ECLI:NL:RBGEL:2026:3810

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
13 mei 2026
Publicatiedatum
13 mei 2026
Zaaknummer
AWB 24/9307
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1 Wet MRBArt. 7 Wet MRBArt. 34 Wet MRBArt. 3a Uitvoeringsbesluit belasting voor personenauto’s en motorrijwielen 1992Art. 67c Algemene wet inzake rijksbelastingen
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling naheffingsaanslag en boete motorrijtuigenbelasting voor gebruik buitenlands kenteken

Belanghebbende is door de inspecteur een naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting (MRB) en een boete opgelegd voor het gebruik van een in het buitenland geregistreerd motorrijtuig op de openbare weg in Nederland. Belanghebbende voerde aan dat hij slechts een proefrit maakte met het voertuig dat te koop stond bij zijn autobedrijf en dat het niet aan hem ter beschikking stond.

De rechtbank oordeelt dat belanghebbende als ingezetene in Nederland wordt geacht het motorrijtuig feitelijk ter beschikking te hebben gehad, mede gelet op de constatering van gebruik op de weg en zijn inschrijving in de Basisregistratie Personen. De bewijslast dat het voertuig niet aan hem ter beschikking stond, ligt bij belanghebbende, die dit onvoldoende heeft onderbouwd.

De rechtbank acht de verklaring van belanghebbende niet geloofwaardig en wijst het beroep af. De opgelegde boete van 50% van de niet-betaalde belasting is passend, aangezien belanghebbende niet heeft aangetoond dat sprake is van afwezigheid van schuld. Het beroep wordt ongegrond verklaard en de naheffingsaanslag en boete blijven in stand.

Uitkomst: Het beroep tegen de naheffingsaanslag en boete motorrijtuigenbelasting wordt ongegrond verklaard en de aanslag en boete blijven in stand.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 24/9307

uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 13 mei 2026

in de zaak tussen

[belanghebbende], uit [plaats], belanghebbende,

en

de inspecteur van de belastingdienst, kantoor Apeldoorn, de inspecteur.

Inleiding

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 10 december 2024.
Met dagtekening 21 oktober 2024 heeft de inspecteur aan belanghebbende over het tijdvak
13 mei 2023 tot en met 12 mei 2024 een naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting (MRB) opgelegd, ten bedrage van € 2.736, alsmede bij beschikking van gelijke datum een boete van € 1.368.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard. De inspecteur heeft daarbij de naheffingsaanslag en boetebeschikking gehandhaafd.
De inspecteur heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 13 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: belanghebbende en namens de inspecteur [persoon A] en [persoon B].
De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten. De rechtbank heeft aangegeven dat zal worden gewacht met het doen van uitspraak tot 1 maart 2026 om belanghebbende in de gelegenheid te stellen om ter onderbouwing van zijn standpunt nadere stukken te overleggen aan de inspecteur. De rechtbank heeft geen reactie van partijen ontvangen en gaat thans over tot het doen van uitspraak.

Feiten

Belanghebbende stond volgens de Basisregistratie Personen (BRP) van 17 augustus 1988 tot 31 december 2024 ingeschreven op een Nederlands adres. Belanghebbende drijft een autohandel.
Op 13 mei 2024 om 10.06 uur is door de controleur van de Politie geconstateerd dat door belanghebbende met het motorrijtuig, een Mercedes-Bens S 400 D, voorzien van het Duitse kenteken [kentekennummer], gebruik is gemaakt van de weg. Blijkens het controleformulier heeft belanghebbende tijdens de controle verklaard dat de auto van een familielid is. Belanghebbende heeft op 13 mei 2024 om 10.16 uur digitaal een verzoek vrijstelling kortstondig gebruik MRB en BPM, als bedoeld in artikel 3a van het Uitvoeringsbesluit belasting voor personenauto’s en motorrijwielen 1992 (BPM) ingediend.
3. Met dagtekening 2 september 2024 heeft de inspecteur een brief vooraankondiging naheffingsaanslag en boetebeschikking aan belanghebbende gestuurd. De inspecteur geeft aan dat belanghebbende gebruik heeft gemaakt van de weg met een in het buitenland geregistreerd motorrijtuig en dat hij als houder wordt aangemerkt, omdat het motorrijtuig feitelijk aan hem ter beschikking stond. De inspecteur kondigt aan een naheffingsaanslag MRB en verzuimboete aan belanghebbende op te leggen.
4. Bij brief van 17 september 2024 heeft belanghebbende daarop gereageerd. Belanghebbende geeft aan dat een klant bij zijn bedrijf is geweest om zijn auto ten verkoop aan te bieden en dat belanghebbende een proefrit heeft gemaakt. Daarop heeft de inspecteur weer gereageerd bij brief van 7 oktober 2024 met als onderwerp “Vooraankondiging- reactie”. De inspecteur geeft aan dat de naheffingsaanslag/boetebeschikking op voornomen wijze opgelegd gaat worden.
5. Met dagtekening 21 oktober 2024 heeft de inspecteur overeenkomstig zijn aankondiging een naheffingsaanslag met boete aan belanghebbende opgelegd.

Beoordeling door de rechtbank

6. In geschil is of de naheffingsaanslag en de boete terecht en tot de juiste bedragen zijn vastgesteld.
Naheffingsaanslag
7. Belanghebbende voert aan dat hij het niet reëel vindt dat aan hem een naheffingsaanslag MRB en een boete is opgelegd, omdat hij ten tijde van de controle eenmalig een proefrit maakte met het motorrijtuig dat bij hem ten verkoop aan zijn autobedrijf werd aangeboden. Belanghebbende geeft aan dat hij op 800 meter van het bedrijf staande is gehouden.
8. De inspecteur stelt zich op het standpunt dat de houder van een kenteken MRB verschuldigd is. De houder is degene die het motorrijtuig feitelijk ter beschikking heeft, aldus de inspecteur. De inspecteur geeft aan dat Nederlandse en buitenlandse kentekens op dezelfde wijze in de heffing worden betrokken. Indien geen aangifte is gedaan en tevens geen sprake is van een vrijstelling, maar geconstateerd wordt dat gebruik is gemaakt van de weg, dan is volgens de inspecteur aan het wettelijk criterium “feitelijk ter beschikking hebben” voldaan en kan de MRB worden nageheven.
9. Ingevolge artikel 1, eerste lid, van de Wet MRB, wordt MRB geheven ter zake van het houden van een personenauto. Ingevolge artikel 7, eerste lid, aanhef en onderdeel c, van de Wet MRB, wordt een motorrijtuig gehouden door degene die een in het buitenland geregistreerd motorrijtuig in Nederland feitelijk ter beschikking heeft. Degene die een in het buitenland geregistreerd motorrijtuig feitelijk ter beschikking heeft, wordt behoudens tegenbewijs, geacht zijn hoofdverblijf in Nederland te hebben indien hij in Nederland als ingezetene is ingeschreven in de BRP.
10. In artikel 34, eerste lid, van de Wet MRB, is bepaald dat bij constatering van gebruik van de weg met een motorrijtuig waarvoor geen kenteken is opgegeven en de belasting geheel of gedeeltelijk niet is betaald, de belasting kan worden nageheven.
Hierbij wordt een in het buitenland geregistreerd motorrijtuig aangemerkt als een motorrijtuig waarvoor geen kenteken is opgegeven.
11. De rechtbank stelt vast dat belanghebbende vanaf 17 augustus 1988 tot 31 december 2024 als ingezetene stond ingeschreven in de BRP. Naar het oordeel van de rechtbank heeft belanghebbende de feitelijke beschikking over het motorrijtuig met buitenlands kenteken gehad en gebruik gemaakt van de weg in Nederland, zonder dat daarvoor in Nederland MRB is betaald. De inspecteur was dus bevoegd om over het tijdvak 13 mei 2023 tot en met 12 mei 2024 MRB na te heffen.
12. De bewijslast dat de auto niet feitelijk aan belanghebbende ter beschikking heeft gestaan ligt bij belanghebbende. [1] Belanghebbende heeft op het moment dat hij staande werd gehouden verklaard dat de auto van een familielid is. In een latere fase heeft hij die verklaring gewijzigd. De verklaring van belanghebbende dat de auto ten verkoop werd aangeboden aan zijn bedrijf, acht de rechtbank dan ook gelet op de eerdere verklaring niet geloofwaardig. Een kopie van een identiteitsbewijs met daarop een verklaring van iemand die stelt eigenaar te zijn van de auto is onvoldoende om anders te beslissen. Belanghebbende had zijn stelling nader moeten onderbouwen met gegevens die verifieerbaar zijn, zoals een kentekenbewijs en verzekeringspolis op naam van de eigenaar of het bewijs dat voor de auto in Duitsland motorrijtuigenbelasting is betaald, maar hij heeft dit nagelaten. Belanghebbende is er ook niet in geslaagd om aannemelijk te maken dat hij de auto voor een kortere periode ter beschikking had. Dat belanghebbende in de betreffende naheffingsperiode een ander motorrijtuig op naam had, betekent niet dat hij gedurende die periode geen feitelijke beschikking over een andere auto heeft kunnen hebben.
De boete
13. De inspecteur stelt zich op het standpunt dat er sprake is van een verzuim als bedoeld in artikel 67c van de Algemene wet inzake rijksbelastingen. Op basis van paragraaf 34 van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst bedraagt de verzuimboete 50% van het bedrag aan belasting dat niet of gedeeltelijk niet is betaald, met een minimum van € 50 en maximaal het wettelijke maximum van € 5.514. Volgens de inspecteur heeft de verzuimboete tot doel een gebod tot nakoming van fiscale verplichtingen in te scherpen en is bij het niet voldaan van een verschuldigde belasting een verzuimboete van 50% gerechtvaardigd.
14. De boete kan achterwege blijven indien sprake is van afwezigheid van schuld. Er is niet gesteld of aannemelijk geworden dat hiervan sprake is. Daarbij is van belang dat belanghebbende zelf handelt in auto’s en dat hij direct na de staandehouding een verzoek om vrijstelling voor kortstondig gebruik voor de MRB en BPM heeft ingediend. Belanghebbende moet daarom geacht op de hoogte te zijn geweest van de geldende regelgeving.
15. Naar het oordeel van de rechtbank is een boete van 50% passend en geboden. Belanghebbende heeft zich niet gehouden aan de verplichting voor het doen van aangifte en had dat wel moeten doen. Belanghebbende heeft zijn stelling dat hij financiële problemen heeft niet nader onderbouwd. Om die reden kan dat niet leiden tot matiging van de boete.

Conclusie en gevolgen

16. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de naheffingsaanslag en de boete in stand blijven. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht niet terug.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.J. Tikken, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Metin, griffier. Uitgesproken op 13 mei 2026. De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
griffier
rechter

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.HR 29 mei 2020, ECLI:NL:HR:2020:991, r.o. 4.2.2