Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2026:3723

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
29 april 2026
Publicatiedatum
11 mei 2026
Zaaknummer
446061
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:17 lid 2 BWArt. 6:119 BWArt. 6:271 BWArt. 6:277 lid 1 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vaststelling schadevergoeding en terugkomen op bindende eindbeslissingen in verkoop Conference-peren

In deze civiele procedure staat centraal de levering van Conference-peren door een teler aan de Coöperatieve Tuinbouwveiling Zaltbommel en Omstreken. De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat de teler toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de verkoopovereenkomsten, wat ontbinding van de overeenkomsten rechtvaardigt. De Veiling vordert schadevergoeding voor de geleden schade door de gebrekkige kwaliteit van de geleverde peren.

De teler verzoekt de rechtbank terug te komen op twee bindende eindbeslissingen uit een tussenvonnis, onder meer over de kwaliteitsverwachtingen en de rechtvaardiging van ontbinding. De rechtbank oordeelt dat deze verzoeken neerkomen op een verkapt appel en wijst ze af. De rechtbank bevestigt dat de Veiling op grond van de overeengekomen prijs een hoge kwaliteit mocht verwachten en dat de aanwezigheid van 8,5% holle peren ontbinding rechtvaardigt.

De rechtbank beoordeelt vervolgens de schadeposten van de Veiling, waaronder sorteerkosten, provisie, interne arbeidskosten en juridische kosten. De sorteerkosten en provisie worden toegewezen, terwijl de interne arbeidskosten en juridische kosten onvoldoende zijn onderbouwd en afgewezen. De rechtbank wijst de primaire vordering van de teler af en veroordeelt haar in reconventie tot betaling van € 11.741,87 aan de Veiling. De Veiling wordt veroordeeld tot betaling van € 138.367,21 aan de teler. Proceskosten worden verdeeld conform de uitkomst.

Uitkomst: De rechtbank wijst het verzoek van de teler om terug te komen op bindende eindbeslissingen af en veroordeelt haar tot betaling van € 11.741,87 aan de Veiling, terwijl de Veiling wordt veroordeeld tot betaling van € 138.367,21 aan de teler.

Uitspraak

RECHTBANK Gelderland

Civiel recht
Zittingsplaats Arnhem
Zaaknummer: C/05/446061 / HA ZA 25-16
Vonnis van 29 april 2026 in de hoofdzaak alsmede in het incident
in de zaak van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[naam eisend bedrijf in hoofdzaak in conventie / verwerend in hoofdzaak in reconventie / verwerende in het incident] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
eisende partij in de hoofdzaak in conventie,
verwerende partij in de hoofdzaak in reconventie,
verwerende partij in het incident,
hierna te noemen: [de eiser in conventie] ,
advocaat: voorheen R.H.M. Bus, thans mr. R.P.G. Schelvis,
tegen
de coöperatieve vereniging
COÖPERATIEVE TUINBOUWVEILING ‘ZALTBOMMEL EN OMSTREKEN’ B.A.,
gevestigd te Zaltbommel,
gedaagde partij in de hoofdzaak in conventie,
eisende partij in de hoofdzaak in reconventie,
eisende partij in het incident,
hierna te noemen: de Veiling,
advocaat: mr. C.A.H. van de Sanden.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 7 januari 2026
- de akte uitlating schade van de zijde van de Veiling
- de antwoordakte in reconventie van de zijde van [de eiser in conventie]
- formulier B2, waarbij mr. R.H.M. Bus mededeelt dat hij zich onttrekt als advocaat aan de zijde van [de eiser in conventie]
- formulier B2, waarbij mr. R.P.G. Schelvis mededeelt dat hij zich als advocaat aan de zijde van [de eiser in conventie] stelt in plaats van mr. R.H.M. Bus
- formulier B16, waarbij de Veiling verzoekt om de antwoordakte in reconventie van de zijde van [de eiser in conventie] geheel buiten beschouwing te laten, althans in ieder geval de onderdelen A, B, C en D van bedoelde akte.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De verdere beoordeling in conventie en in reconventie
in conventie
Verzoek om terug te komen op bindende eindbeslissingen
2.1.
De rechtbank heeft in voormeld tussenvonnis in conventie overwogen dat [de eiser in conventie] toerekenbaar is tekort geschoten in de nakoming van de door haar met de Veiling gesloten verkoopovereenkomsten en dat de tekortkoming de ontbinding van de gehele overeenkomsten rechtvaardigt.
2.2.
De rechtbank heeft daarop in reconventie de Veiling bevolen om bij akte de door haar gestelde schadeposten, zoals deze in dat vonnis onder 6.50. zijn omschreven, met bewijsstukken gestaafd nader te onderbouwen.
[de eiser in conventie] is bij dat vonnis in de gelegenheid gesteld om bij akte te reageren op
-uitsluitend- de inhoud van de akte van de Veiling.
2.3.
Nadat de Veiling de door haar geleden schade had onderbouwd heeft [de eiser in conventie] in haar antwoordakte in reconventie primair aangevoerd dat de vordering in reconventie een deugdelijke grondslag mist en dat de vordering van de Veiling in reconventie dient te worden afgewezen. [de eiser in conventie] verzoekt in dit verband de rechtbank om terug te komen op twee bindende eindbeslissingen van het tussenvonnis van 7 januari 2026 (hierna: het tussenvonnis).
2.4.
De Veiling heeft in formulier B16 bezwaar gemaakt tegen het verzoek van [de eiser in conventie] om terug te komen van bedoelde eindbeslissingen. De Veiling wijst er daarbij op dat het [de eiser in conventie] enkel was toegestaan om te reageren op de door haar genomen akte met betrekking tot de schade.
2.5.
De door [de eiser in conventie] bestreden oordelen in het tussenvonnis (die hierna worden besproken) zijn uitdrukkelijk en zonder voorbehoud gegeven, zodat in beide gevallen sprake is van bindende eindbeslissingen.
2.6.
Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad (zie bijvoorbeeld Hoge Raad 16 december 2022, ECLI:NL:HR:2022:1873) brengen de eisen van een goede procesorde mee dat de rechter aan wie is gebleken dat een eerdere door hem gegeven eindbeslissing berust op een onjuiste juridische of feitelijke grondslag, bevoegd is om, nadat partijen de gelegenheid hebben gekregen zich dienaangaande uit te laten, over te gaan tot heroverweging van die eindbeslissing, teneinde te voorkomen dat hij op een ondeugdelijke grondslag een einduitspraak zou doen.
Hierdoor wordt dus afgeweken van het procedurele uitgangspunt dat een door de rechter gegeven eindbeslissing alleen door het aanwenden van een algemeen of bijzonder rechtsmiddel kan worden aangetast.
2.7.
Het enkele feit dat uit het tussenvonnis volgt dat [de eiser in conventie] zich moest beperken tot een reactie op de door de Veiling gegeven onderbouwing van haar schade, staat er onder deze omstandigheden dan ook niet aan in de weg dat [de eiser in conventie] haar reactie niet heeft beperkt in voormelde zin.
2.8.
De rechtbank zal hierna overwegen of er voor haar aanleiding bestaat om terug te komen op de door [de eiser in conventie] bestreden bindende eindbeslissingen.
2.9.
[de eiser in conventie] verzoekt ten eerste om heroverweging van het oordeel van de rechtbank in r.o. 6.18. van het tussenvonnis dat de Veiling op grond van de overeengekomen prijs van € 1,05 per kg mocht verwachten dat de peren van klasse 1 of klasse zouden zijn en geschikt voor menselijke consumptie.
2.10.
[de eiser in conventie] voert daartoe het volgende aan.
Uit de tussen haar en de Veiling gesloten overeenkomsten blijkt dat partijen uitsluitend hebben afgesproken dat het ging om de verkoop van Conference-peren uit een aantal aangewezen koelcellen tegen een prijs per kilogram. De overeenkomsten bevatten geen bepalingen omtrent kwaliteitsklassen, tolerantiepercentages of interne gebreken. Ook andere kwaliteitsparameters zijn niet vastgelegd of anderszins overeengekomen.
De peren zijn gezien en gekocht zonder ontbindende voorwaarden. Er is geen sprake van afspraken omtrent kwaliteitsklasse. Het kwaliteitsrisico lag op de Veiling als professionele tussenhandel in haar relatie tot [fruitkwekersbedrijf] en niet bij [de eiser in conventie] als teler.
De Veiling contracteert thans niet meer als koper in eigen naam, maar als administratief intermediair, waarbij de teler rechtstreeks met de koper contracteert. De huidige modelovereenkomsten van de Veiling bevatten wél uitdrukkelijke bepalingen met betrekking tot productkenmerken, klachten en aansprakelijkheid.
Het ontbreken van kwaliteitsbepalingen in de onderhavige overeenkomst kan [de eiser in conventie] niet worden tegengeworpen en rechtvaardigt evenmin de conclusie dat de Veiling op grond van de overeengekomen prijs een garantie mocht aannemen dat iedere peer aan klasse I of II voldeed. Bij transacties waarbij de Veiling als intermediair betrokken is, vindt sortering naar kwaliteitsklasse pas nà levering plaats. De prijs per kilogram reflecteert in dat verband de verwachte gemiddelde opbrengst van een te sorteren partij en bevat niet de garantie dat iedere peer vrij is van afwijkingen.
2.11.
De rechtbank heeft in het tussenvonnis (in r.o. 6.17.) vooropgesteld dat op grond van het bepaalde in artikel 7:17 lid 2 BW Pro een zaak niet beantwoordt aan de overeenkomst indien zij, mede gelet op de aard van de zaak en de mededelingen die de verkoper over de zaak heeft gedaan, niet de eigenschappen bezit die de koper op grond van de overeenkomst mocht verwachten.
2.12.
In dat tussenvonnis is door de rechtbank vastgesteld dat in de verkoopovereenkomsten ten aanzien van de peren geen specifieke kwaliteitseisen zijn vastgelegd.
Anders dan [de eiser in conventie] stelt, is het in r.o. 6.18. weergegeven oordeel van de rechtbank dat de Veiling echter op grond van de met [de eiser in conventie] (voor de eerste 600.000 kg) overeengekomen prijs een hoge kwaliteit van peren (klasse 1 of klasse 2 ) mocht verwachten
geen feitelijk oordeel, maar een juridisch oordeel. Dit oordeel is -zo blijkt uit de betreffende overweging- door [de eiser in conventie] destijds niet dan wel onvoldoende gemotiveerd betwist.
2.13.
Het enkele feit dat de Veiling, naar door [de eiser in conventie] wordt gesteld, thans niet meer als koper optreedt, maar als intermediair tussen teler en koper en dat de door de Veiling thans gebruikte modelovereenkomsten wel kwaliteitseisen bevatten, doet niet ter zake.
In deze zaak dient enkel de inhoud van de door de Veiling met [de eiser in conventie] gesloten overeenkomsten waarin geen kwaliteitseisen worden gesteld als uitgangspunt bij de beoordeling.
2.14.
Indien [de eiser in conventie] in een eerdere fase van de onderhavige procedure deze stellingen naar voren zou hebben gebracht, zouden die stellingen niet tot een ander oordeel hebben geleid. In zoverre is er dan ook geen sprake van dat de hier aangevallen bindende eindbeslissing is gebaseerd op een onjuiste feitelijke grondslag.
2.15.
Al hetgeen [de eiser in conventie] thans aanvoert tegen het oordeel van de rechtbank dat de Veiling op grond van de met [de eiser in conventie] overeengekomen prijs een hoge kwaliteit van peren (klasse 1 of klasse 2 ) mocht verwachten, komt neer op een verkapt appel, waarvoor in de onderhavige procedure geen plaats is.
De rechtbank zal dan ook niet overgaan tot heroverweging van dit oordeel.
2.16.
[de eiser in conventie] komt ten tweede op tegen het oordeel van de rechtbank dat het feit dat 8,5% van de door [naam betrokkene] gekeurde circa 80.000 kg peren hol bleek te zijn, ontbinding de beide overeenkomsten (waarbij het in totaal gaat om 750.000 kg peren) rechtvaardigt.
2.17.
[de eiser in conventie] stelt dat indien 8,5% van de peren niet voldeed, het overgrote deel van de partij kennelijk wel aan de verwachtingen voldeed.
Het percentage holle peren is uitsluitend vastgesteld op basis van een beperkt en vroegtijdig gestaakte sorteringstraject. Het sorteren is gestaakt omdat [naam betrokkene] tegen slechte kwaliteit aanliep. De steekproef is daarmee geenszins willekeurig. Het is aannemelijk dat juist de slechtste peren als eerste zijn gesorteerd, hetgeen het gevonden percentage structureel vertekent ten nadele van haar. Er is geen deugdelijke grond voor de aanname dat dit percentage representatief is voor de gehele partij, aldus [de eiser in conventie] .
2.18.
De rechtbank heeft in het tussenvonnis in r.o. 6.22. en volgende aandacht besteed aan de stelling van [de eiser in conventie] dat aangezien van de door [naam betrokkene] gekeurde peren maar een beperkt aantal hol bleken te zijn deze tekortkoming de ontbinding van de gehele overeenkomsten niet rechtvaardigt.
2.19.
De rechtbank heeft in r.o. 6.25. van het tussenvonnis het volgende overwogen:

Gelet op het uitvalpercentage van 8,5 % alsmede het feit dat [fruitkwekersbedrijf] haar per e-mail van 29 juni 2024 had laten weten dat in alle 5 de cellen holle peren waren aangetroffen, is het alleszins begrijpelijk dat de Veiling er geen vertrouwen meer in had dat de nog niet van [de eiser in conventie] afgenomen peren wel zouden voldoen aan hetgeen de Veiling op grond van de met [de eiser in conventie] gesloten overeenkomsten mocht verwachten. Dit in verband met het feit dat - zoals de Veiling wist - de peren waren bestemd waren voor menselijke consumptie. Om die reden is -anders dan [de eiser in conventie] heeft aangevoerd- niet van belang dat niet meer kan worden vastgesteld hoeveel peren van de 750.000 kg als holle peren moeten worden beschouwd en er slechts sprake is van een aantoonbaar substantieel deel van een klein gedeelte van de voorgenomen leveringen.”
2.20.
De rechtbank heeft vervolgens in r.o. 6.27. van het tussenvonnis overwogen dat de tekortkoming niet van geringe betekenis is en dat de Veiling de met [de eiser in conventie] gesloten overeenkomsten naar aanleiding van de resultaten van het sorteren van de peren door [naam betrokkene] mocht ontbinden.
2.21.
Al hetgeen [de eiser in conventie] thans aanvoert tegen het oordeel van de rechtbank dat de Veiling de met [de eiser in conventie] gesloten overeenkomsten naar aanleiding van de resultaten van het sorteren van de peren door [naam betrokkene] mocht ontbinden, komt neer op een verkapt appel, waarvoor in de onderhavige procedure geen plaats is.
De rechtbank zal dan ook niet overgaan tot heroverweging van dit oordeel.
in reconventie
2.22.
Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen faalt de stelling van [de eiser in conventie] dat de vordering in reconventie een deugdelijke grondslag mist. De rechtbank blijft dan ook bij haar in r.o. 6.53. van het tussenvonnis gegeven oordeel dat [de eiser in conventie] jegens de Veiling toerekenbaar tekortgeschoten is door peren te leveren die niet aan de tussen [de eiser in conventie] en de Veiling gesloten overeenkomsten voldoen. Dit geldt ook voor het oordeel dat de geleverde peren voor de Veiling minder hebben opgebracht dan het geval zou zijn geweest indien er geen sprake zou zijn geweest van holle peren alsmede voor het oordeel dat [de eiser in conventie] voor die schade aansprakelijk is, zonder dat daartoe is vereist dat [de eiser in conventie] de Veiling ter zake in gebreke heeft gesteld.
2.23.
De rechtbank constateert dat in de laatste volzin van de hiervoor aangehaalde rechtsoverweging uit het tussenvonnis aan het slot van die rechtsoverweging sprake is van een kennelijke verschrijving. De overweging “dat [de eiser in conventie] voor die schade aansprakelijk is, zonder dat daartoe is vereist dat [de eiser in conventie] de Veiling ter zake in gebreke heeft gesteld”, wordt door de rechtbank in zoverre hersteld dat deze overweging thans aldus komt te luiden: ”dat [de eiser in conventie] voor die schade aansprakelijk is, zonder dat daartoe is vereist dat de Veiling [de eiser in conventie] ter zake in gebreke heeft gesteld.”
2.24.
[de eiser in conventie] heeft opgemerkt dat de Veiling heeft nagelaten het contract met [fruitkwekersbedrijf] in het geding te brengen. [de eiser in conventie] stelt dat het contract mede bepalend kan zijn voor de beoordeling van de gestelde schade en de vraag in hoeverre deze aan haar kan worden toegerekend.
2.25.
De rechtbank ziet -zonder nadere toelichting die niet is gegeven- niet in waarom kennisneming van de inhoud van de door de Veiling met [fruitkwekersbedrijf] gesloten overeenkomst in deze van belang kan zijn. [fruitkwekersbedrijf] heeft immers in haar e-mail van 29 juni 2024 aan de Veiling ondubbelzinnig te kennen gegeven dat zij niet tevreden was over de kwaliteit van de door de Veiling aan haar geleverde peren en dat zij van de koop afzag (zie r.o. 2.13. van het tussenvonnis). De rechtbank gaat dan ook aan deze stelling van [de eiser in conventie] voorbij.
2.26.
Uit hetgeen hiervoor in conventie is overwogen vloeit voort dat de rechtbank voorbij gaat aan het verzoek van [de eiser in conventie] om bij het vaststellen van de door de Veiling geleden schade niet zonder meer uit te gaan van een uitvalpercentage van 8,5% voor de gehele partij. De rechtbank merkt hierbij op dat de stelling van [de eiser in conventie] dat de rechtbank het uitvalspercentage van 8,5 % als representatief uitgangspunt heeft genomen voor de gehele partij van 750.000 kg berust op een onjuiste lezing van de hiervoor onder 2.19. geciteerde overwegingen van de rechtbank.
2.27.
De rechtbank zal de door de Veiling opgevoerde schadeposten thans beoordelen.
Sorteerkosten [naam betrokkene]
2.28.
De Veiling stelt dat zij als gevolg van de ondeugdelijke peren extra sorteerwerkzaamheden heeft moeten laten uitvoeren door [naam betrokkene] . De hiermee gemoeide kosten bedragen € 10.301,87 (exclusief btw) en zij heeft de twee in dit verband door [naam betrokkene] aan haar verzonden facturen betaald.
2.29.
[de eiser in conventie] voert daartegen het volgende aan.
Het sorteren van fruit is een gebruikelijk handelsstap die ook zonder de door de Veiling gestelde kwaliteitsproblemen zou hebben plaatsgevonden, zodat het causaal verband tussen de sorteerkosten en de gestelde tekortkoming van [de eiser in conventie] ontbreekt.
De Veiling heeft niet inzichtelijk gemaakt welk deel van de sorteerkosten kan worden toegerekend aan het gestelde probleem met de holle peren en welk deel van die kosten zonder dat probleem zou zijn gemaakt.
Het feit dat op één van de facturen wordt vermeld dat de kosten zijn gemaakt “
volgens afspraak” en “
bij u bekend zijn” wijst erop dat de Veiling deze kosten op basis van een eigen afspraak met [naam betrokkene] voor eigen rekening heeft genomen. Deze kosten kunnen daarom niet zonder mee op [de eiser in conventie] worden verhaald. Bij gebreke van betaalbewijzen betwist [de eiser in conventie] dat de Veiling in dit verband schade heeft geleden. De sorteerkosten kunnen niet als schade op [de eiser in conventie] worden verhaald.
2.30.
De rechtbank oordeelt als volgt.
[de eiser in conventie] heeft in de inleidende dagvaarding (onder randnummer 17) gerefereerd aan nadere afspraken die door haar, de Veiling en [fruitkwekersbedrijf] op 15 juli 2024 zijn gemaakt. Ook de Veiling heeft (in haar conclusie van antwoord tevens eis in reconventie onder randnummer 34) verwezen naar nadere afspraken. Beide partijen hebben de e-mail van 15 juli 2024, waarin de gestelde afspraken worden weergegeven, in het geding gebracht.
De rechtbank heeft in r.o. 6.11. van het tussenvonnis vastgesteld dat die nadere afspraken inhielden dat een professionele partij de peren zou sorteren en dat deze de holle peren eruit zou halen en dat de Veiling alleen voor de niet holle peren zou behoeven te betalen. Vast staat dat de deskundige, [naam betrokkene] , het sorteren van de peren heeft moeten staken vanwege de slechte kwaliteit daarvan.
2.31.
Het causaal verband tussen de sorteerkosten en de slechte kwaliteit van de door [de eiser in conventie] geleverde peren staat daarmee voldoende vast.
Deze kosten komen dan ook voor rekening van [de eiser in conventie] . Dit strookt overigens met de uit voormelde e-mail van 15 juli 2024 blijkende afspraak dat de kosten voor het sorteren van de uitval van de peren worden betaald door [de eiser in conventie] .
De rechtbank acht het volstrekt onaannemelijk dat de Veiling de facturen aan [naam betrokkene] niet heeft betaald.
Deze post is dan ook -zonder dat de Veiling betaalbewijzen heeft overgelegd- toewijsbaar tot een bedrag van € 10.301,87 (exclusief btw). De rechtbank gaat er immers vanuit dat de door de Veiling betaalde btw door haar in vooraftrek kan worden gebracht en in zoverre voor haar geen schade heeft opgeleverd.
Provisie-en verwerkingskosten
2.32.
De Veiling stelt dat zij conform de koopovereenkomst met [de eiser in conventie] een provisie in rekening heeft gebracht van € 0,01 per kilogram. Uitgaande van (de door haar afgenomen) 144.000 kilogram peren bedragen deze kosten € 1.440,--. Deze kosten zijn onderbouwd met een factuur waarop de verwerkte kilo’s en het tarief zijn gespecificeerd.
2.33.
[de eiser in conventie] voert daartegenover het volgende aan.
Uit de met de Veiling gesloten overeenkomst blijkt dat de Veiling jegens haar slechts aanspraak kan maken op provisie nadat alle kilogrammen volgens het contract zijn verkocht.
De Veiling heeft de overeenkomst bij brief van 24 juli 2024 buitengerechtelijk ontbonden. Door deze ontbinding is de verdere uitvoering van de overeenkomst komen te vervallen en kan de Veiling dus ook geen aanspraak maken op provisie.
Hooguit is sprake van gederfde winst. Voor vergoeding daarvan is vereist dat voldoende concreet wordt onderbouwd dat deze inkomsten daadwerkelijk zouden zijn gerealiseerd en dat het uitblijven daarvan het rechtstreeks gevolg is van de gestelde tekortkoming van [de eiser in conventie] . De Veiling heeft dat niet inzichtelijk gemaakt. Het bedrag van € 1.440,-- kan niet voor vergoeding in aanmerking komen.
2.34.
Vast staat dat de Veiling de van [de eiser in conventie] gekochte 750.000 kg peren aan [fruitkwekersbedrijf] heeft verkocht. [de eiser in conventie] was daarvan op de hoogte. Daarmee is voor de Veiling jegens [de eiser in conventie] een aanspraak op provisie ontstaan. Op grond van het bepaalde in artikel 6:271 BW Pro bevrijdt een ontbinding (van een overeenkomst) de partijen echter van de daardoor getroffen verbintenissen. De aanspraak van de Veiling op provisie is als gevolg van de ontbinding van de koopovereenkomsten dan ook teniet gegaan.
2.35.
Echter, op grond van het bepaalde in artikel 6:277 lid 1 BW Pro is, in het geval dat de overeenkomst geheel of gedeeltelijk ontbonden, de partij wier tekortkoming een grond voor ontbinding heeft opgeleverd, verplicht haar wederpartij de schade te vergoeden die deze lijdt, doordat geen wederzijdse nakoming doch ontbinding van de overeenkomst plaatsvindt.
Het positief contractsbelang dient te worden vergoed. Hierbij wordt de verschuldigde schadevergoeding gevonden door vergelijking van de vermogenssituatie welke zou zijn voortgevloeid uit een in alle opzichten onberispelijke nakoming van de overeenkomst met de vermogenssituatie welke zou resulteren uit een ontbinding zonder schadevergoeding na afwikkeling van de daaruit voortvloeiende restitutieplichten.
2.36.
[de eiser in conventie] heeft aan de Veiling peren geleverd die niet voldeden aan hetgeen de Veiling op grond van de overeenkomsten mocht verwachten. Het is dus [de eiser in conventie] wiens tekortkoming grond voor ontbinding van de overeenkomsten heeft opgeleverd. Dit betekent dat de Veiling jegens [de eiser in conventie] aanspraak heeft op vergoeding van het positief contractsbelang. In dit geval staat dit gelijk aan de provisie over de door de Veiling aan [fruitkwekersbedrijf] verkochte 750.000 kg peren. Daaraan doet niet af dat [fruitkwekersbedrijf] de met de Veiling gesloten koopovereenkomsten heeft ontbonden omdat dit is terug te voeren op het feit dat de door [de eiser in conventie] aan de Veiling verkochte -voor [fruitkwekersbedrijf] bestemde- peren gebrekkig waren.
Aangezien de Veiling haar vordering ter zake heeft gebaseerd op 144.000 kg peren, is deze vordering toewijsbaar voor een bedrag van € 1.440,--.
Interne arbeidskosten
2.37.
De Veiling stelt dat haar medewerkers tijd hebben moeten besteden aan deze kwestie. Zij heeft in dit verband een urenoverzicht per medewerker overgelegd. De Veiling begroot de kosten op een bedrag van € 8.935,00 en maakt jegens [de eiser in conventie] aanspraak op dit bedrag.
2.38.
[de eiser in conventie] voert daartegen over het volgende aan.
Het door de Veiling overgelegde -door de Veiling zelf opgestelde- urenoverzicht wordt niet ondersteund door enig objectief onderliggend stuk waaruit blijkt dat deze uren daadwerkelijk zijn besteed aan werkzaamheden die rechtstreeks voortvloeien uit de gestelde tekortkoming van [de eiser in conventie] . Daarbij komt dat interne kosten van een onderneming, waaronder de loonkosten van eigen medewerkers, in beginsel niet als vermogensschade voor vergoeding in aanmerking komen, tenzij sprake is van aantoonbare extra kosten die de normale bedrijfsvoering overstijgen en die rechtstreeks toerekenbaar zijn aan de schade veroorzakende gebeurtenis. De Veilig heeft niet inzichtelijke gemaakt dat hiervan sprake is.
2.39.
Anders dan [de eiser in conventie] stelt, komen ook interne gemaakte bedrijfskosten, in de vorm van door eigen deskundige medewerkers aan de zaak bestede tijd, in beginsel voor vergoeding in aanmerking (Hoge Raad 1 juli 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC1036).
2.40.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de Veiling deze post echter onvoldoende onderbouwd. In het urenoverzicht worden de kennelijk aan de onderhavige zaak bestede uren van haar medewerkers opgevoerd vanaf 15 juli 2024. De opgevoerde uren lopen door tot met 19 januari 2026.
De Veiling heeft de met [de eiser in conventie] gesloten overeenkomsten (na de hiervoor vermelde op 15 juli 2024 gemaakte afspraken) bij brief van haar raadsman op 24 juli 2024 buitengerechtelijk ontbonden nadat [naam betrokkene] op 23 juli 2024 het sorteren van de peren had moeten staken vanwege de slechte kwaliteit van de peren. Onder deze omstandigheden had het op de weg van de Veiling gelegen om aan te geven welke nader omschreven werkzaamheden haar werknemers na 24 juli 2024 nog zouden hebben moeten besteden aan deze zaak, waarbij de Veiling toen al werd bijgestaan door een raadsman. Aangezien de Veiling dit heeft nagelaten komt deze post dan ook als onvoldoende onderbouwd niet voor vergoeding in aanmerking.
De rechtbank voegt hieraan nog toe dat voor zover de werkzaamheden van de werknemers van de Veiling betrekking zouden hebben gehad op het achterhalen van de oorzaak van het ontstaan van holle peren, de daarmee gemoeide loonkosten niet bij [de eiser in conventie] “in rekening kunnen worden gebracht” omdat de oorzaak van het ontstaan van de holle peren in de onderhavige zaak van geen belang is.
Juridische kosten
2.41.
De Veiling stelt dat zij kosten van juridische bijstand heeft moeten maken. Zij voert aan dat voor zover deze kosten niet onder de proceskostenveroordeling vallen, deze kosten eveneens schade vormen. De Veiling maakt jegens [de eiser in conventie] aanspraak op een bedrag van € 28.503,00 (exclusief btw).
2.42.
[de eiser in conventie] betwist dat deze kosten als afzonderlijke schadepost voor vergoeding in aanmerking komen. De kosten van juridische bijstand worden in beginsel vergoed via de proceskostenveroordeling op basis van het liquidatietarief. De Veiling heeft niet gesteld dat in deze zaak sprake is van bijzondere omstandigheden die een uitzondering op dit beginsel rechtvaardigen.
2.43.
De rechtbank stelt voorop dat zij in het tussenvonnis in conventie (in r.o. 6.48.) uitdrukkelijk en zonder voorbehoud heeft overwogen dat de Veiling wordt aangemerkt als de in het ongelijk gestelde partij en dat de Veiling daarom de proceskosten in conventie moet betalen.
Deze eindbeslissing impliceert dat de door de Veiling gemaakte kosten van juridische bijstand in conventie voor haar eigen rekening moeten blijven.
2.44.
De Veiling heeft volstaan met de stelling dat voor zover de kosten van juridische bijstand niet onder de proceskostenveroordeling vallen (waarmee zij kennelijk bedoeld de kosten van juridische bijstand in reconventie), deze kosten eveneens schade vormen. De Veiling heeft echter geen reden opgegeven waarom in dit geval de kosten van juridische bijstand niet onder de proceskosten zouden vallen en daarom voor afzonderlijke vergoeding in aanmerking zouden komen.
De kosten van juridische bijstand in reconventie worden dan ook geacht te worden vergoed door middel van de proceskosten waartoe [de eiser in conventie] in reconventie zal worden veroordeeld.
Dit onderdeel van de vordering wordt dan ook afgewezen.
Waardeverlies
2.45.
De Veiling stelt dat de peren door de gebrekkige kwaliteit slechts tegen lagere prijzen konden worden verkocht. Het bestaan van deze schade is aannemelijk, maar de exacte omvang van de schade dient in een schadestaatprocedure nader te worden vastgesteld.
Onverkoopbare partijen
2.46.
De Veiling stelt dat een deel van de peren onverkoopbaar is gebleken en afgevoerd moest worden. Bewijzen van afvoer en vernietiging zullen in de schadestaatprocedure nader worden overgelegd.
Opslag- en logistieke kosten
2.47.
De Veiling stelt dat extra opslag- en transportkosten zijn gemaakt en dat de exacte kosten in de schadestaat nader zullen worden gespecificeerd.
2.48.
De rechtbank brengt in herinnering dat zij in het tussenvonnis (in r.o. 6.54.) heeft overwogen dat -ofschoon strikt genomen aan de voorwaarde is voldaan om de zaak naar de schadestaatprocedure te verwijzen is voldaan- zij daartoe geen aanleiding ziet. De rechtbank heeft de Veiling in de gelegenheid gesteld om haar schade -met bewijsstukken gestaafd- nader te onderbouwen.
De Veiling heeft geen valide reden aangevoerd waarom zij nog steeds in 2026 niet in staat is om de schadeposten onder 2.41., 2.42. en 2.43. te onderbouwen, terwijl de Veiling de met [de eiser in conventie] gesloten koopovereenkomsten reeds medio 2024 heeft ontbonden en het in deze om bederfelijke waar gaat.
De rechtbank zal de zaak voor het begroten van de nog niet onderbouwde schade om die reden niet naar de schadestaatprocedure verwijzen. Het staat de Veiling uiteraard vrij om daarvoor een nieuwe procedure jegens [de eiser in conventie] aanhangig te maken op het moment dat zij wel in staat is om haar schade te onderbouwen.
Conclusie
2.49.
Op grond van het vorenstaande is de reconventionele vordering toewijsbaar tot een bedrag van € 11.741,87 (€ 10.301,87 + € 1.440,--).
2.50.
Uit het feit dat de Veiling in haar akte uitlating schade verzoekt [de eiser in conventie] te veroordelen tot vergoeding van de door haar geleden schade, leidt de rechtbank af dat de Veiling haar eerder in reconventie gedane verzoek om te bepalen dat enige betalingsverplichting waartoe zij (in conventie) veroordeeld zou kunnen worden door de Veiling verrekend zou kunnen worden met de aan haar toegewezen vorderingen in reconventie niet langer heeft gehandhaafd.
[de eiser in conventie] zal daarom in reconventie worden veroordeeld om aan de Veiling te betalen een bedrag van € 11.741,87.
Proceskosten
2.51.
[de eiser in conventie] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen.
De kosten aan de zijde van de Veiling worden vastgesteld op € 816,25 ter zake van kosten advocaat (2,5 punten x factor 0,5 x € 653,00, tarief II) alsmede op € 189,00 ter zake van nakosten, neerkomend op in totaal € 1.005,25 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing).
in conventie wederom
2.52.
Aangezien de Veiling haar beroep op verrekening met de aan haar in reconventie toegewezen vorderingen niet langer heeft gehandhaafd, wordt de Veiling veroordeeld om aan [de eiser in conventie] te betalen een bedrag van € 138.367,21, zoals is overwogen in r.o. 6.44. van het tussenvonnis. De rechtbank zal aan de betalingsverplichting van de Veiling geen betalingstermijn te verbinden zoals door [de eiser in conventie] is gevorderd. Aangezien de Veiling over de hoofdsom wettelijke rente is verschuldigd met ingang van 21 september 2024 (zoals in het tussenvonnis in r.o. 6.45. is overwogen), moet de Veiling de mogelijkheid worden geboden om zo spoedig mogelijk te betalen, om het verder oplopen van het bedrag van de wettelijke rente te kunnen beperken.
2.53.
De proceskosten aan de zijde van [de eiser in conventie] worden vastgesteld op:
- kosten van de dagvaarding
114,95
- griffierecht
6.861,00
- salaris advocaat
4.102,00
(2 punten × Tarief V € 2.051,00)
- nakosten
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
11.266,95
2.54.
De rechtbank merkt hierbij ter toelichting op dat zij geen aanleiding ziet om bij de proceskostenveroordeling de door [de eiser in conventie] genomen (antwoord) akte uitlating van de zijde van [de eiser in conventie] in aanmerking te nemen. Deze akte heeft immers betrekking op de discussie tussen partijen over de vraag of de peren hol zouden kunnen zijn geworden door de wijze waarop de peren door [de eiser in conventie] waren opgeslagen. Het antwoord op die vraag is -zoals in het tussenvonnis is overwogen- niet van belang omdat [de eiser in conventie] toerekenbaar tekort is geschoten door peren aan de Veiling te leveren die niet aan de koopovereenkomsten beantwoordden, waarbij niet van belang is door welke oorzaak dit gebrek is ontstaan. Reden waarom de primaire vordering van [de eiser in conventie] is afgewezen. De subsidiaire vordering van [de eiser in conventie] - welke grotendeels is toegewezen - heeft betrekking op de als gevolg van de ontbinding van de koopovereenkomsten ontstane ongedaanmakingsverbintenissen. Om die reden komt het tevens in aanmerking nemen van bedoelde akte van [de eiser in conventie] -mede in aanmerking genomen het toepasselijke liquidatietarief- bovenmatig voor.

3.De afhandeling van het incident

3.1.
Nu in de hoofdzaak zowel in conventie als in reconventie eindvonnis wordt gewezen, kan ook in het incident eindvonnis worden gewezen.
3.2.
In het tussenvonnis is reeds in r.o. 7.6. overwogen dat de vordering van de Veiling wordt afgewezen en de Veiling in de kosten van het incident wordt verwezen.
Deze kosten worden -anders dan is overwogen in het tussenvonnis- vastgesteld op € 653,00 (1 punt x € 653,00) ter zake van salaris van de advocaat omdat het liquidatietarief met ingang van 1 februari 2026 is verhoogd en dit vonnis nadien wordt uitgesproken. Dit bedrag wordt vermeerderd met een bedrag van € 189,00 ter zake van nakosten, waarmee het totaal uitkomt op € 842,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing).

4.De beslissing

De rechtbank
in de hoofdzaak
in conventie
4.1.
veroordeelt de Veiling om aan [de eiser in conventie] tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen een bedrag van € 138.367,21, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over dit bedrag, met ingang van 21 september 2024 tot aan de dag van algehele voldoening,
4.2.
veroordeelt de Veiling in de proceskosten van [de eiser in conventie] van € 11.266,95, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als de Veiling niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
4.3.
veroordeelt de Veiling tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten van [de eiser in conventie] als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
4.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
4.5.
wijst af het meer of anders gevorderde,
in reconventie
4.6.
veroordeelt [de eiser in conventie] om aan de Veiling te betalen een bedrag van € 11.741,87,
4.7.
veroordeelt [de eiser in conventie] in de proceskosten van de Veiling van € 1.005,25, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [de eiser in conventie] niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
4.8.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
4.9.
wijst af het meer of anders gevorderde,
in het incident
4.10.
wijst de vordering van de Veiling af,
4.11.
veroordeelt de Veiling in de proceskosten van [de eiser in conventie] van € 842,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als de Veiling niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
4.12.
veroordeelt de Veiling tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten van [de eiser in conventie] als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
4.13.
verklaart dit vonnis voor wat betreft de onderdelen 4.11. en 4.12. uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. P.F.A. Bierbooms en in het openbaar uitgesproken op
29 april 2026.
Th/PB