 De beoordeling door de rechtbank24
8 De toegepaste wettelijke bepalingen26
9 De beslissing27

1.De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij,
in of omstreeks de periode van 14 september 2020 tot en met 3 december 2020 te
- Winterswijk en/of
- Duiven en/of
- Oldeholtpade, gemeente Weststellingwerf en/of
- Almelo en/of
- ( elders) in Nederland,
(telkens) tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen,
van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt en/of witwassen heeft
gepleegd in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf, hierin bestaande dat hij,
verdachte, en/of zijn mededader(s),
(een) voorwerp(en), bestaande uit een of meer (grote) geldbedrag(en) tot een totaal
van ongeveer EUR 2.776.117 (A), althans enig geldbedrag en/of een grote
hoeveelheid goud en/goudgranulaat en/of (andere) edelmetalen met een (totale)
waarde van EUR 2.559.548 (B) en/of een hoeveelheid contant geld van in totaal EUR
16.650 (C),
heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen en/of
heeft omgezet,
door:
A:
- een of meer Nederlandse bankrekeningen, op naam van één of meer
rechtspersonen, althans op een andere naam dan van hem, verdachte, te (laten)
openen en/of aan te houden en/of vervolgens op één of meer van die rekeningen
een of meer (grote) geldbedragen te ontvangen, te weten:
• op een rekening met nummer [rekeningnummer] , op naam van [bedrijf]
BV een of meer bedragen tot een totaal van EUR 2.109.740 (AH062) en/of
• op een rekening met nummer [rekeningnummer] , op naam van [verdachte] een
of meer bedragen tot een totaal van EUR 666.377 (AH071) en/of
en/of
B:
- voor een of meer grote bedrag(en) goud en/of goudgranulaat en/of (andere)
edelmetalen aan te kopen, te weten:
• goud en/of goudgranulaat en/of (andere) edelmetalen voor een bedrag van (in
totaal) EUR 2.422.205 (AH062) en/of EUR 137.343 (AH071) bij [bedrijf] BV, althans bij
één of meer onder die rechtspersoon geregistreerde handelsnamen
en/of
C:
- een of meer bedrag(en) van (in totaal) (ongeveer) EUR 16.650 (AH071) contant op
te nemen,
terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s), (telkens) wist(en) dat dit/deze
geldbedrag(en) - onmiddellijk of middellijk - (mede) afkomstig was/waren uit
enig(e) misdrijf.
2
Overwegingen ten aanzien van het bewijs [1]
2.1
Inleiding
Op 5 oktober 2020 is door de Eenheid Oost-Nederland een strafrechtelijk onderzoek gestart onder de naam Dwerguil. De start van het onderzoek was een rapport van de Financial Intelligence Unit (FIU) dat op 5 oktober 2020 aan het onderzoeksteam ter beschikking werd gesteld. In dit rapport zijn dertien verdachte transacties gemeld (door de Bunq Bank en betaalprovider Mollie BV) die betrekking hebben op de rechtspersoon [bedrijf] . Uit hierop volgend onderzoek is het vermoeden ontstaan dat [bedrijf] onderdeel uitmaakt van een groter geheel van ondernemingen en daaraan gerelateerde bankrekeningen (door het onderzoeksteam het Dwerguil-cluster genoemd). Dit cluster is volgens de politie verantwoordelijk voor het in de periode van september 2019 tot en met februari 2021 witwassen van ruim 7 miljoen euro aan vermeende fraudegelden, door deze gelden te ontvangen en vervolgens ruim 6,4 miljoen euro om te zetten in edelmetalen, contanten en cryptocurrency. Onduidelijk is waar deze edelmetalen (goud) en contanten uiteindelijk gebleven zijn en wat er gebeurd is met het geld dat overgeboekt werd naar een cryptocurrency exchange.
In het onderzoek Dwerguil zijn door het openbaar ministerie naast verdachte, [medeverdachte 1] (hierna: [medeverdachte 1] ), [medeverdachte 2] (hierna: [medeverdachte 2] ) en [medeverdachte 3] (hierna: [medeverdachte 3] ) gedagvaard.
Uit het dossier kan worden afgeleid dat volgens de politie het Dwerguil-cluster bestaat uit verschillende vennootschappen en eenmanszaken, al dan niet onder gebruikmaking van één of meerdere handelsnamen. Het gaat dan om:
 [bedrijf] BV ( [bedrijf] BV),
 [bedrijf] BV ( [bedrijf] ),
 [bedrijf] BV ( [bedrijf] , [bedrijf] , [bedrijf] ),
 [bedrijf] BV ( [bedrijf] ),
 [bedrijf] BV ( [bedrijf] ),
 [bedrijf] BV ( [bedrijf] ),
 [bedrijf] ( [bedrijf] ),
 [bedrijf] BV ( [bedrijf] , [bedrijf] , [bedrijf] ),
 [bedrijf] BV ( [bedrijf] , [bedrijf] ) en
 [bedrijf] BV ( [bedrijf] , [bedrijf] ).
Ook zou gebruik gemaakt zijn van bankrekeningen op naam van [medeverdachte 2] , [verdachte] en de personen [persoon 1] (hierna: [persoon 1] ) en [persoon 2] (hierna: [persoon 2] ).
De verschillende geldstromen en vennootschappen/ondernemingen zullen hierna, voor zover van belang voor de beoordeling van de tenlastelegging, aan de orde komen.
2.2
De standpunten
2.2.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat sprake is van een gerechtvaardigd vermoeden van witwassen en dat bewezen kan worden dat [verdachte] zich samen met anderen schuldig heeft gemaakt aan gewoontewitwassen. [verdachte] heeft geldbedragen uit enig misdrijf verworven en voorhanden gehad en die geldbedragen zijn voor het merendeel omgezet in goud en voor een bedrag van € 16.650,00 contant opgenomen. [verdachte] wist dat zijn onderneming [bedrijf] en de zakelijke rekening werden gebruikt voor het ontvangen van grote geldbedragen. Ook zijn eigen bankrekening is daarvoor gebruikt. [verdachte] wist bovendien dat naast [medeverdachte 1] andere personen en ondernemingen betrokken waren en hij wist dat het geld omgezet werd in goud. Hij heeft een account bij [bedrijf] BV geregeld en hij beschikte over de voertuigen waarmee door anderen goud voor [bedrijf] werd opgehaald. Van het handelen in beroep of bedrijf heeft de officier van justitie partiële vrijspraak gevraagd, nu daarvan geen sprake was.
2.2.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft integrale vrijspraak bepleit van het tenlastegelegde en daartoe, kort samengevat, het volgende aangevoerd. Bewijs voor (voorwaardelijk) opzet op witwassen ontbreekt. [verdachte] heeft een verklaring gegeven voor de onderzoeksbevindingen in het dossier die wijzen op zijn betrokkenheid bij de onderneming [bedrijf] en de rekeningen bij de Bunq-bank. Uit het dossier blijkt niet dat deze verklaring onjuist is. Zeker blijkt daaruit niet dat [verdachte] wetenschap had van de vele geldbedragen die op de bankrekeningen binnen kwamen en ook niet dat hij zelf goud heeft aangekocht met het geld of goud heeft opgehaald. [verdachte] heeft geen beloning ontvangen voor zijn handelen en van hem kon daarom niet worden verlangd dat hij kritischer had moeten zijn op het moment dat hij de bankrekeningen opende en ter beschikking stelde aan [medeverdachte 1] . Tegenstrijdigheden in de verklaringen van [verdachte] worden tot slot (onder meer) verklaard doordat dat hij in 2021 longcovid heeft gehad en als gevolg daarvan lijdt aan geheugenverlies.
2.3
Beoordeling door de rechtbank
2.3.1
Inleiding
Aan [verdachte] is kort gezegd ten laste gelegd dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan gewoontewitwassen in vereniging door in de periode van 14 september 2020 tot en met
3 december 2020 op diverse rekeningen ongeveer € 2.776.117,00 te ontvangen, voor een € 2.559.548,00 edelmetalen aan te kopen en € 16.650,00 om te zetten in contanten, terwijl hij wist dat dit geld afkomstig was uit enig misdrijf.
Alvorens in te gaan op de verschillende ten laste gelegde geldstromen zal de rechtbank in paragraaf 2.3.2 ingaan op het gebruik door [medeverdachte 1] van identiteiten van andere personen, een SkyECC-account, telefoonnummers, en panden, zodat in de overige paragrafen verwezen kan worden naar vaststellingen gedaan in deze paragraaf. In de paragrafen 2.3.3 en 2.3.4 zal de rechtbank voor de bankrekeningen op naam van [verdachte] en [bedrijf] ( [bedrijf] BV) de ten laste gelegde geldstromen (in- en uitgaand) en de aankopen van edelmetalen bespreken. Ook zal de rechtbank in die paragrafen ingaan op de betrokkenheid van verdachte en/of zijn medeverdachten bij die geldstromen en de vraag beantwoorden of sprake is van een vermoeden van criminele herkomst. Daarna zal de rechtbank in de paragrafen 2.3.5 tot en met 2.3.7 beoordelen of de geldstromen afkomstig zijn uit enig misdrijf en of verdachte en zijn medeverdachten dat wisten, welke witwashandelingen verdachte heeft verricht en of sprake is van medeplegen. Tot slot zal de rechtbank in paragraaf 2.3.8 ingaan op de vraag of verdachte en zijn medeverdachten een gewoonte hebben gemaakt van witwassen en/of zij hebben witgewassen in de uitoefening van hun beroep of bedrijf en in paragraaf 2.3.9 een conclusie trekken ten aanzien van het ten laste gelegde feit.
2.3.2
Door [medeverdachte 1] gebruikte identiteiten, telefoonnummers, SkyECC-account en panden
2.3.2.1
Identiteiten
2.3.2.1.1 De door [verdachte] gebruikte namen voor [medeverdachte 1]
[verdachte] herkent de foto van [medeverdachte 1] als de persoon die zichzelf [alias medeverdachte] of [alias medeverdachte] noemt. [verdachte] denkt dat hij zoiets als [roepnaam medeverdachte] heet. [2] [verdachte] heeft de nummers van [medeverdachte 1] opgeslagen in zijn telefoon onder de namen [alias medeverdachte] 1 ( [telefoonnummer] ), [alias medeverdachte] (+ [telefoonnummer] en
[telefoonnummer] ) en [alias medeverdachte] 4 ( [telefoonnummer] ). [3] De naam [alias medeverdachte] en het daaraan gekoppelde telefoonnummer + [telefoonnummer] , die naar voren komen in whatsapp-chats tussen [verdachte] en [alias medeverdachte] is van de [alias medeverdachte] waarvan de politie hem ‘zojuist’ de foto heeft laten zien, van [medeverdachte 1] of [roepnaam medeverdachte] dus. [4] Ook de persoon die in whatsapp-chats door [verdachte] ‘ [alias medeverdachte] ’ wordt genoemd en die gebruik maakt van het telefoonnummer [telefoonnummer] is [alias medeverdachte] . [5] Hetzelfde geldt voor de persoon die in chats door [verdachte] ‘ [alias medeverdachte] ’ wordt genoemd en die gebruik maakt van het telefoonnummer [telefoonnummer] . [6]
De rechtbank stelt op basis van het voorgaande vast dat de persoon die door [verdachte] (in zijn telefoon) [alias medeverdachte] , [alias medeverdachte] ( [alias medeverdachte] ), [alias medeverdachte] , [roepnaam medeverdachte] , [medeverdachte 1] en [roepnaam medeverdachte] wordt genoemd [medeverdachte 1] is.
2.3.2.1.2 [alias medeverdachte]
[medeverdachte 1] heeft verklaard dat hij zich één keer heeft voorgedaan als [alias medeverdachte] . [7]
Zoals uit paragraaf 2.3.2.1.1 volgt noemt [verdachte] [medeverdachte 1] in zijn telefoon [alias medeverdachte] of [alias medeverdachte] .
Uit gegevens ontvangen van [bedrijf] BV volgt dat [alias medeverdachte] de contactpersoon was van [bedrijf] ( [bedrijf] BV) [8] en dat hij gebruik maakte van het telefoonnummer [telefoonnummer] . Soms belde [alias medeverdachte] op de zakelijke telefoon met het nummer in beeld en soms anoniem. [9] Zoals de rechtbank in paragraaf 2.3.2.2.3 zal vaststellen is [medeverdachte 1] de gebruiker van dit telefoonnummer.
Op basis van deze bevindingen stelt de rechtbank vast dat [medeverdachte 1] meermalen gebruik heeft gemaakt van de identiteit ‘ [alias medeverdachte] ’. Dat [medeverdachte 1] slechts eenmaal gebruik heeft gemaakt van de identiteit van [alias medeverdachte] vindt de rechtbank gelet op de gegevens ontvangen van [bedrijf] BV niet geloofwaardig.
2.3.2.2
Telefoonnummers
2.3.2.2.1 Telefoonnummer + [telefoonnummer]
Zoals uit paragraaf 2.3.2.1.1 volgt, is de [alias medeverdachte] uit de whatsapp-chats tussen [verdachte] en [alias medeverdachte] gekoppeld aan het telefoonnummer + [telefoonnummer] . De persoon die [verdachte] [alias medeverdachte] noemt, is [medeverdachte 1] .
Op 20 juli 2020 vraagt [alias medeverdachte] aan [verdachte] : “Kun je om 10 uur op kantoor in [plaats] zijn”. [10] Zoals hierna volgt uit paragraaf 2.3.2.4 huurt [medeverdachte 1] een ruimte in het pand aan de [adres] in [plaats] en is hij daar ook wel eens.
In de telefoon van [naam] (hierna: [naam] ) is het telefoonnummer + [telefoonnummer] opgeslagen onder de naam ( [roepnaam medeverdachte] ). [naam] heeft verklaard dat ‘ [roepnaam medeverdachte] ’ [medeverdachte 1] is. [11] Op 11 juni 2020 ontvangt [naam] op zijn telefoon een bericht van de gebruiker van het nummer + [telefoonnummer] . In dat bericht staat vermeld “Nieuw nr [roepnaam medeverdachte] ”. [12]
Op grond van deze bevindingen stelt de rechtbank vast dat [medeverdachte 1] de gebruiker is van het telefoonnummer + [telefoonnummer] en daarmee ook de persoon is die in de telefoon van [verdachte] staat opgeslagen onder de naam [alias medeverdachte] (zie paragraaf 2.3.2.1.1).
2.3.2.2.2 Telefoonnummer + [telefoonnummer]
Zoals uit paragraaf 2.3.2.1.1 volgt is de [alias medeverdachte] uit de whatsapp-chats tussen [verdachte] en [alias medeverdachte] , die gekoppeld is aan het telefoonnummer [telefoonnummer] , [alias medeverdachte] . De persoon die [verdachte] [alias medeverdachte] noemt, is [medeverdachte 1] .
Tussen [alias medeverdachte] en [verdachte] ( [verdachte] ) vindt de volgende whatsapp-conversatie plaats:
28-09-2020 [alias medeverdachte] aan [verdachte] Ben vanavond terug
(…)
28-09-2020 [alias medeverdachte] aan [verdachte] Zit in vliegtuig
(…)
14-10-2020 [alias medeverdachte] aan [verdachte] Ik ga morgen ff naar Turkije
(…)
21-10-2020 [alias medeverdachte] aan [verdachte] Ik ben morgen terug [13]
Uit de analyse van de passagierslijsten ontvangen van Turkish Airlines volgt dat [medeverdachte 1] op 28 september 2020 van Istanbul naar Amsterdam is gevlogen, op 15 oktober 2020 van Amsterdam naar Istanbul en op 22 oktober 2020 van Istanbul naar Amsterdam. [14]
In de telefoon van [naam] is het telefoonnummer [telefoonnummer] opgeslagen onder de naam ( [roepnaam medeverdachte] ). [naam] heeft verklaard dat ‘ [roepnaam medeverdachte] ’ [medeverdachte 1] is. [15]
Op grond van deze bevindingen stelt de rechtbank vast dat [medeverdachte 1] de gebruiker is van het telefoonnummer [telefoonnummer] en daarmee ook de persoon die in de telefoon van [verdachte] staat opgeslagen onder de naam ‘ [alias medeverdachte] ’ (zie paragraaf 2.3.2.1.1) en in de telefoon van [naam] onder de naam ( [roepnaam medeverdachte] ).
2.3.2.2.3 Telefoonnummer +31 6 85731015
Het telefoonnummer [telefoonnummer] staat in de telefoon van [naam] geregistreerd onder de naam [roepnaam medeverdachte] . [naam] heeft verklaard dat ‘ [roepnaam medeverdachte] ’ [medeverdachte 1] is. [16]
In de telefoon van [naam] is chatcommunicatie aangetroffen tussen [naam] en de gebruiker van het telefoonnummer [telefoonnummer] . Op 24 september 2020 chat de gebruiker van het telefoonnummer [telefoonnummer] “Ik kom pas volgende week terug”. [17] Uit de gegevens ontvangen van Turkish Airlines kan worden opgemaakt dat [medeverdachte 1] op 28 september 2020 van Istanbul naar Amsterdam vliegt. [18] Ook appt de gebruiker van het telefoonnummer [telefoonnummer] op 15 september 2020 een spraakbericht naar [naam] . Volgens de verbalisant die het spraakbericht heeft beluisterd, komt de stem in het spraakbericht overeen met die van [medeverdachte 1] . [19]
Op grond van deze bevindingen stelt de rechtbank vast dat [medeverdachte 1] de gebruiker is van het telefoonnummer [telefoonnummer] .
2.3.2.2.4 Telefoonnummer + [telefoonnummer]
Zoals uit paragraaf 2.3.2.1.1 volgt, is het telefoonnummer [telefoonnummer] in de telefoon van [verdachte] opgeslagen onder de naam [alias medeverdachte] en is de persoon die [verdachte] [alias medeverdachte] noemt [medeverdachte 1] .
Uit de historische verkeersgegevens van het telefoonnummer + [telefoonnummer] komt naar voren dat dit telefoonnummer op 28 september 2020, 15 oktober 2020, 22 oktober 2020, 28 oktober 2020, 22 november 2020 en 28 november 2020 een zendmast aanstraalde op Schiphol en omgeving. [20] Uit gegevens ontvangen van Turkish Airlines kan worden opgemaakt dat [medeverdachte 1] de volgende vluchtbewegingen heeft gemaakt:
 op 28 september 2020 van Istanbul naar Amsterdam;
 op 15 oktober 2020 van Amsterdam naar Istanbul;
 op 22 oktober 2020 van Istanbul naar Amsterdam;
 op 28 november 2020 van Amsterdam naar Istanbul;
 op 28 november 2020 van Istanbul naar Amsterdam. [21]
Op grond van deze bevindingen, en gezien het verloop van de chats tussen [verdachte] aan de ene kant en [alias medeverdachte] en [alias medeverdachte] aan de andere kant (zie paragraaf 2.3.4.4), stelt de rechtbank vast dat [medeverdachte 1] de gebruiker is van het telefoonnummer [telefoonnummer] .
2.3.2.2.5 Telefoonnummer + [telefoonnummer]
Binnen het onderzoek is de telecommunicatie via het telefoonnummer + [telefoonnummer] opgenomen. Dit telefoonnummer was in gebruik bij één persoon. In een gesprek op 9 maart 2021 met de gebruiker van het telefoonnummer + [telefoonnummer] , wordt de gebruiker van het nummer + [telefoonnummer] [medeverdachte 1] genoemd. In een gesprek met de politie op 10 maart 2021, noemt de gebruiker van het nummer + [telefoonnummer] zich [medeverdachte 1] . De naam [medeverdachte 1] wordt op diezelfde datum genoemd in een gesprek met de wijkagent [wijkagent] . [wijkagent] geeft in dat gesprek aan dat hij bij de woning van [medeverdachte 1] is geweest. Op basis van een mutatie in de politiesystemen blijkt dat de woning waar [wijkagent] is geweest het adres [adres] te [woonplaats ] betreft. [22] Dat is het woonadres van [medeverdachte 1] . [23]
Het nummer + [telefoonnummer] staat in de telefoon van [naam] opgeslagen onder de naam [roepnaam medeverdachte] Prive. [24] [naam] heeft verklaard dat ‘ [roepnaam medeverdachte] ’ [medeverdachte 1] is. [25]
Op grond van deze bevindingen stelt de rechtbank vast dat [medeverdachte 1] de enige gebruiker is van het telefoonnummer [telefoonnummer] .
2.3.2.2.6 Telefoonnummer + [telefoonnummer]
Het nummer + [telefoonnummer] staat in de telefoon van [naam] opgeslagen onder de naam [roepnaam medeverdachte] 6. [26] [naam] heeft verklaard dat ‘ [roepnaam medeverdachte] ’ [medeverdachte 1] is. [27]
In de telefoon type Samsung S10 die in beslag is genomen onder [medeverdachte 3] staat het nummer + [telefoonnummer] opgeslagen onder de naam [roepnaam medeverdachte] 1. [28] [medeverdachte 3] heeft verklaard dat hij [medeverdachte 1] altijd [roepnaam medeverdachte] noemt. [29]
Op grond van deze bevindingen stelt de rechtbank vast dat [medeverdachte 1] de gebruiker is van het telefoonnummer [telefoonnummer] en dat [medeverdachte 3] de gebruiker is van de onder hem in beslag genomen Samsung S10.
2.3.2.3
SkyECC-account [SkyECC-account]
[medeverdachte 1] heeft verklaard dat hij het SkyECC-account [SkyECC-account] wel eens heeft gebruikt [30] , uit nieuwsgierigheid. Hij was niet de hoofdgebruiker van het account. Hij heeft zo’n telefoon (de rechtbank begrijpt: de pgp-telefoon) wel eens in zijn auto gehad. Die was van [naam] .
Binnen het onderzoek Argus is SkyECC-communicatie opgevangen tussen de accounts [SkyECC-account] en [account] . De communicatie in het dossier ziet op de periode van 15 september 2019 tot en met 4 november 2020. Bij die opgevangen communicatie bevinden zich diverse spraakberichten van de gebruiker [SkyECC-account] , verstuurd in de periode van 15 september 2020
tot en met 29 oktober 2020. De stem in die spraakberichten is door de tolk die de gesprekken uitluisterde herkend als die van [medeverdachte 1] . [31] Verbalisant [verbalisant 1] heeft de stem in de spraakberichten vergeleken met de stem in de opgenomen telecommunicatie van het telefoonnummer + [telefoonnummer] en heeft vastgesteld dat het om dezelfde stem gaat. [32] Zoals de rechtbank heeft vastgesteld in paragraaf 2.3.2.2.5 is [medeverdachte 1] de enige gebruiker van het telefoonnummer [telefoonnummer] .
Op grond van deze bevindingen, in onderlinge samenhang bezien, stelt de rechtbank vast dat [medeverdachte 1] de enige gebruiker was van het SkyECC-account [SkyECC-account] . De verklaring van [medeverdachte 1] dat hij niet de hoofdgebruiker was van dit account en dat [naam] de eigenaar was van de pgp-telefoon waarin dit account kennelijk werd gebruikt, acht de rechtbank ongeloofwaardig, mede omdat in de communicatie tussen de gebruikers van de accounts [SkyECC-account] en [account] door [SkyECC-account] geen enkele keer wordt aangegeven wie hij is en hier bij [account] ook geen twijfel over lijkt te bestaan. [33] Concrete aanwijzingen dat achter het account [SkyECC-account] een andere persoon (dan [medeverdachte 1] ) schuil gaat, bijvoorbeeld [naam] , ontbreken ook in het dossier.
2.3.2.4
Locatie [adres] te [plaats]
Zoals hierna zal blijken, waren meerdere vennootschappen die betrokken zijn bij de in de tenlastelegging genoemde geldstromen gevestigd op het adres [adres] te [plaats] .
De verhuurder van het pand gelegen aan de [adres] te [plaats] , [verhuurder] , heeft verklaard dat [medeverdachte 1] een oud huurder is van het pand in [plaats] en dat hij hem daar wel eens zag. Ook [medeverdachte 3] kwam wel eens in [plaats] (de rechtbank begrijpt: het pand aan de [adres] ). [34]
[naam] heeft verklaard dat hij [verhuurder] kent van de Stenograaf, daar is [verhuurder] eigenaar van (de rechtbank begrijpt: het pand aan de [adres] te [plaats] ). [naam] heeft daar een postadres. [bedrijf] en [bedrijf] BV staan ingeschreven op dat adres. Hij betaalt 200 euro huur aan [verhuurder] . Daarvoor krijgt hij een brievenbus en kan hij gebruik maken van de ruimte die [medeverdachte 1] huurt. [medeverdachte 1] krijgt hierdoor korting op de huur die hij aan [verhuurder] betaalt. Met [roepnaam medeverdachte] (de rechtbank begrijpt: [medeverdachte 1] ) bedoelt hij [medeverdachte 1] . [35]
[medeverdachte 1] heeft verklaard dat, als hij het heeft over “op kantoor”, zij dan zaten aan de [adres] te [plaats] . [36]
De rechtbank leidt uit het voorgaande af dat [medeverdachte 1] een ruimte huurde in het pand gelegen aan de [adres] te [plaats] en dat hij daar ook wel eens was.
2.3.3
Rekeningen op naam van [verdachte]
2.3.3.1
Inkomende geldstromen
In de periode van 14 september 2020 tot en met 13 november 2020 komt op de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [verdachte] , destijds woonachtig in [woonplaats ] , een bedrag van in totaal € 666.377,23 binnen afkomstig van tachtig Duitse en vijf Nederlandse bankrekeningen op naam van particulieren. In de periode van 1 oktober 2020 tot en met 3 december 2020 komt op de rekening in 57 transacties een bedrag van in totaal € 29.169,10 binnen, afkomstig van de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [bedrijf] . [37]
2.3.3.2
Uitgaande geldstromen en goudaankopen
In de periode van 17 september 2020 tot en met 6 oktober 2020 wordt vanaf de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [verdachte] in negen transacties in totaal € 137.343,30 overgemaakt naar de bankrekening op naam van [bedrijf] BV. In de periode van 9 oktober 2020 tot en met 3 december 2020 wordt in 48 transacties een bedrag van in totaal € 16.650,00 contant opgenomen vanaf de bankrekening. Deze contante opnames vonden onder andere plaats in Winterswijk, Duiven en Arnhem. Verder vinden de volgende overboekingen plaats vanaf de bankrekening:
 in de periode van 14 september 2020 tot en met 27 november 2020 in 79 transacties € 486.615,11 naar de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [bedrijf] ;
 in de periode van 15 september 2021 (de rechtbank begrijpt: 2020) tot en met 23 september 2020 in twee transacties € 27.600,00 naar de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [bedrijf] . [38]
Uit de gegevens van [bedrijf] BV kan worden opgemaakt dat de betalingen aan [bedrijf] BV zien op goudbestellingen van [bedrijf] . [39]
2.3.3.3
Betrokkenheid [verdachte] bij de geldstromen
[verdachte] was de rekeninghouder van de Bunq-bankrekening op zijn naam en had daar dus toegang toe.
2.3.3.4
Betrokkenheid [medeverdachte 1] bij de geldstromen en goudaankopen
In de telefoon van [naam] zijn whatsapp-chats aangetroffen tussen [naam] en de gebruiker van het nummer + [telefoonnummer] , door [naam] in zijn telefoon aangeduid als [roepnaam medeverdachte] 6. Zoals volgt uit paragraaf 2.3.2.2.6 is dit nummer in gebruik bij [medeverdachte 1] .
Op 6 april 2021 stuurt [naam] een afbeelding met een schermafdruk naar [roepnaam medeverdachte] 6 ( [medeverdachte 1] ). Op de schermafdruk is te zien dat een bedrag van € 8.000,00 is overgemaakt van bankrekening [rekeningnummer] op naam van [verdachte] naar bankrekening [rekeningnummer] op naam van [naam] Holding onder vermelding van ‘aanbetaling’. [40]
Nadat [naam] met onder andere dit bericht is geconfronteerd, verklaart hij dat hij geld had geleend van [roepnaam medeverdachte] (de rechtbank begrijpt: [medeverdachte 1] ). [medeverdachte 1] had de beschikking over de rekening van [verdachte] . [medeverdachte 1] heeft die € 8.000,00 overgemaakt via de rekening van [verdachte] . [41]
In de telefoon van [verdachte] zijn whatsapp-chats aangetroffen tussen [verdachte] ( [verdachte] ) en [alias medeverdachte] (telefoonnummer + [telefoonnummer] , in gebruik bij [medeverdachte 1] , zie de paragrafen 2.3.2.1.1 en 2.3.2.2.4). Op 19 september 2020 vindt het volgende whatsapp-gesprek plaats tussen [verdachte] ( [verdachte] ) en [alias medeverdachte] ( [medeverdachte 1] ):
[verdachte] aan [medeverdachte 1] Kan je nog wat regelen
[medeverdachte 1] aan [verdachte] Stuur ff betaalverzoek
[medeverdachte 1] aan [verdachte] 250€
Vervolgens stuurt [verdachte] een betaalverzoek naar [medeverdachte 1] van € 250,00.
(…)
[medeverdachte 1] aan [verdachte] Betaald
[verdachte] aan [medeverdachte 1] Super, dank je.
[verdachte] aan [medeverdachte 1] Staat er nog niet op maar dat zal zometeen er wel op staan dan
[medeverdachte 1] aan [verdachte] Laat menff weten
[verdachte] aan [medeverdachte 1] Weet je zeker dat het goed is gegaan
[medeverdachte 1] verstuurt vervolgens een schermafbeelding naar [verdachte] waarop te zien is dat via iDEAL-betaling vanaf ‘ [verdachte] ’ een Rabobank betaalverzoek is voldaan en is ontvangen naar de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [verdachte] .
[medeverdachte 1] aan [verdachte] Bij mij is ook eraf
[verdachte] aan [medeverdachte 1] Ok zal het er straks wel op staan. Komt hoe
[verdachte] aan [medeverdachte 1] Goed
[verdachte] aan [medeverdachte 1] Staat er op thanx [42]
In de gegevens van de bankrekeningen [rekeningnummer] en [rekeningnummer] op naam van respectievelijk [bedrijf] en [verdachte] is te zien dat op 19 september 2020 een bedrag van € 250,00 wordt overgemaakt van de bankrekening [rekeningnummer] naar de bankrekening [rekeningnummer] . Vervolgens wordt vanaf deze laatste bankrekening via een Rabobank betaalverzoek € 250,00 overgemaakt naar de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [verdachte] . [43] De rechtbank merkt op dat deze geldstroom overeenkomt met het whatsapp-gesprek dat hiervoor is aangehaald. Wat opvalt is dat [medeverdachte 1] kennelijk gebruikt maakt van de bankrekening [rekeningnummer] die formeel op naam van [verdachte] staat (“Bij mij is ook eraf”). Ook valt op dat [verdachte] kennelijk geen inzage heeft in die rekening. Hij kan namelijk op dat moment niet zien dat het geldbedrag van de rekening is afgeschreven.
Ook op 30 september 2020 verzendt [verdachte] via whatsapp twee Rabobank betaalverzoeken naar [alias medeverdachte] ( [medeverdachte 1] ). [44] In de bankgegevens is te zien dat op 30 september 2020 eerst een geldbedrag van € 1.000,00 wordt overgemaakt van de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [verdachte] naar de bankrekening [rekeningnummer] op naam van Lions and partner. Daarna worden twee Rabobank betaalverzoeken voldaan van € 250,00 en € 750,00 van de bankrekening [rekeningnummer] op naam van Lions and partner naar de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [verdachte] . [45]
Op 10 september 2020 stuurt [medeverdachte 1] via Whatsapp een afbeelding naar [verdachte] met daarop een bericht afkomstig van het Bunq compliance team. In het bericht wordt gezegd dat een transactie van een Duitse rekening van [naam] op 11 september 2020 “in de wacht is gezet”. Er wordt gevraagd informatie te geven over de herkomst van het geld. [medeverdachte 1] chat vervolgens “
Gaat al gelijk goed gvd” en “
Ik regel deze gaf”. [46] Dezelfde mededeling van de Bunq-bank, alleen dan in de Engelse taal, wordt dezelfde dag door [medeverdachte 1] via SkyECC gestuurd naar het account [account] . Tussen [medeverdachte 1] en het account [account] worden vervolgens verschillende berichten gewisseld om de blokkade van de transactie op te heffen en de gegevens die daarvoor nodig zijn. [47] Intussen vraagt [medeverdachte 1] aan [verdachte] om bewijsstukken waarop zijn privéadres staat vermeld. [verdachte] stuurt vervolgens verschillende bewijsstukken naar [medeverdachte 1] . [48] Uit de transactiegegevens van de bankrekening [rekeningnummer] blijkt dat er op 14 september 2020 € 5.040,00 binnenkomt vanaf de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [naam] . [49] Kennelijk is het gelukt om transactie uit ‘de wacht’ te halen.
2.3.3.5
Vermoeden van criminele herkomst
Zoals volgt uit paragraaf 2.3.3.1 komt in de periode van 17 september 2020 tot en met 6 oktober 2020, een periode van slechts drie weken, op de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [verdachte] een bedrag van in totaal € 666.377,23 binnen afkomstig van tachtig Duitse en vijf Nederlandse bankrekeningen op naam van particulieren. De geldstroom vertoont bovendien gelijkenis met die van de inkomende geldstromen op de bankrekeningen van [bedrijf] BV, [bedrijf] BV, [bedrijf] BV en [bedrijf] BV (zie paragraaf 2.3.4) die in verband worden gebracht met fraude.
Verder blijkt uit de chatgesprekken zoals opgenomen in de vorige paragraaf dat [verdachte] kennelijk niet zelf toegang had tot zijn eigen bankrekening bij de Bunq-bank, maar [medeverdachte 1] wel.
Verder valt op dat de betalingen vanaf de bankrekening van [verdachte] aan [bedrijf] BV niet zien op een goudbestelling van [verdachte] of één van zijn vennootschappen/ondernemingen, maar op een goudbestelling van [bedrijf] .
Gelet hierop, en gezien de overige overeenkomsten tussen de in- en uitgaande geldstromen en de betrokkenheid van [medeverdachte 1] bij de hiervoor besproken en hierna nog te bespreken ondernemingen, bankrekeningen en geldstromen, is de rechtbank van oordeel dat sprake is van een gerechtvaardigd vermoeden dat zowel de inkomende geldstromen als de uitgaande geldstromen, als besproken onder respectievelijk de paragrafen 2.3.3.1 en 2.3.3.2, afkomstig zijn uit enig misdrijf.
2.3.4
[bedrijf] BV ( [bedrijf] )
2.3.4.1
De vennootschap
De vennootschap [bedrijf] BV maakte tevens gebruik van de handelsnamen [bedrijf] en [bedrijf] . De vennootschap is gevestigd op het adres [adres] te [plaats] . [verdachte] is vanaf de oprichting van de vennootschap op 28 maart 2019 enig aandeelhouder en enig bestuurder van de vennootschap. [50]
2.3.4.2
Inkomende geldstromen
In de periode van 27 oktober 2020 tot en met 4 december 2020 komt op de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [bedrijf] een geldbedrag van in totaal € 2.109.740,60 binnen afkomstig van 116 Duitse bankrekeningen en één Oostenrijkse bankrekening op naam van particulieren. Daarnaast komt op de bankrekening in de periode van 14 september 2020 tot en met 27 november 2020 in 79 transacties een geldbedrag van in totaal € 486.615,11 binnen afkomstig van de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [verdachte] . Tot slot komt op 16 september 2020 € 5.000,00 binnen afkomstig van de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [bedrijf] . [51]
2.3.4.3
Uitgaande geldstromen en goudaankopen
In de periode van 5 oktober 2020 tot en met 3 december 2020 wordt vanaf de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [bedrijf] in 109 transacties een geldbedrag van in totaal € 2.422.205,41 overgemaakt naar de bankrekening op naam van [bedrijf] BV. Daarnaast worden vanaf de bankrekening de volgende bedragen afgeschreven:
 in de periode van 25 november 2020 tot en met 3 december 2020 in vier transacties € 47.248,50 naar de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [bedrijf] BV;
 in de periode van 1 oktober 2020 tot en met 3 december 2020 in 57 transacties € 29.169,10 naar de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [verdachte] (de rechtbank begrijpt: [verdachte] );
 op 16 september 2020 € 5.000,00 naar de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [bedrijf] ;
 op 17 september 2020 € 4.988,50 naar de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [bedrijf] . [52]
Uit de gegevens ontvangen van [bedrijf] BV kan worden opgemaakt dat de betalingen aan deze vennootschap zien op goudbestellingen van [bedrijf] (€ 76.322,81) en [bedrijf] zelf (€ 2.345.882,60). [53] Uit die gegevens kan verder worden afgeleid dat een persoon genaamd [alias medeverdachte] de contactpersoon is van [bedrijf] . [54] [alias medeverdachte] zou gebruik maken van de telefoonnummers [telefoonnummer] en [telefoonnummer] . [55] De goudbestellingen werden opgehaald door verschillende personen en verschillende chauffeurs waaronder [medeverdachte 3] , [verdachte] , [naam] en [naam] . [56]
2.3.4.4
Betrokkenheid [verdachte] bij de geldstromen
Zoals volgt uit paragraaf 2.3.4.1 is [verdachte] vanaf de oprichting van de vennootschap enig aandeelhouder en enig bestuurder van [bedrijf] BV. Dat betekent dat hij degene moet zijn geweest die de bankrekening op naam van [bedrijf] bij de Bunq-bank moet hebben geopend. Andere bestuurders waren er immers niet. De vennootschap stond bovendien ingeschreven op het adres [adres] te [plaats] . Dit pand was van [verdachte] . [57] Verder volgt uit paragraaf 2.3.4.3 dat [verdachte] één van de personen is die het door [bedrijf] gekochte goud bij [bedrijf] BV heeft opgehaald.
Zoals volgt uit paragraaf 2.3.2.1.1 zijn in de telefoon van [verdachte] verschillende whatsapp-chats aangetroffen tussen ‘ [verdachte] ’ ( [verdachte] ) en [medeverdachte 1] . [medeverdachte 1] maakte in die whatsapp-communicatie gebruik van verschillende telefoonnummers die onder verschillende namen zijn opgeslagen in de telefoon van [verdachte] . Uit die berichten leidt de rechtbank af dat [verdachte] , in opdracht van [medeverdachte 1] , verschillende handelingen verrichtte met betrekking tot de KvK-registratie en bankrekening van [bedrijf] BV. Dit blijkt onder andere uit het volgende.
Op 8 juli 2020 vraagt [medeverdachte 1] ( [alias medeverdachte] ) aan [verdachte] of hij de bankpas kan appen. [verdachte] vraagt vervolgens welke [medeverdachte 1] moet hebben: [bedrijf] of [bedrijf] ? Hij appt daarna dat hij [bedrijf] nog even opzoekt. [58] Op 3 september 2020 stuurt [verdachte] [medeverdachte 1] ( [alias medeverdachte] ) een chatbericht met daarin het bankrekeningnummer [rekeningnummer] en een schermafbeelding waarop het rekeningnummer te zien is. [59] Dit is het rekeningnummer dat op naam staat van [bedrijf] BV.
Op 1 september 2020 vraagt [medeverdachte 1] ( [alias medeverdachte] ) aan [verdachte] of hij de naam van de holding nog “ff” kan appen. [verdachte] stuurt vervolgens [bedrijf] . [60]
Vanaf 3 september 2020 krijgt [verdachte] van [medeverdachte 1] ( [alias medeverdachte] ) verschillende malen de opdracht om de handelsnaam, de contactgegevens, het adres en de (handels)activiteiten van [bedrijf] BV bij de KvK te wijzigen. De handelsnaam moet eerst gewijzigd worden in [bedrijf] (op 3 september 2020) en later in [bedrijf] en [bedrijf] . [medeverdachte 1] geeft [verdachte] daarbij instructies hoe hij die wijzigingen moet doorvoeren. [verdachte] appt schermafbeeldingen naar [medeverdachte 1] waarop de doorgevoerde wijzigingen te zien zijn met als ondertekenaar ‘ [verdachte] ’. Uit de doorgestuurde schermafbeeldingen blijkt overigens ook dat de wijziging in de naam [bedrijf] niet is toegestaan en daarom ook niet is geregistreerd. [61]
Opvallend is dat voorafgaand aan het bericht van [medeverdachte 1] aan [verdachte] over de wijziging van de handelsnaam in [bedrijf] , het account [account] op 3 september 2020 een SkyECC-bericht stuurt aan [SkyECC-account] ( [medeverdachte 1] , zie paragraaf 2.3.2.3) met daarin een schermafbeelding waarop te lezen is “ [bedrijf] N.V.”. [62] Ook de naam [bedrijf] komt terug in de SkyECC-berichten tussen [medeverdachte 1] en het account [account] . Daarbij merkt de gebruiker van het account [account] op dat “de vrienden” een nieuwe firma willen en geeft hij vervolgens de naam [bedrijf] door. [63] Op 7 september 2020 chat [medeverdachte 1] via SkyECC naar het account [account] dat [bedrijf] “morgen” mag beginnen. Dezelfde dag vraagt [account] aan [medeverdachte 1] over de firma [bedrijf] “kunnen we die voor nu gebruiken?” en of het telefoonnummer in “de Handels-ding” gebruikt kan worden. Hierna stuurt [medeverdachte 1] een schermafbeelding van een KvK-uittreksel van [bedrijf] BV naar [account] . [64]
Op 15 september 2020 zijn er kennelijk problemen met het inloggen in de Bunq-bankomgeving van [bedrijf] BV. Tussen [verdachte] en [medeverdachte 1] ( [alias medeverdachte] ) vindt namelijk de volgende communicatie plaats:
15 september 2020
[medeverdachte 1] aan [verdachte] Kon je inloggen
[verdachte] stuurt [medeverdachte 1] vervolgens een schermafbeelding van een inlogscherm met de tekst [e-mailadres] . En daaronder de vraag: “Beveiligingscode vergeten?”
[verdachte] aan [medeverdachte 1] Die code moet ik hebben
[verdachte] aan [medeverdachte 1] En dat is niet 665800
[medeverdachte 1] aan [verdachte] [e-mailadres]
[medeverdachte 1] aan [verdachte] Lions met een s
[medeverdachte 1] aan [verdachte] 665800
[verdachte] stuurt [medeverdachte 1] vervolgens weer een schermafbeelding van een inlogscherm met de tekst [e-mailadres] . En daaronder de vraag: “Beveiligingscode vergeten?”
[verdachte] aan [medeverdachte 1] Code werkt niet
[medeverdachte 1] aan [verdachte] 020181
[medeverdachte 1] aan [verdachte] Moet 665800 zijn
[medeverdachte 1] aan [verdachte] Anders login met telefoon nr
[verdachte] stuurt [medeverdachte 1] vervolgens een schermafbeelding van een inlogscherm met de tekst dat het inloggen niet gelukt is.
[verdachte] aan [medeverdachte 1] Mijn eigen nummer
[medeverdachte 1] aan [verdachte] deze
[medeverdachte 1] aan [verdachte] [telefoonnummer] (
rechtbank: in gebruik bij [medeverdachte 1] , zie paragraaf 2.3.2.2.4)
[medeverdachte 1] aan [verdachte] Ik krijg dat een code
[medeverdachte 1] aan [verdachte] Die app ik naar jou
[verdachte] naar [medeverdachte 1] Moet een paar min wachten
(…)
[medeverdachte 1] aan [verdachte] Oké
(…)
[medeverdachte 1] aan [verdachte] Spraakbericht: “(…) het lukt op een één of andere manier niet want dan vraagtie weer codes en dan geeftie aan dat ik dat moet verifiëren met bankcodes of emails. Als je morgen tijd hebt dan kom ik morgen een jouw kant op”
(…)
16 september 2020
(…)
Vervolgens stuurt [verdachte] een schermafbeelding naar [medeverdachte 1] . Op de schermafbeelding is te lezen: “Laten we je account herstellen” en “Verifieer identiteit” en daarna een schermafbeelding met de tekst: “We controleren je gegevens”.
[medeverdachte 1] aan [verdachte] Laat maar ff
[medeverdachte 1] aan [verdachte] Heb de vragen al beantwoord
[medeverdachte 1] aan [verdachte] Geen slapende honden wakker maken [65]
Op 16 september 2020 bericht [verdachte] via een spraakbericht aan [medeverdachte 1] ( [alias medeverdachte] ) dat [naam] het pasje van de Bunq-bank heeft en dat [medeverdachte 1] , die daar, aan [adres] , kan ophalen. [verdachte] stuurt vervolgens een foto naar [medeverdachte 1] . Daarop is een brief van de Bunq-bank te zien en een debit bankkaart van de Bunq-bank. Onder de pas is de tekst te lezen: activeer je pas in de Bunq-app. [66]
[verdachte] heeft bovendien verklaard dat [alias medeverdachte] ( [medeverdachte 1] , zie paragraaf 2.3.2.1.1) [bedrijf] nodig had en dat daar een rekening aan gekoppeld moest worden. [verdachte] heeft het bankpasje van [bedrijf] (de rechtbank begrijpt: [bedrijf] BV) aan [alias medeverdachte] gegeven. Hij denkt dat [alias medeverdachte] de bankrekeningen heeft geregeld. De bankpasjes zijn vervolgens naar de [adres] te [plaats] gestuurd en [alias medeverdachte] heeft de bankpasjes opgehaald. [67]
Op 12 oktober 2020 ontstaat er verwarring over het opheffen van een vennootschap. [medeverdachte 1] ( [alias medeverdachte] ) appt [verdachte] “
Geen huurcontract maken” en “
Deze bv gaan we opheffen”. [verdachte] reageert met “
Ok” en iets later “
Was foutje, dacht dat je abinni wou opheffen maar snap nu dat je die andere bv bedoelde”. [68] Kennelijk is het niet bestuurder en aandeelhouder [verdachte] die beslist over het wel of niet opheffen van [bedrijf] BV, maar [medeverdachte 1] .
2.3.4.5
Betrokkenheid [medeverdachte 1] bij de geldstromen en goudaankopen
De rol van [medeverdachte 1] bij [bedrijf] BV en de Bunq-bankrekening op naam van deze vennootschap en de verhouding tussen hem en [verdachte] zijn al uitvoerig aan de orde gekomen in de voorgaande paragraaf.
Wat de goudaankopen betreft volgt de betrokkenheid van [medeverdachte 1] uit het volgende. Zoals volgt uit paragraaf 2.3.4.3 is een persoon genaamd [alias medeverdachte] , onder andere gebruikmakend van het telefoonnummer [telefoonnummer] , de contactpersoon van [bedrijf] bij [bedrijf] BV. De rechtbank heeft in de paragrafen 2.3.2.1.2 en 2.3.2.2.3 vastgesteld dat [medeverdachte 1] de gebruiker is van dit telefoonnummer en dat hij gebruik heeft gemaakt van de identiteit [alias medeverdachte] .
2.3.4.6
Vermoeden van criminele herkomst
Zoals volgt uit paragraaf 2.3.4.2 komt in de periode van 27 oktober 2020 tot en met 4 december 2020, een periode van slechts zes weken, op de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [bedrijf] een geldbedrag van in totaal € 2.109.740,60 binnen, afkomstig van 116 Duitse bankrekeningen en één Oostenrijkse bankrekening op naam van particulieren.
In december 2020 heeft de FIU een bericht uit Duitsland ontvangen inhoudende een vermoeden van investeringsfraude, waarbij door aangevers [plaats] en [aangever] in totaal een bedrag van € 116.521,50 zou zijn overgemaakt naar de bankrekening [rekeningnummer] op naam van ‘ [bedrijf] ’ (de rechtbank begrijpt: [bedrijf] ). [69] Het vermoeden dat ten aanzien van de inkomende geldstromen uit Duitsland en Oostenrijk sprake is van fraude kan ook worden afgeleid uit de gelijkenis van deze inkomende geldstromen met de inkomende geldstromen bij [bedrijf] BV, [bedrijf] BV en [bedrijf] BV en die in verband worden gebracht met fraude.
Uit de gegevens van de Belastingdienst blijkt dat van [bedrijf] BV geen omzetgegevens bekend zijn. [70] Dit is opvallend, omdat in 2020 maar liefst € 2.109.740,60 binnenkomt op de bankrekening [rekeningnummer] op naam [bedrijf] afkomstig van 116 Duitse bankrekeningen en één Oostenrijkse bankrekening op naam van particulieren.
Uit paragraaf 2.3.4.3 volgt dat één van de telefoonnummers die is gebruikt in het contact met [bedrijf] BV het telefoonnummer [telefoonnummer] is. Uit de gegevens van het bedrijfsprocessensysteem van de politie blijkt dat het telefoonnummer [telefoonnummer] is gebruikt door een persoon die zich ‘ [medeverdachte 2] ’ noemde. Ook is het nummer op 27 augustus 2020 gebruikt door een manspersoon die contact opnam met de politie, maar die zijn naam niet noemde. Dat gesprek ging over de vermissing van een paspoort. Uit de gegevens blijkt dat aan [medeverdachte 2] op 1 september 2020 een nieuw paspoort is uitgegeven en dat het vorige paspoort als vermist staat geregistreerd. [71] Zoals in de vorige paragraaf is vermeld, is het andere telefoonnummer dat bij [bedrijf] BV geregistreerd staat als zijnde in gebruik bij de persoon [alias medeverdachte] , feitelijk in gebruik bij [medeverdachte 1] .
Gelet hierop, en gezien de overige overeenkomsten tussen de in- en uitgaande geldstromen en de betrokkenheid van [medeverdachte 1] bij de hiervoor besproken en hierna nog te bespreken ondernemingen, bankrekeningen en geldstromen, is de rechtbank van oordeel dat sprake is van een gerechtvaardigd vermoeden dat zowel de inkomende geldstromen als de uitgaande geldstromen, als besproken onder respectievelijk de paragrafen 2.3.4.2 en 2.3.4.3, afkomstig zijn uit enig misdrijf.
2.3.5
De criminele herkomst en de wetenschap van [verdachte]
Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad is voor een bewezenverklaring van het onderdeel ‘afkomstig uit enig misdrijf’ in de op artikel 420bis Sr en verder toegesneden tenlastelegging, gelet op doel en strekking van deze wetsbepaling en mede in het licht van de wetsgeschiedenis, niet vereist dat uit de bewijsmiddelen moet kunnen worden afgeleid dat het betreffende voorwerp afkomstig is uit een nauwkeurig aangeduid misdrijf. Dit betekent dus dat uit de bewijsmiddelen niet hoeft te kunnen worden afgeleid door wie, wanneer en waar dit misdrijf concreet is begaan. Wel is voor een veroordeling vereist dat vaststaat dat het voorwerp afkomstig is uit enig misdrijf.
Dat een voorwerp afkomstig is uit enig misdrijf kan, als op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen met een bepaald misdrijf, niettemin bewezen worden als het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Het is aan het openbaar ministerie bewijs aan te dragen van dergelijke feiten en omstandigheden.
Als de door het openbaar ministerie aangedragen feiten en omstandigheden een vermoeden rechtvaardigen dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is. De omstandigheid dat deze verklaring van de verdachte mag worden verlangd, houdt niet in dat het aan de verdachte is om aannemelijk te maken dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is.
Als de verdachte zo’n verklaring geeft, ligt het op de weg van het openbaar ministerie nader onderzoek te doen naar die verklaring. De rechter zal dan mede op basis van de resultaten van dat onderzoek moeten beoordelen of ondanks de verklaring van de verdachte het witwassen bewezen kan worden op de grond dat (het niet anders kan zijn dan dat) het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Als zo’n verklaring uitblijft, mag de rechter die omstandigheid betrekken in zijn overwegingen over het bewijs.
De rechtbank heeft hiervoor telkens en voor iedere aan [verdachte] ten laste gelegde geldstroom overwogen dat sprake is van een gerechtvaardigd vermoeden dat de geldbedragen afkomstig zijn uit enig misdrijf. De rechtbank stelt vast dat [verdachte] geen concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring heeft afgelegd over de herkomst van de ten laste gelegde voorwerpen. Nu een dergelijke verklaring ontbreekt, kan het naar het oordeel van de rechtbank, gelet op de hiervoor vermelde bewijsmiddelen, in samenhang bezien, niet anders dan dat de voorwerpen afkomstig zijn uit enig misdrijf.
[verdachte] moet ook hebben geweten dat de geldbedragen afkomstig waren uit misdrijf. De rechtbank leidt dat onder andere af uit het volgende.
De geldbedragen kwamen binnen op een bankrekening die op zijn naam stond en op de bankrekening van [bedrijf] BV, waar hij bestuurder van was. Hij moet daarom betrokken zijn geweest bij het openen van die rekeningen. [verdachte] heeft verklaard dat hij op enig moment een telefoontje of appje kreeg dat de bankrekening geblokkeerd was. [72] Uit de chatgesprekken tussen hem en [medeverdachte 1] ( [alias medeverdachte] ) blijkt dat op 10 september 2019 al een blokkade plaatsvond, dat [medeverdachte 1] [verdachte] daarvan op de hoogte bracht en dat [verdachte] stukken moest aanleveren om de blokkade op te heffen. In een schermafbeelding die [medeverdachte 1] naar [verdachte] doorstuurt, wordt dan ook een specifieke betaling genoemd, afkomstig van een Duitse bankrekening op naam van een persoon genaamd [naam] . [73] Kennelijk ging de Bunq-bank akkoord, want uit de door de bank uitgeleverde betalingsgegevens van de bankrekening op naam van [verdachte] blijkt dat de betaling op 14 september 2020 uiteindelijk binnenkomt op die rekening. [74] Het is de eerste van de (verdachte) binnenkomende geldbedragen op de bankrekeningen op naam van [verdachte] en [bedrijf] BV die aan [verdachte] ten laste zijn gelegd.
[verdachte] heeft ter terechtzitting, kort gezegd, het volgende verklaard. Hij had samen met een persoon, van wie hij nu denkt dat het [medeverdachte 1] was, het plan opgevat om in auto’s te gaan handelen. Omdat [verdachte] administratief niet handig is en het hem onder meer niet lukte om rekeningen bij de Bunq-bank te openen, zijn er op zijn naam met hulp van [medeverdachte 1] bankrekeningen geopend, waarvan de passen in het bezit waren van [medeverdachte 1] . Ook is met het oog op de voorgenomen autohandel de handelsnaam [bedrijf] in het leven geroepen. [verdachte] zou “de handjes” zijn van de bedrijfsactiviteiten. Pas op de dag dat hij bij de politie kwam, heeft hij gehoord dat er zoveel geld op de bankrekeningen is binnengekomen, daarvoor wist hij van niets. De rechtbank acht deze verklaring, bezien in het licht van de weergegeven bewijsmiddelen, volstrekt ongeloofwaardig en gaat daaraan voorbij.
2.3.6
Witwashandelingen van [verdachte]
Voor het (als pleger) ‘voorhanden hebben’ van een voorwerp in de zin van artikel 420bis lid 1 Sr is vereist dat de verdachte het voorwerp opzettelijk aanwezig had. Dat houdt in dat de verdachte zich bewust was van de (waarschijnlijke) aanwezigheid van het voorwerp, zonder dat die bewustheid zich hoeft uit te strekken tot de precieze eigenschappen en kenmerken van dat voorwerp (waaronder begrepen de omvang van een geldbedrag) of tot de exacte locatie daarvan. Voor het bewijs van dergelijke bewustheid geldt dat daarvan ook sprake kan zijn in een geval dat het niet anders kan dan dat de verdachte zulke bewustheid heeft gehad. Als het medeplegen van het voorhanden hebben van een voorwerp in de zin van artikel 420bis lid 1 Sr is tenlastegelegd, moet komen vast te staan dat sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking door de verdachte met een of meer anderen die was gericht op het voorhanden hebben van zo’n voorwerp. Ook dan is vereist dat de verdachte zich bewust was van de (waarschijnlijke) aanwezigheid van het voorwerp, zonder dat die bewustheid zich hoeft uit te strekken tot de specifieke eigenschappen en kenmerken van dat voorwerp (waaronder begrepen de omvang van een geldbedrag) of tot de exacte locatie daarvan. Daarnaast moet vaststaan dat de verdachte tezamen met de mededader(s) feitelijke macht over het voorwerp heeft kunnen uitoefenen (vgl. HR 30 januari 2024, ECLI:NL:HR:2024:112, rechtsoverwegingen 2.4.1 en 2.4.2).
Het ‘voorhanden hebben’ vereist feitelijke zeggenschap over het voorwerp en strekt zich uit tot ieder feitelijk voorhanden hebben, met welk doel of krachtens welke titel dan ook. Het is daarbij niet nodig dat de verdachte altijd direct over het voorwerp kan beschikken. Voor het (als pleger) ‘verwerven’ van een voorwerp gaat het om het verrichten van een handeling die tot gevolg heeft dat de feitelijke zeggenschap over een voorwerp wordt verkregen (vgl. HR 10 juni 2025, ECLI:NL:HR:2025:871, rechtsoverweging 2.4).
Zoals in de vorige paragraaf is overwogen, moet [verdachte] op de hoogte zijn geweest van de bankrekeningen op zijn naam en op naam van [bedrijf] ( [bedrijf] BV) waarover ten laste gelegde geldstromen zijn gelopen. Op het moment dat de geldbedragen binnenkwamen was [verdachte] ook de enige bestuurder van de vennootschap. Hij had dus de feitelijke zeggenschap over beide bankrekeningen. Hij wist ook dat op een bankrekening op zijn naam geld binnenkwam van een Duitse bankrekening, die door de Bunq-bank als verdacht was aangemerkt. De rechtbank acht dan ook bewezen dat [verdachte] de geldbedragen op de bankrekeningen op zijn naam en op naam van [bedrijf] ( [bedrijf] BV), als bedoeld in de tenlastelegging, voorhanden heeft gehad.
Voor het overige volgt uit de bewijsmiddelen niet dat [verdachte] zelf enige bemoeienis heeft gehad bij de ten laste gelegde witwashandelingen, dan wel feitelijke zeggenschap heeft gehad over het goud dat is aangekocht via de bankrekeningen op zijn naam en op naam van [bedrijf] en de contanten die van die bankrekeningen zijn opgenomen. Dat [bedrijf] BV een kopie van de legitimatie van [verdachte] heeft geregistreerd als zijnde van één van de chauffeurs die goud namens [bedrijf] heeft opgehaald bij [bedrijf] BV (p. 100468) is daarvoor onvoldoende. Uit de door [bedrijf] BV verstrekte gegevens blijkt niet wanneer [verdachte] als chauffeur goud zou hebben opgehaald en om welke betaling het zou gaan. Bovendien staat [verdachte] bij [bedrijf] BV niet geregistreerd als één van de personen die goud heeft afgehaald namens [bedrijf] . De rechtbank zal [verdachte] in zoverre daarom vrijspreken van het tenlastegelegde.
2.3.7
Medeplegen
Uit de hiervoor aangehaalde bewijsmiddelen blijkt dat sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking tussen [verdachte] en [medeverdachte 1] , en daarmee van medeplegen.
2.3.8
Gewoonte en handelen in de uitoefening van een beroep of bedrijf
Gelet op het grote aantal transacties, de hoogte van de geldbedragen, en de periode (een kleine vier maanden) dat [verdachte] heeft witgewassen, is de rechtbank van oordeel dat [verdachte] samen met een ander een gewoonte heeft gemaakt van het witwassen.
Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat [verdachte] niet heeft gehandeld in de uitoefening van een beroep of bedrijf. De rechtbank zal hem daarom van dat onderdeel van de tenlastelegging vrijspreken.
2.3.9
Conclusie
Concluderend is de rechtbank van oordeel dat [medeverdachte 1] in de periode van 14 september 2020 tot en met 4 december 2020 (omstreeks 3 december 2020) tezamen en in vereniging met een ander een gewoonte heeft gemaakt van witwassen door de volgende (girale) geldbedragen voorhanden te hebben.
(Girale) geldbedragen (in de tenlastelegging genoemd onder A)

3.De bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
hij,
in ofomstreeks de periode van 14 september 2020 tot en met 3 december 2020 te
- Winterswijk en
/of
- Duiven en
/of
-
Oldeholtpade, gemeente Weststellingwerf en/of
- Almelo en
/of
-
(elders
)in Nederland,
(telkens
)tezamen en in vereniging met een ander,
althans alleen,
van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt
en/of witwassen heeft
gepleegd in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf, hierin bestaande dat hij,
verdachte, en
/ofzijn mededader
(s),
(een)voorwerp
(en
), bestaande uit een of meer
(grote
)geldbedrag
(en
)tot een totaal
van
ongeveerEUR 2.776.117 (A),
althans enig geldbedrag en/of een grote
hoeveelheid goud en/goudgranulaat en/of (andere) edelmetalen met een (totale)
waarde van EUR 2.559.548 (B) en/of een hoeveelheid contant geld van in totaal EUR
16.650 (C),
heeft verworven en/ofvoorhanden heeft gehad
en/of heeft overgedragen en/of
heeft omgezet,
door:
A:
-
een of meerNederlandse bankrekeningen, op naam van één
of meer
rechtspersonen,
althans op een andere naam dan van hem,en op naam vanverdachte, te
(laten)
openen en
/ofaan te houden en
/ofvervolgens op één of meer van die rekeningen
een of meer (grote) geldbedragen te ontvangen, te weten:
• op een rekening met nummer [rekeningnummer] , op naam van [bedrijf]
BV een of meerbedragen tot een totaal van EUR 2.109.740
(AH062)en
/of
• op een rekening met nummer [rekeningnummer] , op naam van [verdachte]
een
of meerbedragen tot een totaal van EUR 666.377
(AH071) en/of
en/of
B:
- voor een of meer grote bedrag(en) goud en/of goudgranulaat en/of (andere)

edelmetalen aan te kopen, te weten:

• goud en/of goudgranulaat en/of (andere) edelmetalen voor een bedrag van (in
totaal) EUR 2.422.205 (AH062) en/of EUR 137.343 (AH071) bij [bedrijf] BV, althans bij
één of meer onder die rechtspersoon geregistreerde handelsnamen
en/of
C:
- een of meer bedrag(en) van (in totaal) (ongeveer) EUR 16.650 (AH071) contant op

te nemen,

terwijl hij, verdachte, en
/ofzijn mededader
(s),
(telkens
)wist
(en
)dat
dit/deze
geldbedrag
(en
)- onmiddellijk of middellijk - (mede) afkomstig
was/waren uit
enig
(e)misdrijf.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.
Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.
Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4.De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:
medeplegen van gewoontewitwassen.

5.De strafbaarheid van het feit

Het feit is strafbaar.

6.De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7.De overwegingen ten aanzien van straf en maatregel

7.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 38 maanden. Daarnaast heeft de officier van justitie als bijkomende straffen gevorderd een beroepsverbod in de zin van artikel 28 Sr Pro voor de duur van vijf jaar voor de uitoefening van werkzaamheden als bestuurder van een vennootschap en de ongeanonimiseerde publicatie van de uitspraak op Rechtspraak.nl. Ook heeft zij de gevangenneming gevorderd.
7.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft bepleit dat in strafmatigende zin dient te worden meegewogen dat uit het dossier naar voren komt dat [verdachte] is gebruikt en gemanipuleerd door [medeverdachte 1] en dat [verdachte] geen beloning heeft ontvangen. Verder dient rekening te worden gehouden met de persoonlijke omstandigheden van [verdachte] . Zijn onderneming zal failliet gaan als hij voor langere tijd gedetineerd raakt. Daardoor zal hij reputatieschade oplopen. Daarnaast zal [verdachte] dan zijn huurwoning kwijtraken. Verder heeft de raadsvrouw verzocht rekening te houden met artikel 63 Sr Pro en de overschrijding van de redelijke termijn.
Een onvoorwaardelijke gevangenisstraf is niet passend. Verzocht is om in plaats daarvan, of in ieder geval voor een groot deel, een voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen.
De vordering tot gevangenneming dient te worden afgewezen. [verdachte] heeft niet in voorlopige hechtenis gezeten en sinds zijn aanhouding geen nieuwe strafbare feiten gepleegd. Ten aanzien van het gevorderde beroepsverbod heeft de raadsvrouw zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
7.3
De beoordeling door de rechtbank
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.
[verdachte] heeft samen met een ander omstreeks de periode van 14 september 2020 tot en met 3 december 2020 een gewoonte gemaakt van het witwassen van meerdere geldbedragen van in totaal € 2.776.117,00. Het geld was afkomstig van Duitse, Oostenrijkse en Nederlandse bankrekeningen op naam van particulieren. Het bedrag kwam binnen op een bankrekening die op zijn naam stond en een bankrekening op naam van een vennootschap waar [verdachte] bestuurder van was. Hij stelde zijn vennootschap beschikbaar aan [medeverdachte 1] en wijzigde op zijn verzoek de gegevens van die vennootschap bij de Kamer van Koophandel. Door dit handelen heeft [verdachte] bijgedragen aan het doorbreken van de zogenaamde ‘papertrail’ en ervoor gezorgd dat er geen zicht meer was op het van misdrijf afkomstige geld. Hij deed dit enkel ten behoeve van zijn eigen financiële gewin. Meermalen, vooral na iets voor [medeverdachte 1] te hebben gedaan, vroeg hij [medeverdachte 1] geld en kreeg hij dit geld vervolgens ook. Dat dit (deels) een lening betrof, als al juist, doet daar niet aan af. [verdachte] maakte zich welbewust schuldig aan witwassen om zijn (dure) levensstijl te kunnen bekostigen.
Witwassen betreft een ernstig strafbaar feit. Het werkt faciliterend voor andere kwalijke misdrijven, vormt een bedreiging voor de legale economie en tast het vertrouwen in het financiële en economische verkeer aan. [verdachte] heeft er geen blijk van gegeven de ernst van zijn handelen in te zien en heeft daarvoor ook geen verantwoordelijkheid genomen. Dit spreekt niet in zijn voordeel.
Over het strafblad van [verdachte] merkt de rechtbank op dat hij in 2015 en 2017 is veroordeeld voor valsheid in geschrift. Dat betekent dat sprake is van recidive. Verder is artikel 63 Sr Pro van toepassing wegens een veroordeling in 2025 voor diefstal met braak en de oplegging van drie strafbeschikkingen.
Voorts dient rekening te worden gehouden met het feit dat de redelijke termijn is overschreden. De redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6 EVRM Pro, vangt aan op het moment dat een verdachte in redelijkheid de verwachting kan hebben dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit een strafvervolging zal worden ingesteld. Als uitgangspunt heeft te gelden dat de behandeling van een zaak dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaren na aanvang van de redelijke termijn. Ingeval van overschrijding van de redelijke termijn is vermindering van de op te leggen straf de aangewezen sanctie. De duur van de redelijke termijn is blijkens vaste jurisprudentie mede afhankelijk van de ingewikkeldheid van de zaak, waaronder begrepen de gelijktijdige berechting van meerdere zaken tegen een verdachte. Ook andere omstandigheden kunnen verlenging van de redelijke termijn rechtvaardigen.
De rechtbank stelt vast dat de redelijke termijn van in beginsel twee jaren is aangevangen op de dag van de verzending van de dagvaarding door het openbaar ministerie op 17 mei 2023. Vanaf die datum kon [verdachte] er rekening mee houden dat hij zou worden vervolgd. Tussen die datum en de datum van dit eindvonnis ligt een periode van ruim drie jaar. De rechtbank ziet geen omstandigheden die rechtvaardigen dat voor de redelijke termijn een langere termijn dan twee jaren in acht wordt genomen. Daarmee is in de onderhavige zaak sprake van een overschrijding van de redelijke termijn van ruim een jaar. Nu deze overschrijding niet is toe te rekenen aan de verdediging, dient dit gecompenseerd te worden door verkorting van de op te leggen onvoorwaardelijke gevangenisstraf.
Gelet op de aard en de ernst van het bewezenverklaarde feit en het feit dat sprake is van recidive, acht de rechtbank alleen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van langere duur op zijn plaats. De rechtbank heeft aansluiting gezocht bij de LOVS-oriëntatiepunten voor fraude. Bij een benadelingsbedrag van € 1.000.000,00 en hoger geldt als uitgangspunt een gevangenisstraf van ten minste 24 maanden. De rechtbank beseft dat het ondergaan van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf een ontwrichtend effect zal hebben op het leven van [verdachte] , maar ziet geen zodanige klemmende persoonlijke omstandigheden dat van de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf moet worden afgezien. Naar het oordeel van de rechtbank zou een gevangenisstraf voor de duur van 33 maanden zonder meer passend zijn. Wegens overschrijding van de redelijke termijn met ruim een jaar zal de rechtbank hierop een korting van drie maanden toepassen en een gevangenisstraf opleggen van 30 maanden.
Het verschil in strafmaat ten opzichte van [medeverdachte 2] laat zich verklaren door de hoogte van het witgewassen bedrag. Bovendien is ingeval van [verdachte] , anders dan ingeval van [medeverdachte 2] , sprake van recidive.
De straf wijkt af van de eis van de officier van justitie. De rechtbank komt tot een minder vergaande bewezenverklaring, onder andere waar het gaat om de witwashandelingen. De rechtbank acht enkel het voorhanden hebben bewezen. Verder houdt de rechtbank, mogelijk meer dan de officier van justitie heeft gedaan, in strafmatigende zin rekening met de overschrijding van de redelijke termijn.
De vordering tot gevangenneming
De vordering tot gevangenneming zal de rechtbank afwijzen. Er is weliswaar sprake van ernstige bezwaren, maar er zijn geen gronden aanwezig. Dat sprake is van recidive, maakt in dit geval nog niet dat de recidivegrond van toepassing is. Sinds de pleegdata waarop de recidive ziet, zijn meerdere jaren verstreken en datzelfde geldt voor de diefstal met braak. Vanaf januari 2021 is [verdachte] niet opnieuw voor misdrijven bij politie en justitie in beeld gekomen. De uit het strafblad blijkende recidive vormt geen reden om de recidivegrond aan te nemen. De rechtbank weegt bovendien mee dat [verdachte] niet in verzekering of voorlopige hechtenis heeft verbleven voor het bewezenverklaarde feit.
De vordering tot het ongeanonimiseerd publiceren van het vonnis
Op grond van artikel 36 Sr Pro kan de rechtbank krachtens de wet openbaarmaking van de uitspraak gelasten. In het Wetboek van Strafrecht is per titel aangegeven of openbaarmaking van de uitspraak mogelijk is. De titel waarin het artikel 420bis staat vermeld (boek 2 titel XXXA) bevat niet zo’n bepaling. Reeds bij gebreke van een wettelijke grondslag, zal de rechtbank niet de openbaarmaking van het vonnis gelasten.
Het gevorderde beroepsverbod
[verdachte] is bestuurder geweest van een vennootschap die gebruikt is voor het bewezenverklaarde gewoontewitwassen. Hij stelde zijn vennootschap beschikbaar aan [medeverdachte 1] en wijzigde op zijn verzoek de gegevens van die vennootschap bij de Kamer van Koophandel. [verdachte] heeft zijn positie als bestuurder van de vennootschap daarmee misbruikt. De rechtbank ziet daarin reden aan [verdachte] een beroepsverbod op te leggen, inhoudende dat [verdachte] voor de duur van 54 maanden wordt ontzet van het recht tot de uitoefening van het beroep van bestuurder van een vennootschap.
Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire Pro beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek Pro van Strafvordering, aan de orde is.

8.De toegepaste wettelijke bepalingen

De oplegging van de straf en/of maatregel is gegrond op de artikelen 28, 31, 47, 63, 420ter en 420quinquies van het Wetboek van Strafrecht.

9.De beslissing

De rechtbank:
 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;
 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;
 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;
 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
 veroordeelt verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
30(dertig)
maanden;
 ontzet verdachte van het recht tot uitoefening van het beroep van bestuurder van een vennootschap voor de duur van 54 (vierenvijftig) maanden;
 wijst af de vordering tot gevangenneming.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.J. Wasmann (voorzitter), mr. K.A.M. van Hoof en
mr. P. Verkroost, rechters, in tegenwoordigheid van mr. G.C. van de Fliert, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 4 juni 2026.
Mr. K.A.M. van Hoof is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Voetnoten

1.Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door [verbalisant 2] van de politie Oost-Nederland, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer ONRBB20013/Dwerguil, gesloten op 23 februari 2023, en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.
2.Proces-verbaal van verhoor [verdachte] , p. 700071, p. 700141.
3.Proces-verbaal van verhoor [verdachte] , p. 700099, p. 700144.
4.Proces-verbaal van verhoor [verdachte] , p. 700073.
5.Proces-verbaal van verhoor [verdachte] , p. 700146.
6.Proces-verbaal van verhoor [verdachte] , p. 700149.
7.Schriftelijke verklaring [medeverdachte 1] , p. 1 (aanvullend dossier).
8.Factuurhistorie per klant, p. 100336-100339.
9.E-mail d.d. 9 december 2020, p. 100489.
10.Proces-verbaal van bevindingen, p. 100551.
11.Proces-verbaal van verhoor [naam] , p. 700158-700159.
12.Proces-verbaal van bevindingen, p. 101533.
13.Proces-verbaal van bevindingen, p. 100602, p. 100609-100610.
14.Proces-verbaal van bevindingen, p. 100691.
15.Proces-verbaal van verhoor [naam] , p. 700158-700159.
16.Proces-verbaal van verhoor [naam] , p. 700158-700159.
17.Proces-verbaal van bevindingen, p. 101568.
18.Proces-verbaal van bevindingen, p. 100691.
19.Proces-verbaal van bevindingen, p. 101567, 101569.
20.Proces-verbaal van bevindingen, p. 100672.
21.Proces-verbaal van bevindingen, p. 100691-100692.
22.Proces-verbaal van bevindingen, p. 100710-100711.
23.Proces-verbaal van bevindingen, p. 101416.
24.Proces-verbaal van bevindingen, p. 101530.
25.Proces-verbaal van verhoor [naam] , p. 700158-700159.
26.Proces-verbaal van bevindingen, p. 101530.
27.Proces-verbaal van verhoor [naam] , p. 700158-700159.
28.Proces-verbaal van bevindingen, p. 101941.
29.Verklaring van [medeverdachte 3] bij de rechter-commissaris, p. 8.
30.Schriftelijke verklaring [medeverdachte 1] , p. 1 (aanvullend dossier).
31.Proces-verbaal van bevindingen, p. 101971-101972, 101975, 101981-101982, 101987-101988, 101990-101991, 101998, 102000, 102003, 102010.
32.Proces-verbaal van bevindingen, p. 101666-101667.
33.Proces-verbaal van bevindingen, p. 101971-102010.
34.Verklaring van [verhuurder] bij de rechter-commissaris, p. 2-4.
35.Proces-verbaal van verhoor [naam] , p. 700157-700158.
36.Proces-verbaal van verhoor [medeverdachte 1] (V01.05), p. 2 (aanvullend dossier).
37.Proces-verbaal van bevindingen, p. 100734-100735; proces-verbaal zaaksdossier 04, p. 123.
38.Proces-verbaal van bevindingen, p. 100735.
39.Proces-verbaal zaaksdossier 01, p. 24; overzicht goudbestellingen, p. 100455; overzicht factuurnummers, p. 100493.
40.Proces-verbaal van bevindingen, p. 101579-101580.
41.Proces-verbaal van verhoor [naam] , p. 700164.
42.Proces-verbaal van bevindingen, p. 100591-100593.
43.Proces-verbaal van bevindingen, p. 101459-101460.
44.Proces-verbaal van bevindingen, p. 100596.
45.Proces-verbaal van bevindingen, p. 101460.
46.Proces-verbaal van bevindingen, p. 100575-100577.
47.Proces-verbaal van bevindingen, p. 101631-101634.
48.Proces-verbaal van bevindingen, p. 100577-101579.
49.Proces-verbaal van bevindingen, p. 101634.
50.KvK, p. 100080.
51.Proces-verbaal van bevindingen, p. 100712-100713.
52.Proces-verbaal van bevindingen, p. 100713-100714.
53.Proces-verbaal zaaksdossier 01, p. 24; overzicht goudbestellingen, p. 100455; overzicht goudbestellingen, p. 100464-100467; overzicht factuurnummers, p. 100493-100494.
54.Proces-verbaal van bevindingen, p. 100328.
55.Overzicht klant [bedrijf] , p. 100468; proces-verbaal van bevindingen, p. 100687.
56.Overzicht klant [bedrijf] , p. 100468; kopieën van verschillende identiteitsbewijzen, p. 100471.
57.Proces-verbaal van verhoor [verdachte] , p. 700142.
58.Proces-verbaal van bevindingen, p. 100547-100548.
59.Proces-verbaal van bevindingen, p. 100564-100565.
60.Proces-verbaal van bevindingen, p. 100560.
61.Proces-verbaal van bevindingen, p. 100562-100568, 100571-100575, 101586-101587, 101617-101618, 101630-101631.
62.Proces-verbaal van bevindingen, p. 101617.
63.Proces-verbaal van bevindingen, p. 101614.
64.Proces-verbaal van bevindingen, p. 101624-101625.
65.Proces-verbaal van bevindingen, p. 100582-100589.
66.Proces-verbaal van bevindingen, p. 100589-100590.
67.Proces-verbaal van verhoor [verdachte] , p. 700142.
68.Proces-verbaal van bevindingen, p. 101608-101609.
69.Proces-verbaal van bevindingen, p. 100767.
70.Proces-verbaal van bevindingen, p. 101515.
71.Proces-verbaal van bevindingen, p. 100687.
72.Verklaring van [verdachte] ter terechtzitting van 13 april 2026.
73.Proces-verbaal van bevindingen, p. 101575-101579.
74.Excel-overzicht AH071-001 (aanvullend dossier, niet genummerd).