Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2026:4219

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
28 mei 2026
Publicatiedatum
27 mei 2026
Zaaknummer
ARN 25/5012
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:15 AwbArt. 6:19 AwbArt. 7:1 AwbArt. 4:8 AwbArt. 3:4 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen verlenging begunstigingstermijn last onder dwangsom recreatiewoning

Eiser is eigenaar van een recreatiewoning op vakantiepark Bad Hulckesteijn in Nijkerk en maakte bezwaar tegen het besluit van het college om de begunstigingstermijn van een last onder dwangsom wegens permanent bewonen te verlengen. Het college had de termijn verlengd naar aanleiding van een verzoek van de huurster en een gesprek met de wethouder.

De rechtbank oordeelt dat het college het bezwaar van eiser ten onrechte heeft doorgestuurd aan de rechtbank in plaats van zelf te beslissen, maar acht het beroep ontvankelijk vanwege het belang van rechtszekerheid en effectieve rechtsbescherming. De rechtbank toetst vervolgens inhoudelijk het verlengingsbesluit.

De rechtbank stelt vast dat het verlengingsbesluit een begunstigend besluit is en dat het college eiser niet vooraf hoefde te horen. Ook is gebleken dat het college de persoonlijke omstandigheden van de huurster, waaronder haar medische situatie, heeft meegewogen en de menselijke maat heeft toegepast door de termijn meerdere malen te verlengen tot 1 januari 2027.

Het beroep van eiser faalt derhalve en het verlengingsbesluit blijft in stand. De uitspraak is gedaan door rechter M. Duifhuizen en griffier R.P.C.M. van Wel.

Uitkomst: Het beroep tegen het verlengingsbesluit wordt ongegrond verklaard en de verlenging van de begunstigingstermijn blijft in stand tot 1 januari 2027.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 25/5012

uitspraak van de enkelvoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats], eiser

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Nijkerk

(gemachtigde: A.D. Titaleij).

Samenvatting

Deze uitspraak gaat over het beroep van eiser tegen het besluit tot het verlengen van de begunstigingstermijn van de aan eiser opgelegde last onder dwangsom vanwege het permanent laten bewonen van zijn recreatiewoning op het vakantiepark ‘Bad Hulckesteijn’ in Nijkerk. Eiser is het niet eens met dit besluit. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het besluit.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college heeft kunnen besluiten tot het verlengen van de begunstigingstermijn. Eiser krijgt geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.

Procesverloop

1. Met het besluit van 21 mei 2025 heeft het college de begunstigingstermijn van de eerder aan eiser oplegde last onder dwangsom verlengd tot 27 november 2025 (het verlengingsbesluit).
1.1.
Eiser heeft op 26 juni 2025 bezwaar gemaakt tegen het verlengingsbesluit. Het college heeft het bezwaar van eiser op 22 oktober 2025 doorgezonden aan de rechtbank omdat het bezwaar volgens het college moet worden aangemerkt als een beroepschrift.
1.2.
Het college heeft op dit beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 2 april 2026 op zitting behandeld. Verschenen zijn eiser en de gemachtigde van het college. Omdat het beroep gelijktijdig is behandeld met de beroepen in zaaknummers 24/4012, 24/4025 en 25/4026 is behandeld, hebben ook deelgenomen: [persoon A], [persoon B], [persoon C] en [persoon D].
Waar gaat deze zaak over?
2. Eiser is eigenaar van de recreatiewoning en het daarbij behorende perceel aan de [locatie] (de recreatiewoning) in Nijkerk op het vakantiepark ‘Bad Hulckesteijn’ (het vakantiepark). De recreatiewoning is gelegen binnen de grenzen van het omgevingsplan ‘Omgevingsplan gemeente Nijkerk’ (het omgevingsplan). De recreatiewoning valt daarmee binnen het tijdelijke deel van het omgevingsplan, onderdeel ‘Bestemmingsplan Bad Hulckesteijn’ (tijdelijk deel van het omgevingsplan – Bestemmingsplan Bad Hulckesteijn’). In dit tijdelijke deel van het omgevingsplan hebben de gronden waarop de recreatiewoning is gesitueerd de bestemming ‘Recreatie – Verblijfsrecreatie’.
2.1.
In het besluit van 27 november 2024 heeft het college eiser gelast om de overtreding, bestaande uit het gebruiken of laten gebruiken van de recreatiewoning voor niet-recreatieve doeleinden, vóór 26 mei 2025 te beëindigen en beëindigd te houden, onder dreiging van een dwangsom van €20.000,- ineens (het handhavingsbesluit). [1]
2.2.
Op 16 februari 2025 heeft de huurster van de recreatiewoning bezwaar gemaakt tegen het handhavingsbesluit. Verder heeft de huurster op deze datum onder meer aan het college verzocht om de handhavingsmaatregelen tijdelijk op te schorten totdat een passende woning beschikbaar is. Daaropvolgend heeft er op 24 april 2025 tussen enerzijds de huurster en eiser en anderzijds de betreffende wethouder een gesprek plaatsgevonden.
2.3.
In het verlengingsbesluit van 21 mei 2025 heeft het college, naar aanleiding van het verzoek van de huurster en het gevoerde gesprek, de begunstigingstermijn van het handhavingsbesluit verlengd tot 27 november 2025.
2.4.
Op 26 juni 2025 heeft eiser bezwaar gemaakt tegen het verlengingsbesluit.
2.5.
Op 29 juli 2025 heeft het college een beslissing genomen op het bezwaar van de huurster tegen het handhavingsbesluit.
2.6.
Op 5 september 2025 heeft de huurster bij deze rechtbank beroep ingesteld tegen deze beslissing op bezwaar van 29 juli 2025. Dit beroep heeft het zaaknummer 25/4012.
2.7.
Het college heeft het bezwaar van eiser tegen het verlengingsbesluit op 22 oktober 2025 doorgezonden aan deze rechtbank op grond van artikel 6:15, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het college heeft dit bezwaar, bij monde van de commissie bezwaarschriften van de gemeente Nijkerk (bezwaarschriftencommissie), aangemerkt als een aanvulling op het beroep van de huurster.
2.8.
De begunstigingstermijn van het handhavingsbesluit is vervolgens meermaals verlengd door het college met verschillende besluiten tot uiteindelijk 1 januari 2027. [2] Het beroep van eiser tegen het verlengingsbesluit is van rechtswege ook gericht tegen deze verlengingsbesluiten. [3]

Beroepsgronden

Is het bezwaar van eiser tegen het verlengingsbesluit ten onrechte doorgezonden aan de rechtbank door het college?
3. De rechtbank ziet zich ambtshalve voor de vraag gesteld of het college terecht heeft besloten om het bezwaar van eiser tegen het verlengingsbesluit door te sturen naar de rechtbank. Naar het oordeel van de rechtbank is dat niet het geval, maar de rechtbank ziet aanleiding om het beroep toch inhoudelijk te behandelen.
3.1.
Het college heeft met zijn brief van 22 oktober 2025 het bezwaar van eiser doorgezonden aan de rechtbank omdat het bezwaar volgens het college moest worden aangemerkt als een aanvulling op het beroep van de huurster.
3.2.
De rechtbank stelt vast dat op 8 april 2025 een hoorzitting heeft plaatsgevonden bij de bezwaarschriftencommissie van de gemeente Nijkerk waarin het bezwaar van de huurster van de recreatiewoning tegen het handhavingsbesluit aan de orde is gekomen. Omdat het verlengingsbesluit het handhavingsbesluit wijzigt, is dit verlengingsbesluit gelet op artikel 6:19, eerste lid, van de Awb van rechtswege onderdeel van de (bezwaar)procedure van de huurster tegen het handhavingsbesluit. Omdat eiser geen bezwaar heeft gemaakt tegen het handhavingsbesluit, is het verlengingsbesluit in zijn procedure geen zogeheten 6:19-besluit, maar een primair besluit waartegen op grond van artikel 7:1 van Pro de Awb bezwaar kan worden gemaakt. Op het bezwaar van eiser heeft het college ten onrechte niet beslist, maar dit is doorgestuurd. De rechtbank is van oordeel dat het college op het bezwaar van eiser hadden moeten beslissen en dat dit ten onrechte is doorgestuurd aan de rechtbank ter behandeling als beroep. Dit laatste is als zodanig ook erkend door de gemachtigde van het college ter zitting. Het gevolg hiervan zou zijn dat het beroep niet-ontvankelijk is en dat dit met toepassing van artikel 6:15 van Pro de Awb aan het college zou moeten worden teruggestuurd om alsnog de bezwaarprocedure te doorlopen.
3.3.
De rechtbank ziet in dit specifieke geval toch aanleiding om het beroep van eiser ontvankelijk te achten uit het oogpunt van een effectieve rechtsbescherming voor alle partijen. De rechtbank acht daarbij de belangen van partijen doorslaggevend. Partijen, meer in het bijzonder eiser, zijn na lange tijd gebaat bij duidelijkheid en rechtszekerheid. Een niet-ontvankelijkverklaring van het beroep zou ertoe leiden dat verweerder alsnog, al dan niet met een hoorzitting bij de bezwaarschriftencommissie, moet besluiten op het bezwaar van eiser tegen het verlengingsbesluit dat inmiddels ook meerdere malen is gewijzigd. Daarbij acht de rechtbank ook relevant dat deze verlengingsbesluiten ook onderdeel zijn van de beroepsprocedure van de huurster tegen de beslissing op haar bezwaar waarover de rechtbank in de procedure met nummer 25/4012 wél een oordeel over moet geven. Het niet-ontvankelijk verklaren van het beroep van eiser en het terugsturen hiervan naar het college zou meer tijd en onzekerheid met zich meebrengen. Door de zaak van eiser tegen het verlengingsbesluit toch inhoudelijk te behandelen worden partijen niet in hun belangen geschaad. Dat geldt ook voor eiser, omdat de rechtbank zijn bezwaarschrift, dat dus door de rechtbank als beroepschrift wordt aangemerkt, inhoudelijk zal behandelen. Ook de belangen van derden, zoals de huurster, worden niet geschaad. Gelet op de voornoemde omstandigheden in dit specifieke geval ziet de rechtbank daarom aanleiding het beroep ontvankelijk te achten.
3.4.
De rechtbank zal hieronder het beroep inhoudelijk behandelen.
Omvang van het geding
4. Eiser betoogt dat de gevoerde klachtprocedure tegen een medewerker van de Omgevingsdienst De Vallei (ODDV) door het college is afgehandeld zonder hoor en wederhoor van de huurster.
4.1.
De rechtbank overweegt dat de rechtbank in deze procedure alleen het verlengingsbesluit en de daarop volgende verlengingsbesluiten toetst. Daarom beoordeelt de rechtbank niet of het college onzorgvuldig heeft gehandeld in de klachtprocedure. De klachtprocedure vormt namelijk geen onderdeel van het verlengingsbesluit. Ten overvloede merkt de rechtbank op dat ingevolge artikel 9:20, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bij de ombudsman, bedoeld in artikel 9:17 van Pro deze wet, rechtstreeks kan worden geklaagd over de wijze waarop een klacht intern bij het bestuursorgaan is behandeld. [4]
Is eiser ten onrechte niet gehoord voordat het college besloot tot het verlengen van de begunstigingstermijn?
5. Eiser betoogt dat hij ten onrechte niet is gehoord voordat het college besloot tot het verlengen van de begunstigingstermijn in het verlengingsbesluit.
5.1.
Afdeling 4.1.2 van de Awb over de voorbereiding van beschikkingen bevat regels over wanneer en op welke wijze belanghebbenden moeten worden gehoord alvorens een voor hen ongunstige beslissing mag worden genomen. Artikel 4:8, eerste lid, van de Awb bepaalt dat een bestuursorgaan, voordat het een beschikking geeft waartegen een belanghebbende die de beschikking niet heeft aangevraagd naar verwachting bedenkingen zal hebben, die belanghebbende in de gelegenheid stelt zijn zienswijze naar voren te brengen. [5]
5.2.
De rechtbank overweegt dat met het bestreden besluit geen ongunstig, maar een begunstigend besluit is genomen voor eiser en de huurster. Dat erkennen zij ook. Met het verlengingsbesluit is namelijk de begunstigingstermijn van het handhavingsbesluit met zes maanden verlengd. Het college heeft gelet daarop in het bepaalde in artikel 4:8, eerste lid, van de Awb geen aanleiding hoeven zien om eiser voorafgaand aan het nemen van het verlengingsbesluit te horen. Daarbij neemt de rechtbank ook in acht dat eiser en de huurster voorafgaand aan het nemen van het verlengingsbesluit een gesprek hebben gevoerd met de betreffende wethouder en daarmee op voorhand geen grond bestaat voor het oordeel dat sprake is van een onzorgvuldige voorbereiding van het verlengingsbesluit. [6] De beroepsgrond slaagt niet.
Heeft het college een gebrekkige belangenafweging uitgevoerd?
6. Eiser betoogt dat het college in het verlengingsbesluit ten onrechte geen acht heeft geslagen op de medische situatie van de huurster en de toepassing van de menselijke maat. De toepassing van de menselijke maat is eerder wel toegezegd door de wethouder, aldus eiser.
6.1.
Artikel 3:4, eerste lid, van de Awb luidt: ‘
Het bestuursorgaan weegt de rechtstreeks bij het besluit betrokken belangen af, voor zover niet uit een wettelijk voorschrift of uit de aard van de uit te oefenen bevoegdheid een beperking voortvloeit.’
6.2.
In het bestreden besluit is, onder meer, het volgende opgenomen:
Wat is het verzoek?
Op 24 april 2025 heeft de bewoonster van het recreatieverblijf, tezamen met u, een gesprek gevoerd met de wethouder. De bewoonster heeft in dit gesprek aangegeven vanwege haar persoonlijke omstandigheden meer tijd nodig te hebben om een andere woonruimte te vinden. Het lukt haar niet om voor 26 mei 2025 een andere woonruimte te vinden. Een verlenging van de begunstigingstermijn is daarom noodzakelijk.
Waarom verlengen wij de begunstigingstermijn?
Wij hebben besloten om de begunstigingstermijn te verlengen met zes maanden. Hierbij hebben wij uw persoonlijke omstandigheden in overweging genomen. Wij willen u meer tijd geven om te zoeken naar een andere woonruimte.
6.3.
De rechtbank overweegt dat het college in het verlengingsbesluit uitdrukkelijk acht heeft geslagen op de persoonlijke omstandigheden van de huurster van de recreatiewoning. In het verleningsbesluit is opgenomen dat vanwege de persoonlijke omstandigheden van de huurster de begunstigingstermijn is verlengd met zes maanden. Voor zover eiser stelt dat de betrokken wethouder zou hebben toegezegd dat de menselijke maat zal worden toegepast in onderhavig geval, ook als dat betoog juist zou zijn, ziet de rechtbank op voorhand geen grond voor het oordeel dat deze maat niet is toegepast. Daarbij weegt de rechtbank mee dat met het bestreden besluit de begunstigingstermijn met zes maanden is verlengd en daaropvolgend in de nadere verlengingsbesluiten deze termijn is verlengd tot uiteindelijk 1 januari 2027. Dit is juist in het voordeel van zowel eiser als de huurster. De rechtbank ziet geen aanleiding voor het oordeel dat het college de bij het besluit betrokken belangen niet goed heeft afgewogen. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond. Dit betekent dat het verlengingsbesluit en de nadere verlengingsbesluiten in stand blijven.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Duifhuizen, rechter, in aanwezigheid van mr. R.P.C.M. van Wel, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Dit is volgens het college in strijd met artikel 5.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet, omdat het gebruiken van de recreatiewoningen in strijd is met artikel 4.1, aanhef en onder a, van het tijdelijke deel van het omgevingsplan –Bad Hulckesteijn).
2.Dit heeft plaatsgevonden met de volgende besluiten: het besluit van 17 november 2025 waarin het college de begunstigingstermijn heeft verlengd tot 1 april 2026 en het besluit van 27 maart 2026 waarin het college de begunstigingstermijn heeft verlengd tot 1 januari 2027.
3.Op grond van artikel 6:19 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
4.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 12 december 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BY5880, r.o. 3.1.
5.Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 25 september 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3831, r.o. 13.1.
6.Als bedoeld in artikel 3:2 van Pro de Awb.