Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2026:3945

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
20 mei 2026
Publicatiedatum
20 mei 2026
Zaaknummer
ARN 25/342
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1 Wet MRBArt. 6 Wet MRBArt. 19 lid 1 Wet MRBArt. 35 Wet MRBArt. 37 Wet MRB
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep ongegrond tegen naheffingsaanslag en boete motorrijtuigenbelasting wegens gebruik openbare weg tijdens schorsing

Belanghebbende was houder van een Volkswagen Polo waarvan het kenteken gedurende bepaalde perioden was geschorst. Op 13 maart 2024 werd vastgesteld dat de auto gebruik maakte van de openbare weg, ondanks de schorsing. De inspecteur legde een naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting en een boete op. Belanghebbende maakte bezwaar en stelde dat de auto op het terrein van zijn werkgever stond en niet op de openbare weg.

De rechtbank oordeelt dat het parkeerterrein feitelijk openstaat voor het openbaar rijverkeer en dat het parkeren van de auto daar gebruik van de weg inhoudt. De naheffingsaanslag en boete zijn daarom terecht opgelegd. De boete is passend en wordt niet gematigd.

Belanghebbende is niet verschenen op de zitting ondanks tijdige en juiste uitnodiging. Het beroep wordt ongegrond verklaard, de naheffingsaanslag en boete blijven in stand en belanghebbende krijgt geen proceskostenvergoeding of terugbetaling van griffierecht.

Uitkomst: Het beroep tegen de naheffingsaanslag en boete motorrijtuigenbelasting wordt ongegrond verklaard en de aanslag en boete blijven in stand.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 25/342

uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 20 mei 2026

in de zaak tussen

[belanghebbende], uit [plaats], belanghebbende,

en
de inspecteur van de belastingdienst, kantoor Heerlen/Centrale Administratie, de inspecteur.

Inleiding

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 20 december 2024.
De inspecteur heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting over het tijdvak dat loopt van 26 maart 2023 tot en met 25 maart 2024 opgelegd van € 347 (de naheffingsaanslag).
Gelijktijdig met de vaststelling van de naheffingsaanslag heeft de inspecteur aan belanghebbende een verzuimboete van € 173 opgelegd (de boetebeschikking).
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.
De inspecteur heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 11 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben namens de inspecteur [persoon A] en [persoon B] deelgenomen. Belanghebbende is zonder voorafgaand bericht niet verschenen.
Belanghebbende is door de rechtbank bij aangetekende brief, op 17 februari 2026 verzonden aan het adres van belanghebbende ([adres], [postcode] te [plaats]), onder vermelding van plaats en tijdstip, uitgenodigd om op de zitting te verschijnen. De rechtbank heeft de uitnodiging op 19 februari 2026 retour ontvangen. Uit de gegevens van PostNL (track and trace) volgt dat deze brief op 18 februari 2026 is geweigerd. De rechtbank heeft het adres van belanghebbende gecontroleerd en op 19 februari 2026 belanghebbende nogmaals per gewone post uitgenodigd voor de zitting. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat de uitnodiging om op de zitting te verschijnen op de juiste wijze en tijdig op het juiste adres is aangeboden.
Feiten
1. Belanghebbende was blijkens de kentekenregistratie van 24 februari 2021 tot en met 3 december 2024 houder van een personenauto van het merk Volkswagen, type Polo met het kenteken [kentekennummer] (de auto).
2. Gedurende de periode van 21 maart 2023 tot en met 21 maart 2024 en vanaf 29 maart 2024 is de geldigheid van het kenteken van de auto geschorst geweest in de zin van hoofdstuk IV, paragraaf 6, van de Wegenverkeerswet 1994.
3. Op 13 maart 2024 is geconstateerd dat met de auto van de openbare weg ([locatie], [plaats]) gebruik werd gemaakt.
4. Bij brief van 23 juli 2024 heeft de inspecteur aan belanghebbende een vooraankondiging naheffingsaanslag met boete gestuurd.
5. Met dagtekening 10 september 2024 heeft de inspecteur aan belanghebbende een naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting voor de periode 26 maart 2023 tot en met 25 maart 2024 opgelegd van € 347. De inspecteur heeft gelijktijdig een boete van € 173 opgelegd. Belanghebbende heeft tegen deze naheffingsaanslag en boetebeschikking bezwaar gemaakt.
6. Bij uitspraak op bezwaar met dagtekening 20 december 2024 heeft de inspecteur het bezwaar ongegrond verklaard en de naheffingsaanslag en boetebeschikking gehandhaafd.

Beoordeling door de rechtbank

7. De rechtbank beoordeelt of de naheffingsaanslag en de boetebeschikking terecht en tot de juiste hoogte zijn opgelegd. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
8. De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
De naheffingsaanslag
9. Belanghebbende is van mening dat de naheffingsaanslag en boetebeschikking ten onrechte zijn opgelegd, omdat het kenteken van de auto geschorst was en de auto niet op de openbare weg heeft gestaan. Belanghebbende geeft aan dat de auto op het terrein van zijn werkgever stond. Belanghebbende heeft ter onderbouwing een verklaring van zijn werkgever overgelegd, waarin deze bevestigt dat de auto geparkeerd stond op zijn bedrijventerrein. De auto is inmiddels gesloopt.
10. De inspecteur stelt zich op het standpunt dat de naheffingsaanslag en de boete terecht zijn opgelegd. Er is geconstateerd dat gebruik is gemaakt van de openbare weg met een motorrijtuig waarvan het kentekenbewijs op dat moment geschorst was. De auto stond geparkeerd op een openbaar parkeerterrein, dat deel uit maakt van de openbare weg. Dit terrein is direct aan de weg gelegen en bereikbaar voor openbaar verkeer.
11. Op grond van artikel 1, eerste lid, en artikel 6 van Pro de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 (Wet MRB) is het houden van een personenauto belast met motorrijtuigenbelasting. Artikel 19, eerste lid, van de Wet MRB bepaalt dat deze belasting niet geheven wordt voor een motorrijtuig waarvan het kenteken is geschorst. De schorsingsregeling is een begunstigende regeling – er wordt namelijk geen belasting geheven – maar kent strikte voorwaarden. Een van de voorwaarden is dat er geen gebruik wordt gemaakt van de weg. [1]
12. De motorrijtuigenbelasting kan worden nageheven bij constatering van gebruik van de weg met een motorrijtuig tijdens een voor dat motorrijtuig geldende schorsing. Daarbij wordt de na te heffen belasting berekend over een tijdsduur van vier aaneensluitende tijdvakken van drie maanden met als laatste het tijdvak waarin gebruik van de weg is gemaakt. Als het motorrijtuig tijdens een deel van de tijdvakken niet op naam heeft gestaan van de houder van het motorrijtuig, wordt over dat gedeelte geen belasting nageheven. [2]
13. Voor de beantwoording van de vraag of sprake is van een voor het openbaar rijverkeer of ander rijverkeer openstaande weg als bedoeld in artikel 5 van Pro de Wet MRB is beslissend of het terrein feitelijk voor het openbaar rijverkeer openstaat. Daarvoor zijn de feitelijke omstandigheden van belang. [3]
14. De rechtbank oordeelt als volgt. Vast staat dat de auto op 13 maart 2024 geparkeerd stond in een parkeervak grenzend aan de [locatie] in [plaats]. Op basis van het fotomateriaal concludeert de rechtbank dat het gaat om een parkeervak gelegen naast de weg. Deze locatie is niet afgesloten en staat daarmee feitelijk open voor al het openbare rijverkeer. Voor zover de rechtbank belanghebbende en zijn werkgever zou volgen in de stelling dat de parkeervakken gelegen zijn op privéterrein, maakt dit het oordeel niet anders. Belanghebbende heeft niets gesteld waaruit volgt dat het terrein feitelijk niet toegankelijk is voor openbaar rijverkeer. Door de auto hier te parkeren is gebruik gemaakt van de weg. De motorrijtuigenbelasting is terecht en tot de juiste hoogte nageheven.
De boete
15. Aangezien de naheffingsaanslag terecht is opgelegd, is er sprake van een verzuim. [4] Op grond van artikel 37 van Pro de Wet MRB gaat het om een verzuim als bedoeld in artikel 67c van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR). Met in achtneming van paragraaf 34, onderdeel twee, van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst (BBBB) bedraagt de boete 50% van de nageheven belasting met een minimum van € 50 en een wettelijk maximum van € 5.514. De inspecteur heeft een boete opgelegd van € 173. De rechtbank is van oordeel dat deze boete passend en geboden is. De rechtbank ziet geen reden om de boete te matigen.

Conclusie en gevolgen

16. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de naheffingsaanslag in stand blijft. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.L. van Benthem, rechter, in aanwezigheid van mr. E.N.N. Hustinx, griffier.
Uitgesproken op 20 mei 2026.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
griffier
rechter

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie hoofdstuk IV, paragraaf 6, van de Wegenverkeerswet 1994.
2.Artikel 35 van Pro de Wet MRB.
3.Hoge Raad 11 mei 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA4801.
4.Artikel 34, eerste lid, van de Wet MRB.