Belanghebbende maakte bezwaar tegen een naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting (MRB) en een verzuimboete opgelegd door de inspecteur vanwege het gebruik van een in Duitsland geregistreerde auto op de Nederlandse openbare weg zonder betaling van MRB.
De rechtbank stelde vast dat belanghebbende op 23 mei 2024 met de buitenlandse auto had gereden en dat hij daardoor als houder werd aangemerkt. Belanghebbende voerde aan dat hij de auto slechts eenmalig uit nood had gebruikt en dat de eigenaar feitelijk de beschikking had. Ter onderbouwing overhandigde hij facturen en huurgegevens, maar de rechtbank vond dit onvoldoende om aan te tonen dat hij niet gedurende de gehele naheffingsperiode de feitelijke beschikking had.
De rechtbank oordeelde dat de naheffingsaanslag terecht was berekend over de periode van 29 november 2023 tot en met 22 mei 2024 en dat de boete passend was. Het beroep werd ongegrond verklaard, de aanslag en boete bleven in stand en belanghebbende kreeg geen proceskostenvergoeding.