Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2026:4215

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
28 mei 2026
Publicatiedatum
27 mei 2026
Zaaknummer
ARN 25/2558
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.1 WaboArt. 2.3a WaboArt. 47.1 bestemmingsplan Buitengebied Epe
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bestuursrechtelijke toetsing last onder dwangsom voor illegale grondwerken en stal

Eiseres, eigenaar van een perceel in de gemeente Epe, kreeg een last onder dwangsom opgelegd vanwege het zonder vergunning aanleggen van een aarden wal, paden en een poel. Het college had de last deels herroepen voor het houden van paarden en de stal vanwege zicht op legalisatie, maar handhaving voor de grondwerken bleef in stand.

Eiseres voerde onder meer aan dat het college het vertrouwensbeginsel had geschonden door toe te zeggen dat de overtreding met betrekking tot de aarden wal was beëindigd. De rechtbank erkent dat deze toezegging is gedaan en toerekenbaar is aan het college, maar oordeelt dat dit niet leidt tot herroeping van de last omdat de aard en strekking van de handhavingsnorm dit verhinderen.

Verder stelde eiseres dat handhaving onevenredig was vanwege geringe hoogteverschillen en hoge herstelkosten. De rechtbank oordeelt dat het college voldoende heeft aangetoond dat er nog aanzienlijke hoogteverschillen zijn en dat handhaving geschikt, noodzakelijk en evenwichtig is. Het beroep wordt ongegrond verklaard en de last onder dwangsom blijft onverkort van kracht.

Uitkomst: Het beroep tegen de last onder dwangsom wordt ongegrond verklaard en de last blijft onverkort van kracht.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 25/2558

uitspraak van de enkelvoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiseres] B.V., gevestigd in [plaats], eiseres

(gemachtigde: mr. R. van Domselaar),
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Epe

(gemachtigde: B. Straatman).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over een last onder dwangsom voor het perceel aan de [locatie] in [plaats]. Eiseres is eigenaar van het perceel en is het niet eens met de last onder dwangsom. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de last onder dwangsom.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat eiseres voor wat betreft de verwijdering van de aarden wal vertrouwen kan ontlenen aan een toezegging van het college. De last blijft echter wel in volledig in stand, omdat de aard van de last onder dwangsom zich ertegen verzet dat dit tot gevolg heeft dat de last zou moeten worden herroepen of gewijzigd. Omdat de andere beroepsgronden ook niet slagen, krijgt eiseres geen gelijk en is het beroep ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.2.
Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 3. Daarbij gaat de rechtbank in op de vraag of het college een last onder dwangsom kon opleggen. De rechtbank gaat daarbij in op het vertrouwensbeginsel, op het evenredigheidsbeginsel en op de vraag of er zicht op legalisatie is. Aan het eind staan de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.

Procesverloop

2. Op 25 oktober 2022 is een handhavingsverzoek gedaan voor het perceel aan de [locatie] in [plaats].
2.1.
Bij besluit van 5 april 2023 heeft het college aan eiseres gelast:
1. Voor vrijdag 2 juni 2023, 13.30 uur de 19 paarden terug te brengen naar het hobbymatig houden van acht paarden. Doet eiseres dit niet, dan moet zij aan het college een dwangsom betalen van € 10.000,- per vier weken tot een maximum van € 50.000,-. [1]
2. Voor vrijdag 2 juni 2023, 13.30 uur de aarden wallen te verwijderen en het maaiveldniveau in oorspronkelijke staat te herstellen. Doet eiseres dit niet, dan moet zij aan het college een dwangsom betalen van € 1.500,- per vier weken tot een maximum van € 7.500,-. [2]
3. Voor vrijdag 2 juni 2023, 13.30 uur dient de stal/het schuilhok te verwijderen en verwijderd te houden. Doet eiseres dit niet, dan moet zij aan het college een dwangsom betalen van € 1.500,- per vier weken tot een maximum van € 7.500,-. [3]
2.2.
Bij besluit van 8 juni 2023 heeft het college de begunstigingstermijn van de last onder dwangsom verlengd tot na de beslissing op het bezwaarschrift.
2.3.
Met het besluit van 1 mei 2025 op het bezwaar van eiseres heeft het college de last gedeeltelijk herroepen en aangevuld, en de begunstigingstermijn gewijzigd naar zes weken na de datum van verzending van de beslissing op bezwaar. De last is herroepen voor het houden van paarden op de agrarische bestemming omdat het college niet de bevoegdheid had om hiervoor een last op te leggen. Ook is de last herroepen voor over deze gaat over de stal/het schuilhok omdat er zicht op legalisering is door de aangevraagde omgevingsvergunning.
2.4.
Bij afzonderlijk besluit van eveneens 1 mei 2025 [4] heeft het college de last onder dwangsom gedeeltelijk herroepen en gedeeltelijk in stand gelaten met toevoeging van een nadere toelichting. In dit besluit eiseres gelast:
1. de gronden met de aanduiding 'overige zone-natte heideontginning’ op het perceel [locatie] te [plaats] te egaliseren door de aarden wallen te verlagen en de paden en de poel te verhogen.
Als deze overtreding vanaf zes weken na de verzenddatum van de beslissing op bezwaar voortduurt, dan moet eiseres aan het college een dwangsom betalen van € 1.500,- per vier weken (of een gedeelte daarvan) tot een maximum van € 7.500,-.
2.5.
Bij besluit van 28 mei 2025 heeft het college de begunstigingstermijn verlengd tot zes weken na de uitspraak in beroep.
2.6.
Eiseres heeft op 12 juni 2025 beroep ingesteld tegen de beslissing op bezwaar.
2.7.
Het college heeft een verweerschrift en een aanvullend verweerschrift ingediend.
2.8.
Eiseres heeft een nader stuk ingediend.
2.9.
De rechtbank heeft het beroep op 14 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [persoon A] namens eiseres, de gemachtigde van eiseres, [persoon B] als deskundige van eiseres, en de gemachtigde van het college. De verzoekster om handhaving heeft niet gereageerd op de uitnodiging van de rechtbank om als derde-partij deel te nemen.

Beoordeling door de rechtbank

Achtergrond
3. Eiseres heeft een gezinshuis gevestigd aan de [locatie] in [plaats], en houdt daarbij paarden. In 2021 en 2022 heeft een van de buren een aantal handhavingsverzoeken gedaan vanwege de activiteiten op het perceel. Eiseres heeft in december 2021 een aanvraag voor een omgevingsvergunning bij het college ingediend, bedoeld om een paardenhouderij te kunnen uitoefenen. Het college heeft deze aanvraag uiteindelijk buiten behandeling gelaten omdat de volgens hem benodigde aanvullende gegevens niet zijn verstrekt. Vervolgens is het college gaan handhaven op het aantal te houden paarden, de aanwezigheid van een stal/het schuilhok en de hoogte van de aarden wal, de paden en de poel. Bij beslissing op bezwaar heeft het college de last onder dwangsom gewijzigd omdat het houden van paarden past binnen de agrarische bestemming en er sprake is van zicht op legalisatie van de stal/het schuilhok door een aangevraagde omgevingsvergunning. In beroep ligt alleen de vraag nog voor of het college de last onder dwangsom heeft kunnen opleggen voor de aarden wal, de paden en de poel. Het college verwijt eiseres dat zij zonder daarvoor verleende aanlegvergunning aarden wallen op het perceel heeft aangebracht, verdiepte paden heeft aangelegd en een poel heeft gegraven. Het college wil dat deze werkzaamheden ongedaan gemaakt worden.
4. De rechtbank beoordeelt de last onder dwangsom aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.
Is er een overtreding?
5. Tussen partijen is niet in geschil dat er sprake is van een overtreding omdat zonder daarvoor benodigde vergunning een aarden wal is aangelegd, een poel is gegraven en paden zijn aangelegd. [5] Dat betekent dat er sprake is van een overtreding van de voorschriften van het bestemmingsplan Buitengebied Epe (het bestemmingsplan).
De beginselplicht tot handhaving
6. Vanwege het algemeen belang dat is gediend met handhaving, zal bij overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Handhavend optreden is alleen onevenredig als er in het concrete geval omstandigheden zijn waaraan een zodanig zwaar gewicht toekomt dat het algemeen belang dat gediend is met handhaving daarvoor moet wijken. Dan is er een bijzonder geval waarin toch van handhavend optreden moet worden afgezien. Een bijzonder geval kan zich bijvoorbeeld voordoen bij concreet zicht op legalisatie, maar ook andere omstandigheden van het concrete geval kunnen leiden tot het oordeel dat er een bijzonder geval is. Andere redenen om van handhavend optreden af te zien kunnen zich bijvoorbeeld voordoen bij een schending van het gelijkheidsbeginsel of het vertrouwensbeginsel. [6]
Staat het evenredigheidsbeginsel in de weg aan handhavend optreden?
Vertrouwensbeginsel
7. Eiseres betoogt dat het college met de instandlating van de last in het besluit op bezwaar het vertrouwensbeginsel heeft geschonden. Het college heeft volgens haar voorafgaand aan het besluit op bezwaar herhaaldelijk en expliciet toegezegd dat is voldaan aan de last onder dwangsom en dat de overtreding is beëindigd. Dat blijkt volgens eiseres uit het verslag van de op 9 juli 2024 verrichte controle waarin staat dat de toezichthouder en de jurist van het college zeggen dat aan de last is voldaan. Het blijkt ook uit het verweerschrift in bezwaar van 4 september 2024, en uit de hoorzitting van 13 november 2024 waarin door de jurist van het college meermaals is herhaald dat aan de last is voldaan. Eiseres stelt dat zij op deze uitlatingen mocht vertrouwen en ervan uit mocht gaan dat bij de beslissing op bezwaar geen last meer zou worden opgelegd.
7.1.
Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat de vraag of vertrouwen is gewekt dat aan de last is voldaan geen rol speelt in het kader van dit handhavingsbesluit, maar pas aan de orde kan komen in een eventueel invorderingstraject. Subsidiair stelt het college dat geen toezeggingen zijn gedaan over beëindiging van de overtreding. Als wel een toezegging zou zijn gedaan, wegen de belangen van eiseres niet zo zwaar dat die toezegging ook moet worden nagekomen.
7.2.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft in de uitspraak van 28 oktober 2020 [7] het toetsingskader bij de heroverweging van besluiten met herstelsancties uiteengezet. In die uitspraak is overwogen: “Over de heroverweging van besluiten met herstelsancties in het bijzonder oordeelt de Afdeling dat de heroverweging moet leiden tot een doeltreffende, afschrikwekkende en evenredige handhaving van de desbetreffende norm. Daarvoor moet het bestuursorgaan bij de heroverweging feiten en omstandigheden betrekken die hebben geleid tot het eerdere besluit, maar ook nieuwe ontwikkelingen. De heroverweging kent bij dit soort besluiten dus een tweeslag. In de eerste plaats moet het bestuursorgaan bezien of het op basis van de feiten en omstandigheden ten tijde van de beslissing in primo destijds terecht zijn besluit heeft genomen. Nieuwe ontwikkelingen mag het bestuursorgaan alleen meenemen voor zover doel en strekking van de te handhaven norm of fundamentele rechtsbeginselen zich daartegen niet verzetten.”
7.3.
Uit de hiervoor aangehaalde overweging van de Afdeling volgt dat het college niet zonder meer voorbij kan gaan aan de vraag of vertrouwen is gewekt dat de overtreding inmiddels is beëindigd. Het moet dat wel bezien, omdat het een nieuwe ontwikkeling is maar moet vervolgens ook afwegen in hoeverre het doel en de strekking van de te handhaven norm of fundamentele rechtsbeginselen zich verzetten tegen het meenemen daarvan. De rechtbank zal daarom eerst ingaan op het betoog dat een toezegging is gedaan dat de overtreding is beëindigd en daarna beoordelen of het college dit had moeten betrekken bij de heroverweging.
7.4.
Een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel vereist dat de betrokkene aannemelijk maakt dat door de overheid uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit de betrokkene in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of en zo ja, hoe het bestuursorgaan in een concreet geval een bevoegdheid zou uitoefenen. Verder is vereist dat die uitlating of gedraging aan het bevoegde bestuursorgaan kan worden toegerekend.
7.5.
Op 29 mei 2019 heeft de Afdeling een uitspraak gedaan over het vertrouwensbeginsel in het omgevingsrecht. [8] In deze uitspraak heeft de Afdeling een stappenplan geïntroduceerd. De eerste stap betreft de vraag of die uitlating en/of gedraging kwalificeert als een toezegging. De tweede stap betreft de vraag of die toezegging aan het bevoegde bestuursorgaan kan worden toegerekend. Als beide vragen bevestigend worden beantwoord en er dus een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel kan worden gedaan, volgt de derde stap. De derde stap betreft de belangenafweging. In dat kader is de vraag of er geen zwaarder wegende belangen zijn die aan het honoreren van de gewekte verwachtingen in de weg staan. Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat er sprake is van uitlatingen en/of gedragingen die bij de betrokkene redelijkerwijs de indruk wekken dat het bestuur op een bepaalde manier van zijn bevoegdheid gebruik zou maken.
7.6.
Uit het verslag van de hoorzitting kan de rechtbank niets afleiden, omdat het verslag niet aan de rechtbank is overgelegd. Ook uit het controleverslag valt geen toezegging af te leiden. Weliswaar bevat het controleverslag een foto waaronder staat “aarden wal in de achtergrond is inmiddels verlaagd”, maar daarop is niet te zien of de aarden wal geheel is verwijderd. Dat laat echter onverlet dat de rechtbank van oordeel is dat eiseres terecht aanvoert dat de toezegging is gedaan dat de overtreding met betrekking tot de aarden wal geheel is beëindigd en dat op dat punt volledig aan de last uit het primaire besluit is voldaan. De toezegging blijkt uit het verweerschrift in bezwaar. Daarin is opgenomen dat na een controlebezoek is vastgesteld dat de overtreding voor wat betreft de aanleg van de aarden wal is beëindigd:
“Inmiddels is de aarden wal door de bewoners van het perceel [locatie] te [plaats] van het perceel verwijderd. Een toezichthouder van de gemeente Epe heeft op 9 juli 2024 een controle op het perceel uitgevoerd en heeft daarbij geconstateerd dat de aarden wal in zijn geheel is verwijderd. Er is natuurlijke begroeiing aanwezig op de plek waar de aarden wal aanvankelijk lag. Daarmee is er niets meer te zien van de voormalige aarden wal. Hiermee is de situatie weer geheel in oude staat hersteld en is aan de dwangsombeschikking gehoor gegeven.”
7.7.
De toezegging in het verweerschrift op bezwaar is toe te rekenen aan het college omdat het verweerschrift in bezwaar het standpunt van het college weergeeft en namens het college is ondertekend. De rechtbank volgt het college niet in zijn standpunt dat eiseres had kunnen begrijpen dat dit verweerschrift nog geen definitief standpunt bevat en dat definitieve standpuntbepaling door het college pas zou volgen in de beslissing op bezwaar. De in het verweerschrift opgenomen tekst is geformuleerd als een definitief standpunt naar aanleiding van de feitelijke bevindingen van de toezichthouder en geeft geen aanknopingspunten om te veronderstellen dat met betrekking tot de aarden wal geen definitief standpunt van het college is weergegeven in het verweerschrift.
Dat betekent dat eiseres een geslaagd beroep kan doen op het vertrouwensbeginsel. De rechtbank stelt daarbij wel vast de toezegging uitdrukkelijk alléén ziet op de beëindiging van de overtreding ten aanzien van de aanleg van de aarden wal. De tekst in het verweerschrift biedt geen aanknopingspunten om te veronderstellen dat ook is toegezegd dat aan de last is voldaan voor zover het gaat om de aanleg van de verdiepte paden en de poel.
7.8.
Vervolgens moet worden afgewogen of er belangen zijn die rechtvaardigen dat ondanks het geslaagde beroep op het vertrouwensbeginsel toch handhavend kan worden opgetreden omdat andere belangen zwaarder wegen dan het belang bij nakoming van de toezegging. Het college heeft in dat kader naar voren gebracht dat eiseres geen nadere handelingen heeft uitgevoerd of investeringen heeft gedaan en alsnog volledig aan de last kan voldoen binnen de termijn zonder dwangsommen te verbeuren. De rechtbank is echter van oordeel dat ten opzichte van díe belangen de nakoming van de toezegging zwaarder weegt, omdat zonder voorbehoud is gezegd dat volledig is voldaan aan de last ten aanzien van de aarden wal. Het college heeft daarnaast ook niet gesteld dat derden nog overlast ondervinden van de aanwezigheid van de aarden wal. Dit betekent dat naar het oordeel van de rechtbank thans niet voldoende is gemotiveerd dat het gewekte vertrouwen niet gehonoreerd hoeft te worden. Omdat hierna onder 7.9 wordt vastgesteld dat het college in de procedure over de last onder dwangsom niet gehouden kan worden om vanwege het gewekte vertrouwen de last te wijzigen of te herroepen, verbindt de rechtbank aan deze conclusie in deze zaak geen gevolgen.
7.9.
Gelet op hetgeen is overwogen onder 7.6 t/m 7.8 is de rechtbank van oordeel dat eiseres terecht aanvoert dat zij er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat zij heeft voldaan aan de opgelegde last ten aanzien van de grondwal. Zoals onder 7.3 is overwogen moet vervolgens ook worden bezien of die omstandigheid door het college moest worden meegenomen in het besluit op bezwaar en of het geslaagde beroep op het vertrouwensbeginsel dus had moeten leiden tot het wijzigen of herroepen van de last. De rechtbank is van oordeel dat het college in dit geval niet is gehouden om de last te wijzigen of te herroepen, omdat de strekking van de te handhaven norm zich daartegen verzet. Wanneer na oplegging van een last onder dwangsom en voor het nemen van een besluit op bezwaar (gedeeltelijk) aan de last wordt voldaan en de last zou om die reden moeten worden herroepen of gewijzigd, zou immers worden miskend dat eiseres aanvankelijk wel gehouden was om de aarden wal te verwijderen. Daarnaast geldt dat een last ook kan worden opgelegd om herhaling van de overtreding te voorkomen.
7.10.
De rechtbank concludeert ten aanzien van deze beroepsgrond dat het college in het bestreden besluit dus weliswaar miskent dat vertrouwen is gewekt dat ten aanzien van de aarden wal is voldaan aan de last, maar dat dit niet leidt tot een gegrond beroep. De conclusie van het college dat in het besluit op bezwaar de last ten aanzien van de aarden wal in stand kon worden gelaten is namelijk terecht, nu de aard en strekking van een handhavingsbesluit zich ertegen verzet dat het geslaagde beroep van eiseres op het vertrouwensbeginsel tot gevolg zou hebben dat de last moest worden herroepen of gewijzigd. De rechtbank merkt in dit verband ten overvloede nog wel op dat het geslaagde beroep op het vertrouwensbeginsel wel tot gevolg zou kunnen hebben dat eiseres in een eventuele invorderingsprocedure niet kan worden verweten dat niet volledig uitvoering is gegeven aan de last ten aanzien van de aarden wal.
Zicht op legalisatie
8. Eiseres betoogt dat het college onvoldoende heeft gemotiveerd waarom legalisatie door het verlenen van een omgevingsvergunning niet mogelijk is. De vermeende overtreding gaat volgens eiseres over marginale hoogteverschillen van hooguit 10 tot 20 centimeter met op enkele punten mogelijk 50 centimeter. Deze hoogteverschillen zijn landschappelijk niet storend, visueel nauwelijks waarneembaar en planologisch ondergeschikt. Het perceel van eiseres is ingericht op basis van advies van erkende natuur- en landschapsdeskundigen, met als uitgangspunt een streekeigen, ecologisch waardevolle en diervriendelijke inrichting. De invulling past binnen het gemeentelijk beleid dat gericht is op biodiversiteit en versterking van landschappelijke kwaliteit.
8.1.
De rechtbank overweegt dat voor het aannemen van concreet zicht op legalisatie in ieder geval een aanvraag moet zijn ingediend ten tijde van het besluit op bezwaar. Dat is in deze zaak niet het geval. De rechtbank stelt vast dat het college de aanvraag die was bedoeld om de overtredingen te legaliseren bij (inmiddels onherroepelijk) besluit van 18 maart 2022 niet in behandeling heeft genomen omdat die niet voldeed aan de indieningsvoorwaarden. Daarna is geen nieuwe aanvraag ingediend, zodat alleen al om die reden geen concreet zicht op legalisering aanwezig is. De beroepsgrond slaagt niet.
Evenredigheidsbeginsel
9. Eiseres betoogt dat handhaving onevenredig is. De last staat in geen verhouding tot het daarmee te dienen doel. Herstel van het maaiveldniveau is grotendeels al bereikt. De aarden wal is verwijderd, en voor de paden en de poel ziet de last enkel in ophoging van vaak maar enkele centimeters. Dat heeft geen ruimtelijke of landschappelijke impact en draagt niet bij aan het doel van handhaving. Verder heeft eiseres het perceel ingericht met een streekeigen beplantingsplan, mede mogelijk gemaakt door subsidiering vanuit een gemeentelijk project. Verdere grondbewerking zou de waardevolle beplanting schaden. De gevolgen van opgelegde maatregelen zijn voor eiseres onevenredig zwaar, en de uitvoeringskosten van de herstelwerkzaamheden zijn hoog en kosten eiseres minimaal € 30.000.
9.1.
De rechtbank is van oordeel dat het evenredigheidsbeginsel niet in de weg staat aan het opleggen van een last onder dwangsom voor de paden en de poel. Hierna legt de rechtbank haar oordeel uit.
9.2.
Bij de toets aan het evenredigheidsbeginsel geldt de maatstaf van de zogeheten Harderwijk-uitspraak (uitspraak van 2 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:285). Dit betekent dat de bestuursrechter toetst of het besluit geschikt en noodzakelijk is, en daarna of het besluit in de gegeven omstandigheden evenwichtig is. Of deze drie elementen aan bod komen, hangt af van de aangevoerde beroepsgronden. Bij handhavingsbesluiten geldt daarbij als uitgangspunt dat het algemeen belang gediend is met handhaving en dat om die reden in de regel tegen een overtreding moet worden opgetreden. Handhaving blijft dus voorop staan. [9]
9.3.
De rechtbank is van oordeel dat een last onder dwangsom een geschikt en noodzakelijk middel is omdat eiseres zonder last onder dwangsom geen herstelwerkzaamheden zal verrichten. (en dat inmiddels – onder dreiging last – ook heeft gedaan?)
9.4.
Of handhaving evenwichtig is hangt in dit geval af van de omvang van de overtreding. Partijen verschillen van mening over het ontstane hoogteverschil op het perceel. Eiseres heeft naar voren gebracht dat het hoogteverschil op het perceel hoofdzakelijk enkele centimeters betreft met op een paar punten tot maximaal 50 centimeter, en het college heeft gesteld dat het hoogteverschil op het perceel aanzienlijk is.
9.5.
De rechtbank oordeelt dat het college met de overgelegde hoogtekaarten uit 2018 en 2025 voldoende heeft aangetoond dat er nog aanzienlijke hoogteverschillen op het perceel aanwezig zijn. Op de hoogtekaarten valt duidelijk aan de hand van de kleurweergave te zien dat de paden en de poel in 2025 dieper liggen dan in 2018 en dat de paden en poel gezamenlijk een aanzienlijk deel vormen van het gedeelte van het perceel waarop de last onder dwangsom betrekking heeft. Het college heeft toegelicht dat het oorspronkelijke maaiveld een hoogte had van circa 22,2 meter + NAP en dat op de hoogtekaart 2025 hoogtes zijn gemeten van 21,8 meter + NAP voor de paden en 21,3 meter + NAP voor de poel. Dat betekent dat de paden volgens het college 0,40 meter + NAP dieper liggen en de poel 0,90 meter dieper ligt ten opzichte van de hoogten uit 2018. Eiseres erkent weliswaar dat de paden iets verdiept liggen, maar acht dat marginaal en verklaart dat door het inklinken van de grond vanwege het gebruik door de paarden. Voor zover eiseres haar stelling onderbouwt met foto’s valt daaruit niets af te leiden over de paden en de poel. De overgelegde luchtfoto laat geen hoogteverschillen zien, en ook uit de foto’s vanaf de openbare weg valt niets af te leiden door de aanwezige begroeiing op de foto’s. De rechtbank is daarom van oordeel dat het college voldoende heeft gemotiveerd dat handhaving evenredig is.
9.6.
Dat de herstelwerkzaamheden door het verhogen van de paden en de poel geld kosten is een risico dat eiseres heeft genomen door zonder daarvoor verleende vergunning werkzaamheden op het perceel te verrichten waarvoor die vergunning wel was vereist. Dat is geen doorslaggevend argument waarmee het college rekening hoeft te houden. Dat geldt ook voor de kosten van de door haar aangebrachte beplanting; ook die werkzaamheden heeft eiseres op eigen risico laten uitvoeren. De kosten daarvan hoefden voor het college geen aanleiding te zijn om af te zien van de oplegging van de last onder dwangsom. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

10. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft en dat eiseres dus binnen zes weken na de uitspraak moet voldoen aan de last. Omdat het beroep ongegrond is, heeft eiseres geen recht op vergoeding van haar proceskosten. Zij krijgt ook het betaalde griffierecht niet terug.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Duifhuizen, rechter, in aanwezigheid van mr. M.M. Verschuren, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
de griffier is verhinderd de
uitspraak te ondertekenen
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Wegens overtreding van artikel 2.1 eerste lid aanhef en onder c van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).
2.Wegens overtreding van artikel 2.1 eerste lid aanhef en onder b van de Wabo.
3.Wegens overtreding van artikel 2.3a van de Wabo.
4.De rechtbank beschouwt de beide besluiten van 1 mei 2025 samen als de beslissing op bezwaar.
5.Vergunningsplichtige activiteiten op grond van artikel 47.1 van het bestemmingsplan Buitengebied Epe.
6.Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 5 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:678 onder 6.1.
8.Uitspraak van de Afdeling van 29 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1694.
9.Zie de uitspraak van de Afdeling van 5 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:678 onder 6.1.