Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2026:3626

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
19 maart 2026
Publicatiedatum
7 mei 2026
Zaaknummer
C/05/458838 / FA RK 25-3679
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:253a BWArt. 1:377e BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vervangende toestemming verhuizing moeder met minderjarige en vaststelling zorgregeling

De moeder verzocht de rechtbank om vervangende toestemming om met haar minderjarige kind te verhuizen naar een andere plaats vanwege een aanzienlijke reistijd naar haar werk. De ouders oefenden gezamenlijk gezag uit en waren het niet eens over de verhuizing, waardoor de rechtbank een beslissing moest nemen.

Tijdens de procedure bleek dat de moeder de verhuizing goed had voorbereid, de vader tijdig had betrokken en dat zij een proefperiode hadden afgesproken waarin het kind al deels in de nieuwe woonplaats verbleef. De vader zag het kind sinds de verhuizing zelfs vaker dan daarvoor. De Raad voor de Kinderbescherming stemde in met de verhuizing en de lopende zorgregeling.

De rechtbank voerde een belangenafweging uit waarbij het belang van het kind voorop stond. De noodzaak van de verhuizing, de zorgverdeling, de communicatie tussen ouders, de geworteldheid van het kind en de contactfrequentie met de vader werden meegewogen. De rechtbank concludeerde dat er geen belemmeringen waren voor de verhuizing en verleende de moeder de gevraagde toestemming.

Daarnaast stelde de rechtbank een zorgregeling vast voor de periode tot het kind naar school gaat en een driewekelijks schema voor daarna, waarbij het contact met de vader gewaarborgd blijft. De kosten voor het halen en brengen worden gedeeld, en de beslissing is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: De rechtbank verleent de moeder vervangende toestemming voor verhuizing en stelt een aangepaste zorgregeling vast die het contact met de vader waarborgt.

Uitspraak

beschikking
RECHTBANK GELDERLAND
Familie- en jeugdrecht
Zittingsplaats Arnhem
Zaakgegevens: C/05/458838 / FA RK 25-3679
Datum uitspraak: 19 maart 2026
beschikking op grond van artikel 1:253a BW
in de zaak van
[naam moeder](hierna: de moeder),
wonende in [woonplaats] ,
advocaat mr. J.E. Sondorp in Gouda,
tegen
[naam vader](hierna: de vader),
wonende in [woonplaats] .

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De rechtbank heeft de volgende stukken ontvangen:
- het verzoekschrift, met bijlagen, ingekomen bij de griffie op 20 oktober 2025;
- het F9-formulier, met bijlagen, van de moeder, van 13 februari 2026.
1.2.
Tijdens de mondelinge behandeling van 20 februari 2026 zijn gehoord:
- de moeder, bijgestaan door mr. Sondorp;
- de vader;
- een vertegenwoordigster van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad).

2.De feiten

2.1.
Uit de relatie tussen de ouders is geboren het minderjarige kind:
[naam kind], geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] , hierna: [het kind] .
2.2.
De vader heeft [het kind] erkend. De ouders zijn gezamenlijk belast met het gezag over haar.
2.3.
De ouders zijn in onderling overleg een proefperiode overeengekomen waarin de moeder met [het kind] bij haar nieuwe partner in [plaatsnaam 1] is gaan wonen. Zij hebben afgesproken dat gedurende die periode een ruimere zorgregeling zou gelden dan tot dan toe gold. Zij zijn vanaf dat moment als zorgregeling overeengekomen dat [het kind] de ene week van woensdagavond tot vrijdag 15.30 uur bij de vader verblijft en de andere week van woensdagavond tot zaterdag 15.30 uur.

3.Het verzoek

3.1.
De moeder verzoekt de rechtbank, uitvoerbaar bij voorraad:
I. haar vervangende toestemming te verlenen om met [het kind] te verhuizen naar [plaatsnaam 1] ;
II. de volgende zorgregeling vast te stellen:
a.
zolang [het kind] niet naar school gaat:
[het kind] verblijft om de week van donderdagmiddag 15:30 uur tot zondag 15.30 uur bij de vader, waarbij de vader [het kind] op donderdag haalt en de moeder haar op zondag ophaalt bij de vader. De andere week is [het kind] bij de moeder in [plaatsnaam 1] . In die week spreken partijen een bel/videomoment af;
b.
vanaf het moment dat [het kind] naar school gaat:
[het kind] verblijft om de week van vrijdagmiddag uit school tot zondag 15.30 uur bij de vader, waarbij de vader [het kind] op vrijdag uit school haalt en de moeder haar op zondag bij de vader ophaalt;
III. een verdeling van de vakanties en feestdagen vast te stellen, inhoudende dat:
a.
vakanties:
 herfstvakantie en voorjaarsvakantie: [het kind] kan deze vakanties twee dagen langer bij de vader verblijven, aansluitend aan de weekendregeling;
 zomervakantie, meivakantie en kerstvakantie: bij helfte, waarbij de feestdagen in de kerstvakantie in onderling overleg worden afgestemd;
b.
feestdagen volgens het door de moeder voorgestelde schema.

4.Het verweer

4.1.
De vader verzoekt de rechtbank het verzoek van de moeder om vervangende toestemming te verlenen voor de verhuizing af te wijzen. Voorts verzoekt hij de rechtbank een zorgregeling vast te stellen op grond waarvan [het kind] doordeweeks twee aaneengesloten overnachtingen bij de hem verblijft en de vakanties en feestdagen bij helfte worden verdeeld. Hij verzoekt de rechtbank verder te bepalen dat de moeder het halen en brengen voor haar rekening neemt. Ter zitting heeft de vader ingestemd met het voorstel om [het kind] te zijner tijd, op de dagen dat zij bij hem verblijft, vrijdagmiddag uit school te halen.

5.Het standpunt van de Raad

5.1.
De Raad heeft partijen gecomplimenteerd met het aangaan van een proefperiode. Hoewel de Raad normaliter niet snel instemt met een verhuizing, is dat nu anders. De Raad stemt in met de verhuizing en adviseert ook de zorgregeling die nu loopt te handhaven. Deze zorgregeling loopt goed. Het leven van [het kind] speelt zich al een aantal maanden voornamelijk af in [plaatsnaam 1] , zij zit daar op het kinderdagverblijf. Dat de vader door de afstand een deel van de leefwereld van [het kind] mist maakt het advies van de Raad niet anders. De Raad begrijpt wel de zorg van de vader voor de toekomst, omdat de huidige zorgregeling gaat wijzigen zodra [het kind] naar school gaat. De huidige regeling is dan niet vol te houden en zal wijzigen in een weekendregeling. Het contact tussen [het kind] en de vader zal dan opnieuw moeten worden vormgegeven. De Raad stelt daarom voor dat ouders te zijner tijd samen bekijken hoe zij dit kunnen oplossen. Dit zou kunnen door de weekenden, waar mogelijk, te verlengen en bijvoorbeeld af te spreken dat [het kind] vaker naar de vader gaat op studiedagen en langer bij hem verblijft in vakanties.

6.De beoordeling

Vervangende toestemming voor verhuizing
6.1.
Op grond van artikel 1:253a van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kan in geval van gezamenlijke uitoefening van het gezag een geschil tussen de ouders hierover op verzoek van de ouders of een van hen aan de rechtbank worden voorgelegd. Omdat de ouders het gezamenlijk gezag over [het kind] uitoefenen heeft de moeder voor het veranderen van haar woonplaats (met [het kind] ) toestemming van de vader nodig of vervangende toestemming van de rechtbank. De rechtbank neemt de beslissing die haar in het belang van [het kind] wenselijk voorkomt.
6.2.
Bij de beantwoording van de vraag of de moeder toestemming dient te krijgen om met [het kind] naar [plaatsnaam 1] te verhuizen, neemt de rechtbank tot uitgangspunt dat iedere ouder het recht heeft om zijn of haar leven met een kind in te richten op de manier die hem of haar goed lijkt. Daaronder valt ook de vrijheid om op een andere plek te gaan wonen. De rechtbank brengt alle omstandigheden in kaart en maakt dan een belangenafweging. Het belang van het kind staat hierbij voorop, maar afhankelijk van de omstandigheden kunnen andere belangen zwaarder wegen. [1]
6.3.
Volgens vaste rechtspraak neemt de rechtbank - met name - de volgende omstandigheden en belangen mee in de afweging:
  • de noodzaak om te verhuizen;
  • de mate waarin de verhuizing is doordacht en voorbereid;
  • de door de verhuizende ouder geboden alternatieven en maatregelen om de gevolgen van de verhuizing voor het kind en de andere ouder te verzachten en/of te compenseren;
  • de mate waarin de ouders in staat zijn tot onderlinge communicatie en overleg;
  • de rechten van de andere ouder en het kind op onverminderd contact met elkaar in een vertrouwde omgeving;
  • de verdeling van de zorgtaken en de continuïteit van de zorg;
  • de frequentie van het contact tussen het kind en de andere ouder voor en na de verhuizing;
  • de leeftijd van het kind, zijn/haar mening en de mate waarin het kind geworteld is in zijn omgeving of juist extra gewend is aan verhuizingen;
  • de (extra) kosten van de omgang na de verhuizing.
Conclusie
6.4.
De rechtbank oordeelt dat zij geen wezenlijke belemmeringen ziet voor de verhuizing van de moeder en [het kind] naar [plaatsnaam 1] . Daarom wijst zij het verzoek van de moeder toe. De rechtbank legt hierna uit waarom zij tot deze conclusie komt en zal daarbij ingaan op de hiervoor genoemde omstandigheden en belangen.
De noodzaak tot verhuizing
6.5.
De rechtbank is van oordeel dat er voor de moeder een noodzaak is om te verhuizen naar [plaatsnaam 1] . De moeder heeft al langere tijd een relatie met haar huidige partner, die in [plaatsnaam 1] woont. Zij werkte voorheen in [plaatsnaam 3] , maar door een reorganisatie van haar werk is haar werklocatie verplaatst naar [plaatsnaam 2] . Anders dan de vader stelt kan de moeder niet alle dagen vanuit huis werken. Zij moet twee dagen per week naar kantoor. Haar reistijd vanuit [woonplaats] naar [plaatsnaam 2] is tweeënhalf uur per dag (zonder file). Op andere dagen is het voor haar evenmin mogelijk om vanuit [woonplaats] te reizen, nu zij op die dagen klanten in de Randstad bezoekt. De rechtbank is het met de moeder eens dat het niet in het belang van [het kind] is als de moeder zoveel extra moet gaan reizen van en naar haar werk.
De mate waarin de verhuizing is doordacht en voorbereid
6.6.
Ook meent de rechtbank dat de verhuizing goed is doordacht en voorbereid. De moeder heeft de vader tijdig betrokken bij haar plan om samen met [het kind] te verhuizen naar [plaatsnaam 1] . Zij heeft hem op 16 oktober 2024 gevraagd of hij instemt met een verhuizing naar [plaatsnaam 1] in de zomer van 2025. Omdat de vader hiermee niet wilde instemmen hebben partijen nadere afspraken gemaakt in een mediationtraject. Hierin spraken zij af dat de moeder een ‘proefperiode’ van drie maanden met [het kind] bij haar nieuwe partner in [plaatsnaam 1] zou gaan wonen en haar flat in [woonplaats] zou aanhouden. De opvang van [het kind] is toen omgezet van [woonplaats] naar [plaatsnaam 1] . Ook hebben partijen de zorgregeling aangepast op deze nieuwe situatie. Partijen hebben afgesproken dat als de proefperiode goed zou verlopen, de vader zou instemmen met een verhuizing. De moeder is van mening dat de proefperiode goed is verlopen, de vader heeft dat niet bestreden. Hij maakt zich wel zorgen over hoe het contact met [het kind] zich op termijn zal ontwikkelen als zij zo ver bij hem vandaan woont. Dat doet echter niet af aan de conclusie dat de verhuizing goed is voorbereid.
Geboden alternatieven, verdeling van zorgtaken, de frequentie van het contact en de rechten op onverminderd contact in een vertrouwde omgeving
6.7.
Partijen hebben toegelicht dat de zorgtaken voor [het kind] grotendeels bij de moeder liggen en dat dit ook zo blijft. Dat betekent niet dat de vader [het kind] maar beperkt ziet. Hij ziet haar wekelijks bij hem thuis. De vader ziet [het kind] zelfs vaker sinds de moeder in [plaatsnaam 1] verblijft dan voor die tijd. De vader zag [het kind] voor de start van de proefperiode een dag en een nacht per week. Sinds de start van de proefperiode verblijft [het kind] de ene week van woensdagavond tot vrijdagmiddag 15.30 uur en de andere week van woensdagavond tot zaterdagmiddag 15.30 uur bij de vader. Ter zitting zijn partijen overeengekomen dat, voor het geval dat de rechtbank toestemming verleent voor de verhuizing, de zorgregeling wordt aangepast in die zin dat [het kind] vanaf dat moment de ene week van donderdag 10.00 uur tot vrijdagmiddag 15.30 uur en de andere week van donderdag 10.00 uur tot zondag 10.00 uur bij de vader verblijft. De vader wordt dus gecompenseerd voor de gevolgen van de verhuizing. En hoewel de rechtbank de zorgen van de vader begrijpt, dat deze regeling gaat veranderen als [het kind] straks naar school gaat, maakt dat niet dat de rechtbank geen toestemming geeft voor de verhuizing. De verhuizing op zichzelf beperkt namelijk niet het contact tussen de vader en [het kind] . Partijen gingen er, ook zonder de verhuizing, van uit dat de moeder de zorgtaken voor [het kind] voor het grootste deel zou vervullen. De ouders hadden dus niet de reële verwachting dat zij op enig moment een co-ouderschap zouden overeenkomen. De moeder heeft ter zitting aangegeven dat zij ervoor openstaat om te zoeken naar opties om de vader ook in de toekomst te compenseren voor komende veranderingen, bijvoorbeeld door [het kind] in de schoolvakanties meer bij de vader te laten verblijven. Ter zitting is bovendien afgesproken dat de vader [het kind] vanaf het moment dat zij naar school gaat op vrijdag ophaalt uit school. Op die manier wordt de vader toch betrokken in haar dagelijkse leven en kan hij op een laagdrempelige manier contact hebben met haar leerkracht. Het standpunt van de vader dat het voor hem door de afstand lastiger is om [het kind] spontaan te bezoeken of met haar op pad te gaan, brengt de rechtbank ook niet tot een andere conclusie. De rechtbank oordeelt dat dit, zeker gezien de stelling van de moeder dat dit niet regelmatig is voorgekomen, niet doorslaggevend is.
De mate waarin de ouders in staat zijn tot onderlinge communicatie en overleg
6.8.
Ondanks hun moeilijke start en het feit dat zij het niet eens zijn over de geplande verhuizing, zijn de ouders goed in staat om met elkaar te communiceren. Dat hebben zij ook laten zien op de zitting. Zij hebben laten zien dat zij afspraken kunnen maken in het belang van [het kind] , bijvoorbeeld over de zorgregeling. De moeder heeft benadrukt dat [het kind] weet wie haar vader is en dat hij een rol heeft in haar leven. Zij heeft erg haar best gedaan om de vader die rol te geven en is er blij mee dat hij die oppakt. Zij wil belangrijke beslissingen over [het kind] graag samen met de vader nemen en benoemt dat hij haar altijd mag zien en spreken. De moeder heeft verder benoemd dat zij de vader ook belt bij belangrijke momenten in het leven van [het kind] , bijvoorbeeld bij de eerste stappen naar zindelijkheid. De vader heeft dit ook erkend.
De leeftijd van [het kind] en de mate waarin zij geworteld is in haar omgeving
6.9.
Hoewel de vader betwist dat [het kind] al geworteld is in [plaatsnaam 1] , constateert de rechtbank, net als de Raad en de moeder, dat het leven van [het kind] zich op dit moment voornamelijk afspeelt in [plaatsnaam 1] . Zij woont daar een groot deel van de tijd en gaat daar naar het kinderdagverblijf. Dat [het kind] de omgeving in [woonplaats] nog herkent omdat zij daar nog vaak komt met de vader is positief, maar dat betekent niet dat haar leven zich nog afspeelt in [woonplaats] of dat zij sterker geworteld is (geweest) in [woonplaats] . [het kind] is naar [plaatsnaam 1] vertrokken toen zij anderhalf jaar oud was en woont daar sindsdien. De rechtbank concludeert dan ook dat gezien de jonge leeftijd van [het kind] , de tijd die zij verblijft in [plaatsnaam 1] en het feit dat zij daar al geruime tijd op het kinderdagverblijf zit, niet kan worden gesteld dat zij meer geworteld is in [woonplaats] of dat dit in de weg zou staan aan een verhuizing naar [plaatsnaam 1] .
Kosten na de verhuizing
6.10.
Partijen hebben ter zitting afgesproken dat zij de kosten voor de zorgregeling zullen delen. De vader zal [het kind] op de donderdagenophalen bij de moeder (en later op vrijdag uit school) en de moeder haalt [het kind] weer op bij de vader. Nu de vader de rechtbank ook heeft verzocht om te bepalen dat de moeder, omdat zij wil verhuizen, meer zou moeten halen dan hij, geeft de rechtbank de moeder in overweging om in de vakanties het halen en brengen wat vaker voor haar rekening te nemen. Dit moeten partijen in overleg afspreken.
Zorgregeling
6.11.
Op grond van artikel 1:377e gelezen in samenhang met artikel 1:253a, vierde lid, van het BW kan de rechtbank op verzoek van de ouders of van een van hen een beslissing inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken of een door de ouders onderling getroffen verdeling van de zorg- en opvoedingstaken wijzigen als nadien de omstandigheden zijn gewijzigd of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.
6.12.
Hoewel de moeder van mening is dat partijen nog geen definitieve zorgregeling waren overeengekomen, omdat de lopende zorgregeling is gekoppeld aan de proefperiode, oordeelt de rechtbank dat die zorgregeling wel als zodanig moet worden opgevat, omdat deze al ruim een jaar loopt.
6.13.
De rechtbank stelt vast dat partijen het erover eens zijn dat de zorgregeling die zij waren overeengekomen moet worden gewijzigd nu de moeder toestemming krijgt om te verhuizen naar [plaatsnaam 1] . Partijen zijn overeengekomen dat totdat [het kind] naar school gaat de volgende zorgregeling gaat gelden. [het kind] verblijft bij de vader:
  • de ene week van donderdag 10.00 uur (de vader haalt [het kind] op bij de moeder) tot vrijdag 15.30 uur (de moeder haalt [het kind] op bij de vader);
  • de andere week van donderdag 10.00 uur (de vader haalt [het kind] op bij de moeder) tot zondagochtend 10.00 uur (de moeder haalt [het kind] op bij de vader).
Zij hebben de rechtbank verzocht deze beslissing vast te leggen in de beschikking, aan welk verzoek de rechtbank hierbij voldoet.
6.14.
De ouders hebben de rechtbank verzocht haar beslissing voor het overige aan te houden om hen de gelegenheid te geven om zelf nadere afspraken te maken over de vakanties, de feestdagen en de zorgregeling vanaf het moment dat [het kind] naar school gaat. De rechtbank zal de zaak echter niet aanhouden. Uit de discussie ter zitting leidt de rechtbank af dat partijen behoefte hebben aan een duidelijke zorgregeling voor de situatie waarin [het kind] naar school gaat. De rechtbank heeft ook, anders dan partijen, duidelijke uitgangspunten voor ogen. Zij heeft daarin de wensen van partijen meegenomen, waarbij de moeder aangeeft dat zij [het kind] ook graag in het weekend wil zien en de vader de rechtbank verzoekt een regeling vast te stellen waarbij [het kind] twee aaneengesloten overnachtingen bij hem doorbrengt. Ook de zorgen van de vader, dat hij [het kind] als zij eenmaal naar school gaat veel minder zal zien, zijn meegenomen. De rechtbank stelt alles afwegende een zorgregeling vast volgens een driewekelijks schema, op grond waarvan [het kind] twee opeenvolgende weken bij de vader verblijft van vrijdag uit school tot zondag 15.30 uur, waarbij de vader [het kind] ophaalt uit school en de moeder haar op zondag ophaalt bij de vader. Het derde weekend is ze bij de moeder.
6.15.
De rechtbank merkt nog op dat het de ouders uiteraard vrijstaat om deze regeling in onderling overleg aan te passen. De rechtbank realiseert zich dat het moment dat [het kind] naar school gaat verder in de toekomst ligt en dat de situaties en behoeftes van partijen in de tussentijd kunnen veranderen. Desondanks vindt de rechtbank het wel van belang om deze zorgregeling vast te leggen vanwege de behoefte aan duidelijkheid hierover bij partijen. Ook wil de rechtbank de ouders door middel van deze zorgregeling meegeven dat de vader ook als [het kind] naar school gaat nog altijd een grote rol in haar leven speelt.
6.16.
Voor de vakanties en feestdagen bepaalt de rechtbank dat partijen die in onderling overleg bij helfte verdelen, zoals zij beiden hebben verzocht.
Uitvoerbaar bij voorraad
6.17.
De rechtbank verklaart deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals door de moeder is verzocht. Dat wil zeggen dat deze beslissing blijft gelden, ook als er hoger beroep wordt in gesteld, zolang het gerechtshof niet anders beslist.

7.De beslissing

De rechtbank:
7.1.
verleent de moeder vervangende toestemming om samen met het kind:
[naam kind], geboren op [geboortedatum] in [geboorteplaats] ,
te verhuizen naar [plaatsnaam 1] ;
7.2.
wijzigt de zorgregeling tussen de vader en [het kind] en stelt vast als regeling voor de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken dat zij,
totdat zij naar school gaatbij de vader verblijft:
 de ene week van donderdag 10.00 uur (vader haalt [het kind] op bij de moeder) tot vrijdag 15.30 uur (moeder haalt [het kind] op bij de vader);
 de andere week van donderdag 10.00 uur (vader haalt [het kind] op bij de moeder) tot zondagochtend 10.00 uur (moeder haalt [het kind] op bij de vader);
7.3.
bepaalt dat [het kind]
vanaf het moment dat zij naar school gaatbij de vader verblijft volgens het volgende driewekelijkse schema:
 week 1: vrijdag uit school tot zondag 15.30, de vader haalt [het kind] op uit school, de moeder haalt haar op zondag op bij de vader;
 week 2: vrijdag uit school tot zondag 15.30, de vader haalt [het kind] op uit school, de moeder haalt haar op zondag op bij de vader;
 week 3: geen omgang;
en dat zij gedurende de helft van de vakanties en feestdagen bij de vader verblijft, in onderling overleg tussen partijen te verdelen;
7.3.
verklaart deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad;
7.4.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. R.A. Eskes, voorzitter, tevens kinderrechter, mr. C.J.M. van Apeldoorn en mr. K. van der Lee, (kinder)rechters, in tegenwoordigheid van mr. A. van de Vendel als griffier en in het openbaar uitgesproken op 19 maart 2026.
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof Arnhem -Leeuwarden.

Voetnoten

1.Hoge Raad 25 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC5901.