Uitspraak
RECHTBANK GELDERLAND
uitspraak van de voorzieningenrechter van
in de zaak tussen
[verzoeker] B.V., uit [plaats], verzoeker
de burgemeester van de gemeente Nijmegen
Samenvatting
1.1. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of zij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Deze vraag beantwoordt zij aan de hand van de gronden van verzoeker.
1.3. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Procesverloop
.Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
3.1. Vanaf december 2024 zijn diverse vergunningaanvragen gedaan, door verzoeker maar ook door een beoogd koper van de horecaonderneming [naam onderneming]. Omdat alle aanvragen uiteindelijk zijn ingetrokken heeft de burgemeester aanleiding gezien een Bibob [2] onderzoek uit te laten voeren. De burgemeester heeft het Landelijk Bureau Bibob (LBB) om advies gevraagd vanwege twee economische delicten die door de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit zijn geconstateerd en omdat hij twijfels heeft over de integriteit van [persoon A].
3.2. Op 30 oktober 2025 heeft het LBB rapport uitgebracht. Het LBB concludeert dat er een ernstig gevaar bestaat dat de vergunning mede zal worden gebruikt om strafbare feiten te plegen (artikel 3, eerste lid, onderdeel b, van de Wet Bibob).
Hierbij heeft het LBB betrokken dat uit het onderzoek van de Douane feiten en omstandigheden naar voren zijn gekomen die doen vermoeden dat [verzoeker] BV op tijdstippen in de periode van 1 januari 2019 tot en met 31 augustus 2023 heeft gehandeld in strijd met de in artikel 52, vierde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) opgenomen bewaarplicht. [3] Het LBB is van oordeel dat sprake is van een ernstig vermoeden dat [verzoeker] BV dit strafbare feit heeft gepleegd.
Omdat er in de afgelopen vijf jaren sprake is van een ernstig vermoeden van het plegen van een strafbaar feit, wordt ook verder teruggekeken. Uit dit onderzoek blijkt dat de bestuurder van verzoeker in de periode van 17 maart 2011 tot en met 20 juni 2011 in België is veroordeeld wegens poging tot oplichting, valsheid in geschrifte en deelname aan een criminele organisatie.
3.3. De burgemeester heeft in het advies van het LBB aanleiding gezien de aan verzoeker verleende Alcoholwetvergunning in te trekken. Hierbij heeft de burgemeester zich op het standpunt gesteld dat de overtredingen van de Awr zich over meerdere jaren hebben afgespeeld (de volledig onderzochte periode) en het dus niet een eenmalige fout is. Er is jaren achter elkaar stelselmatig een gebrekkige administratie gevoerd, waardoor al vaststaat dat er in ieder geval te weinig accijns is betaald. Bovendien is het volgens de burgemeester ook aannemelijk dat hiermee de omzetbelasting niet op de juiste wijze is berekend. Het niet voldoen aan de bewaarplicht is begaan bij de onderneming waarvoor de Alcoholwetvergunning is verstrekt. De Alcoholwetvergunning maakt het mogelijk om de strafbare feiten als poging tot oplichting, valsheid in geschrifte en deelname aan criminele organisatie te plegen en daardoor voldoen de feiten uit 2011 volgens de burgemeester aan het vereiste dat ze moeten samenhangen met de vergunning.
De burgemeester acht intrekking van de alcoholwetvergunning evenredig. Het stellen van voorwaarden aan de vergunning neemt het gevaar dat de vergunning mede zal worden gebruikt om strafbare feiten te plegen niet weg. Het algemeen belang om horecabedrijven te weren die mede kunnen worden gebruikt om strafbare feiten te plegen dient zwaarder te wegen dan het belang van verzoeker om de verleende Alcoholwetvergunning voor
a. uit gepleegde strafbare feiten verkregen of te verkrijgen, op geld waardeerbare
(…).
4.1. Op grond van artikel 31, derde lid aanhef onder a Alcoholwet kan een Alcoholwetvergunning door de burgemeester worden ingetrokken in het geval en onder de
Verzoeker betwist dat op basis van het rapport van de Douane de conclusie kan worden getrokken dat artikel 52, tweede lid van de Awr is overtreden. In het rapport wordt namelijk gesteld dat het erop lijkt dat de bewaarplicht is geschonden. Er is dan ook niet meer dan een vermoeden. Dat vast zou staan dat in de afgelopen 5 jaren over een langere periode meermaals overtredingen van de Awr zijn gepleegd is niet onderbouwd. Bovendien is door de Douane geen rekening gehouden met de omstandigheden waaronder het onderzoek heeft plaatsgevonden, hoe de omzet van verzoeker wordt behaald, dat de controleperiode niet alleen inkopen en verkopen kent, maar tevens een begin- en eindvoorraad en dat uit het verbruik van Shisha-kooltjes niet één op één de omzet van waterpijptabak is te achterhalen. Verder heeft verzoeker betoogd dat het gevaar voor herhaling niet meer aanwezig is omdat hij inmiddels een nieuwe boekhouder heeft. Hierbij verwijst verzoeker naar de uitspraak van de Afdeling van 20 juli 2016. [4] Verzoeker betwist bovendien dat er reden is om verder terug te kijken en stelt dat de burgemeester ten onrechte niet onderbouwt waarom deze feiten op dit moment nog steeds een ernstig gevaar zouden opleveren dat de vergunning gebruikt zou worden om strafbare feiten te plegen. Hij had ook maar een beperkte rol. Tenslotte betoogt verzoeker dat het intrekken van de alcoholwetvergunning grote financiële gevolgen zal hebben en hij zowel zakelijk als privé failliet zal gaan.
7.2. Het LBB heeft vastgesteld dat verzoeker in de periode 2019-2023 in strijd heeft gehandeld met de in de Awr opgenomen bewaarplicht en dat de bestuurder van verzoeker in 2011 in België is veroordeeld wegens poging tot oplichting, valsheid in geschrifte en deelname aan een criminele organisatie en dat er een ernstig gevaar bestaat dat de alcoholwetvergunning mede zal worden gebruikt om strafbare feiten te plegen.
7.6. De voorzieningenrechter is gelet op het voorgaande van oordeel dat de burgemeester zich dan ook onder verwijzing naar het advies van het LBB in redelijkheid op het standpunt heeft gesteld dat er een ernstig gevaar bestaat dat de vergunning mede zal worden gebruikt om strafbare feiten te plegen. Het betoog slaagt daarom niet.
Conclusie en gevolgen
9.1. De burgemeester heeft toegezegd de zitting van de voorzieningenrechter af te wachten voordat tot het (door toepassing van bestuursdwang) sluiten van de horecagelegenheid zal worden overgegaan. Op de zitting heeft de burgemeester nader toegezegd tot acht dagen na de zitting te zullen wachten. De voorzieningenrechter acht dit redelijk. Voor de door verzoeker gewenste twee maanden ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding. Dit komt immers in feite neer op een schorsing van het besluit tot op het bezwaar is beslist en zoals hiervoor reeds is overwogen is daar geen reden toe. Omdat de burgemeester al bereid is te wachten tot acht dagen na de zitting, er geen reden is een langere termijn te stellen en er ook geen reden is om aan te nemen dat de burgemeester zich niet aan de toezegging zal houden, ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om die termijn in het dictum op te nemen.
9.2. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.