Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2026:4133

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
22 mei 2026
Publicatiedatum
22 mei 2026
Zaaknummer
AWB 25_544
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1 Wet MRBArt. 7 Wet MRBArt. 13 Wet MRBArt. 34 Wet MRBArt. 37 Wet MRB
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen naheffingsaanslag en boete motorrijtuigenbelasting voor gebruik buitenlandse auto

Belanghebbende maakte bezwaar tegen een naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting (MRB) en een verzuimboete opgelegd door de inspecteur vanwege het gebruik van een in Duitsland geregistreerde auto op de Nederlandse openbare weg zonder betaling van MRB.

De rechtbank stelde vast dat belanghebbende op 23 mei 2024 met de buitenlandse auto had gereden en dat hij daardoor als houder werd aangemerkt. Belanghebbende voerde aan dat hij de auto slechts eenmalig uit nood had gebruikt en dat de eigenaar feitelijk de beschikking had. Ter onderbouwing overhandigde hij facturen en huurgegevens, maar de rechtbank vond dit onvoldoende om aan te tonen dat hij niet gedurende de gehele naheffingsperiode de feitelijke beschikking had.

De rechtbank oordeelde dat de naheffingsaanslag terecht was berekend over de periode van 29 november 2023 tot en met 22 mei 2024 en dat de boete passend was. Het beroep werd ongegrond verklaard, de aanslag en boete bleven in stand en belanghebbende kreeg geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het beroep tegen de naheffingsaanslag en boete motorrijtuigenbelasting wordt ongegrond verklaard en de aanslag en boete blijven in stand.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 25/544

uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 22 mei 2026

in de zaak tussen

[belanghebbende], uit [plaats], belanghebbende,

en

de inspecteur van de belastingdienst, kantoor Enschede, de inspecteur.

Inleiding

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 24 december 2024.
De inspecteur heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting (MRB) over het tijdvak dat loopt van 23 november 2023 tot en met 22 mei 2024 opgelegd van € 1.142 (de naheffingsaanslag).
Gelijktijdig met de vaststelling van de naheffingsaanslag heeft de inspecteur aan belanghebbende een verzuimboete van € 571 opgelegd (de boetebeschikking).
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard. De inspecteur heeft daarbij de naheffingsaanslag verminderd tot € 1.102 en de boetebeschikking verminderd tot € 551.
De inspecteur heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 11 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft belanghebbende deelgenomen. Namens de inspecteur zijn [persoon A] en [persoon B] verschenen.

Feiten

1. Belanghebbende stond blijkens de gegevens uit de Basisregistratie Personen (BRP) vanaf 30 december 1990 ingeschreven op verschillende adressen in [plaats].
2. Op 23 mei 2024 om 15.36 uur heeft de politie geconstateerd dat belanghebbende met een motorrijtuig van het merk Citroën, type C5, voorzien van het buitenlandse (Duitse) kenteken [kenteken] (de auto) gebruik heeft gemaakt van de openbare weg in Nederland. Belanghebbende zat op dat moment alleen (zonder de eigenaar) in de auto.
3. De inspecteur heeft met dagtekening 27 mei 2024 aan belanghebbende een brief gezonden met het opschrift “Gevolgen controle”. Daarin is onder meer vermeld dat belanghebbende, voor het gebruik van de openbare weg in Nederland, mogelijk motorrijtuigenbelasting moet betalen.
4. Naar aanleiding van de controle heeft de inspecteur met dagtekening 16 september 2024 een vooraankondiging voor de naheffingsaanslag MRB met boetebeschikking aan belanghebbende gezonden. Daarin is onder meer het volgende vermeld:
“Geachte heer/mevrouw,
Deze vooraankondiging voor de motorrijtuigenbelasting (mrb) stuur ik u, omdat het motorrijtuig met kenteken [kenteken] op de weg is gecontroleerd.
(…)
Constatering
U hebt gebruik van de weg gemaakt met een in het buitenland geregistreerd motorrijtuig, zonder dat de verschuldigde mrb is betaald.

Houder woonachtig in Nederland

U staat ingeschreven in de Basisregistratie Personen (BRP) of had ingeschreven moeten staan. Voor de heffing van de mrb neem ik daarom aan dat u in Nederland woont. Het motorrijtuig staat u feitelijk ter beschikking. Dat betekent dat u wordt aangemerkt als houder. De houder van een motorrijtuig moet de verschuldigde mrb betalen.
(…)
De naheffingsaanslag wordt altijd berekend over een periode van 12 maanden. De laatste dag van deze periode is de dag voorafgaand aan de dag waarop gebruik van de weg is geconstateerd. Indien blijkt dat het motorrijtuig over een gedeelte van de tijdsduur van 12 maanden u niet feitelijk ter beschikking heeft gestaan, wordt over dat gedeelte de belasting niet nageheven.
(…)
Stond het motorrijtuig niet de hele naheffingsperiode ter beschikking? Ligt
uw woonplaats niet in Nederland? Dan moet u dat aannemelijk maken door
tegenbewijs aan mij te sturen.
(…)”
5. Met dagtekening 4 november 2024 heeft de inspecteur aan belanghebbende een naheffingsaanslag MRB voor de periode 23 november 2023 tot en met 22 mei 2024 opgelegd van € 1.142. De inspecteur heeft gelijktijdig een boete van € 571 opgelegd.
6. Belanghebbende heeft op 12 november 2024 bezwaar gemaakt tegen de naheffingsaanslag en boetebeschikking. De inspecteur heeft met dagtekening 18 november 2024 een ontvangstbevestiging van het bezwaar aan belanghebbende gezonden. Hierbij is gewezen op het recht om zijn bezwaar mondeling toe te lichten. De inspecteur heeft een ‘antwoordformulier mondelinge toelichting’ meegestuurd.
7. De inspecteur heeft met dagtekening 5 december 2024 aan belanghebbende een brief gezonden met het opschrift “Mondelinge toelichting”. Daarin wordt verwezen naar de eerdere ontvangstbevestiging en wordt vermeld dat belanghebbende in de gelegenheid wordt gesteld om het bezwaar mondeling toe te lichten. De inspecteur heeft een ‘Antwoordformulier Mondelinge toelichting’ meegestuurd.
8. Met dagtekening 24 december 2024 heeft de inspecteur het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard, omdat de laatste tenaamstelling op 29 november 2023 was. De naheffingsaanslag moet worden berekend over de periode van 29 november 2023 tot en met 22 mei 2024. De inspecteur heeft daarbij de naheffingsaanslag verminderd tot € 1.102. De inspecteur heeft de boetebeschikking verminderd tot € 551.

Beoordeling door de rechtbank

9. De rechtbank beoordeelt of de naheffingsaanslag en de boetebeschikking terecht en tot de juiste hoogte zijn opgelegd. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
De naheffingsaanslag
10. Belanghebbende heeft aangevoerd dat hij niet de feitelijke beschikking had over de auto. Hij heeft de auto op 23 mei 2024 eenmalig gebruikt uit nood, omdat de eigenaar van de auto onwel was geworden en niet meer in staat was om de auto zelf terug te rijden. Belanghebbende wist niet dat dit niet was toegestaan. De auto is van een goede vriend in Duitsland, en de verzekering staat ook op zijn naam. De eigenaar heeft de feitelijke beschikking over de auto en gebruikt de auto voor woon-werkverkeer naar Nederland. Wanneer de eigenaar een tijdje geen beschikking had over de auto, omdat deze gerepareerd moest worden, heeft hij een auto moeten huren om op het werk te kunnen komen. Belanghebbende heeft ter onderbouwing gegevens van zijn eigen voertuigen en reparatiefacturen en huurgegevens op naam van de eigenaar overgelegd. Daarnaast zijn de aanslag en boete volgens belanghebbende onredelijk hoog.
11. De inspecteur stelt dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij niet gedurende de gehele naheffingsperiode de feitelijke beschikkingsmacht had over de auto. Uit het feit dat een derde een motorrijtuig heeft gehuurd en een niet nader gespecificeerd motorrijtuig ter reparatie heeft aangeboden, kan niet geconcludeerd worden dat belanghebbende niet de beschikkingsmacht had over de auto. Bovendien strookt de verklaring van belanghebbende bij de controle niet met zijn latere verklaringen dat hij het voertuig eenmalig uit nood heeft gebruikt.
12. De rechtbank overweegt als volgt. In de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 (Wet MRB) is bepaald dat MRB wordt geheven ter zake van het houden van een personenauto. [1] Een motorrijtuig wordt onder andere gehouden door degene die een in het buitenland geregistreerd motorrijtuig in Nederland feitelijk ter beschikking heeft. [2]
13. Bij constatering van gebruik van de weg met een motorrijtuig waarvoor geen kenteken is opgegeven en de belasting geheel of gedeeltelijk niet is betaald, kan de belasting worden nageheven. Voor de toepassing hiervan wordt een in het buitenland geregistreerd motorrijtuig aangemerkt als een motorrijtuig waarvoor geen kenteken is opgegeven. [3]
14. Het staat vast dat belanghebbende op 23 mei 2024, met een auto met buitenlands kenteken, gebruik heeft gemaakt van de openbare weg in Nederland, zonder dat daarvoor in Nederland MRB is betaald. Dat betekent dat belanghebbende op die datum de feitelijke beschikking over de auto met het buitenlandse kenteken had. Voor naheffing van de motorrijtuigenbelasting is niet vereist dat de auto ook op naam van belanghebbende stond. Belanghebbende is aldus terecht aangemerkt als houder van de auto en de inspecteur was bevoegd om een naheffingsaanslag op te leggen.
15. De na te heffen belasting wordt in beginsel berekend over het tijdvak met ingang van de dag waarop belanghebbende als ingezetene stond ingeschreven in de BRP of ingeschreven had moeten staan, tenzij de houder aannemelijk maakt dat de feitelijke terbeschikkingstelling op een ander moment is aangevangen. Dan wordt aangesloten bij die dag. [4]
16. Volgens belanghebbende heeft hij de auto maar één dag daadwerkelijk gebruikt. Het ligt op de weg van belanghebbende om aannemelijk te maken dat de auto hem gedurende de rest van de periode niet feitelijk ter beschikking heeft gestaan. Belanghebbende stelt dat hij één dag bij hoge uitzondering in de auto heeft gereden, omdat de eigenaar van de auto zelf niet meer in staat was om terug naar huis te rijden. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft belanghebbende verschillende facturen op naam van [persoon C] overgelegd. De inspecteur merkt terecht op dat deze facturen niet zoveel zeggen over de feitelijke beschikkingsmacht en dat de verklaring bij de controle niet overeen lijkt te komen met het latere verhaal van belanghebbende. Naar het oordeel van de rechtbank heeft belanghebbende daarom met hetgeen hij heeft aangevoerd niet aannemelijk gemaakt dat hij maar één dag de feitelijke beschikking over de auto had.
17. Belanghebbende is ten slotte van mening dat de naheffingsaanslag en de boete onredelijk hoog zijn. De rechtbank overweegt dat het een bewuste keuze is geweest van de wetgever om, bij het gebruik maken van de weg met een auto met buitenlands kenteken waarvoor de belasting niet is betaald, de inspecteur de mogelijkheid te geven over een langere periode na te heffen en een verzuimboete op te leggen. Voor zover belanghebbende heeft bedoeld het standpunt in te nemen dat hij de toepassing van de wettelijke bepalingen in zijn geval onbillijk en onrechtvaardig vindt, overweegt de rechtbank dat zij op grond van artikel 11 van Pro de Wet algemene bepalingen in geen geval de innerlijke waarde of billijkheid van de wet mag beoordelen.
18. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de naheffingsaanslag terecht is berekend over de periode van 29 november 2023 tot en met 22 mei 2024. Het beroep is ongegrond.
De boetebeschikking
19. Aangezien de naheffingsaanslag terecht is opgelegd, is er sprake van een verzuim. [5] Op grond van artikel 37 van Pro de Wet MRB gaat het om een verzuim als bedoeld in artikel 67c van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR), waarvoor een verzuimboete kan worden opgelegd. Voor het opleggen van een verzuimboete is niet vereist dat sprake is van opzet of grove schuld. Een verzuimboete blijft slechts achterwege indien sprake is van afwezigheid van alle schuld (avas). Hiervan is sprake indien belanghebbende alle in redelijkheid te vergen zorg heeft betracht om te voorkomen dat het verzuim zou worden begaan. Daarvan is naar het oordeel van de rechtbank in dit geval echter geen sprake.
20. Met in achtneming van paragraaf 34, onderdeel twee, van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst (BBBB) kan de inspecteur een boete opleggen van 50% van de nageheven belasting met een minimum van € 50 en een wettelijk maximum van € 5.514. De rechtbank is van oordeel dat de boete van € 551 passend en geboden is. De rechtbank ziet geen reden om de boete verder te matigen. Belanghebbende heeft weliswaar gesteld dat hij de boete niet kan betalen, maar heeft zijn financiële omstandigheden verder niet onderbouwd
.Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.

Conclusie en gevolgen

21. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de naheffingsaanslag en de boete in stand blijven. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.L. van Benthem, rechter, in aanwezigheid van mr. E.N.N. Hustinx, griffier.
Uitgesproken op 22 mei 2026.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
griffier
rechter

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Artikel 1, eerste lid, van de Wet MRB.
2.Artikel 7, eerste lid, aanhef en onderdeel c, van de Wet MRB.
3.Artikel 34, eerste lid, van de Wet MRB.
4.Artikel 13, tweede lid, van de Wet MRB in samenhang met artikel 34, tweede lid, van de Wet MRB en Hoge Raad 5 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:483.
5.Artikel 34, eerste lid, van de Wet MRB.