Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2026:3499

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
18 maart 2026
Publicatiedatum
4 mei 2026
Zaaknummer
C/05/440926 / FA RK 24-2982
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:253n BWArt. 1:251a BWArt. 1:377a BWArt. 1:377e BWArt. 5 HKV 1996
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging gezamenlijk gezag en eenhoofdig gezag voor vader met omgangsregeling en videobelcontact

De rechtbank Gelderland heeft op 18 maart 2026 uitspraak gedaan in een familierechtelijke zaak over het gezag, de hoofdverblijfplaats, de zorg- en omgangsregeling en kinderalimentatie betreffende een minderjarige die zonder toestemming van de vader met de moeder in Turkije verblijft.

De moeder had meerdere verzoeken ingediend, waaronder het gelasten van een deskundigenonderzoek met de MASIC-methode en het benoemen van een bijzondere curator, alsmede het toewijzen van het eenhoofdig gezag aan haar. Deze verzoeken zijn afgewezen. De rechtbank oordeelde dat de Raad voor de Kinderbescherming voldoende onderzoek had verricht en dat de MASIC-methode niet verplicht was. Er was geen sprake van intieme terreur, maar wel van een gespannen relatie tussen de ouders.

De rechtbank wees het verzoek van de vader toe om het gezamenlijk gezag te beëindigen en hem het eenhoofdig gezag toe te kennen, gelet op de langdurige verblijfplaats van het kind in Turkije zonder toestemming van de vader, het ontbreken van fysiek contact en de onmogelijkheid tot gezamenlijke besluitvorming. De omgang tussen moeder en kind wordt begeleid geregeld vanaf terugkeer van het kind naar Nederland. Tot die tijd is dagelijks videobelcontact tussen vader en kind vastgesteld, bij voorkeur onder professionele begeleiding.

De overige verzoeken van de moeder, waaronder voorlopige voorzieningen en kinderalimentatie, zijn afgewezen. Iedere partij draagt haar eigen proceskosten. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en er is mogelijkheid tot hoger beroep binnen drie maanden.

Uitkomst: Het gezamenlijk gezag wordt beëindigd en het eenhoofdig gezag wordt aan de vader toegekend met een begeleide omgangsregeling voor de moeder en dagelijks videobelcontact zolang het kind in Turkije verblijft.

Uitspraak

beschikking
RECHTBANK GELDERLAND
Familie- en jeugdrecht
Zittingsplaats Arnhem
Zaakgegevens: C/05/440926 / FA RK 24-2982
Datum uitspraak: 18 maart 2026
beschikking over het gezag, de hoofdverblijfplaats, de zorg-/omgangsregeling, de kinderalimentatie en voorlopige voorziening ex artikel 223 Rv Pro
in de zaak van
[naam vader](hierna: de vader),
wonend in [woonplaats] ,
advocaat mr. R.A.H. Vullings te Nijmegen,
tegen
[naam moeder](hierna: de moeder),
wonend in [woonplaats] , verblijvend in Turkije,
advocaat mr. E. Gürcan te Arnhem.

1.Het verdere verloop van de procedure

1.1.
Het verdere procesverloop blijkt uit de volgende stukken:
- de beschikking van deze rechtbank van 8 mei 2025;
- het bericht van mr. E. Gürcan van 13 mei 2025;
- de brief van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) van 16 mei 2025;
- het F9-formulier met bijlagen van mr. E. Gürcan van 10 september 2025;
- het F9-formulier met bijlagen van mr. R.A.H. Vullings van 30 september 2025;
- het F9-formulier met bijlagen van mr. R.A.H. Vullings van 9 oktober 2025;
- het F9-formulier met bijlage van mr. E. Gürcan van 16 oktober 2025;
- het bericht van de Raad van 19 november 2025;
- het F9-formulier met bijlage van mr. R.A.H. Vullings van 19 november 2025;
- het bericht van de Raad van 1 december 2025;
- het F9-formulier met bijlagen van mr. E. Gürcan van 18 januari 2026;
- de usb-stick met informatie, zoals bij de rechtbank afgegeven door mr. E. Gürcan op 27 januari 2026 waarvan een akte van depot is opgemaakt;
- het bericht van mr. E. Gürcan van 27 januari 2026;
- het F9-formulier met bijlagen van mr. R.A.H. Vullings van 28 januari 2026;
- de usb-stick met informatie, zoals bij de rechtbank afgegeven door mr. R.A.H. Vullings op 28 januari 2026 waarvan een akte van depot is opgemaakt;
- het F9-formulier met bijlagen van mr. E. Gürcan van 28 januari 2026;
- het rapport van de Raad met bijlagen van 28 januari 2026, ingekomen op 29 januari 2026;
- het F9-formulier met bijlage van mr. E. Gürcan van 30 januari 2026;
- het F9-formulier met bijlage van mr. R.A.H. Vullings van 2 februari 2026;
- de spreekaantekeningen van mr. E. Gürcan van 3 februari 2026.
1.2.
Bij de beschikking van deze rechtbank van 8 mei 2025 heeft de rechtbank de Raad verzocht om onderzoek te doen, te rapporteren en te adviseren. De beslissing over het hoofdverblijf, het gezag, de zorgregeling, de vervangende toestemming voor verhuizing en de kinderalimentatie heeft de rechtbank aangehouden.
1.3.
De zitting is voortgezet op 3 februari 2026. Daarbij zijn gehoord:
- de vader, bijgestaan door mr. R.A.H. Vullings;
- de moeder (via een teamsverbinding), bijgestaan door mr. E. Gürcan en mr. M.T.N. Whiterod-Tee en een tolk;
- een vertegenwoordigster van de Raad.

2.De aanvullende feiten

2.1.
Bij beschikking van 2 oktober 2025 heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden het verzoek van de moeder afgewezen om alsnog de door haar gevraagde provisionele voorzieningen over de toevertrouwing van [het kind] en vervangende toestemming voor het verblijf met [het kind] in Turkije toe te wijzen.
2.2.
Bij beschikking van 11 november 2025 heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden de beschikking van deze rechtbank van 24 januari 2025, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, vernietigd en aan de vader vervangende toestemming verleend voor deelname door [het kind] aan het Rijksvaccinatieprogramma dan wel een door het consultatiebureau opgesteld gepersonaliseerd programma voor het vaccineren van [het kind] . Ook is als voorlopige regeling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken vastgesteld dat [het kind] om de veertien dagen een weekend van vrijdag 15:00 uur tot zondag 18:30 uur bij de vader verblijft en dat de vakanties en feestdagen gelijkelijk tussen de ouders worden verdeeld. Het meer of anders verzochte heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden afgewezen.
2.3.
Bij beslissing van 26 december 2025 heeft de rechtbank in Istanbul, Turkije, bepaald dat de overbrenging van [het kind] naar Turkije door de moeder niet ongeoorloofd is. Ook is het verzoek van de vader tot teruggeleiding van [het kind] naar Nederland afgewezen. De vader is tegen die uitspraak in Turkije in hoger beroep gegaan.

3.De nog voorliggende verzoeken

3.1.
Aan de rechtbank liggen nog voor - na wijziging en intrekking van eerdere verzoeken - de verzoeken van de vader om, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. te bepalen dat de vader voortaan alleen het gezag over [het kind] uitoefent;
II. voor zover het verzoek onder I niet wordt toegewezen, te bepalen dat [het kind] voortaan haar hoofdverblijf bij de vader heeft;
III. te bepalen dat de moeder en [het kind] gerechtigd zijn tot begeleide omgang bij een professionele instantie, waarbij die instantie de frequentie en duur van het contact bepaalt;
IV. te bepalen dat, zolang [het kind] in het buitenland verblijft, de vader en [het kind] gerechtigd zijn tot dagelijks contact met elkaar gedurende minimaal 15 minuten middels videobellen om 17:00 uur Nederlandse tijd, eventueel onder regelmatige begeleiding van een professional/hulpverlener.
3.2.
De vader heeft zijn verzoek tot het vaststellen van een bijdrage in de kosten van de verzorging en opvoeding van [het kind] bij brief van 28 januari 2026 ingetrokken.
3.3.
Ook liggen nog voor de (gewijzigde en aangevulde) verzoeken van de moeder om, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. te bepalen dat de rechtbank onbevoegd is, althans de procedure aan te houden in afwachting van de beslissing van de Turkse rechter, althans de vader niet-ontvankelijk te verklaren in zijn verzoeken, althans deze af te wijzen; en
voor zover de rechtbank bevoegd is:
bij wege van voorlopige voorziening:
II. primair [het kind] voorlopig toe te vertrouwen aan de moeder in Turkije; en
III. subsidiair de moeder vervangende toestemming te verlenen om voor de duur van de
procedure met [het kind] in Turkije te verblijven; en
IV. een voorlopige bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding te bepalen, vanaf
de dag van indiening van het verzoek, althans vanaf een door de rechtbank in goede justitie te bepalen datum, welke de moeder, op dit moment begroot ter hoogte van de door de vader berekende behoefte van € 697,-, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag, waarbij de vader ook de door hem ontvangen kinderbijslag en kindgebonden budget dient door te betalen aan de moeder;
in de bodemprocedure:
Onderzoek
V. een deskundigenonderzoek ex art. 810a Rv toe te staan waarin dit wordt onderzocht en te bepalen dat de kosten daarvan ex art. 810a lid 3 Rv ten laste van de Rijks kas komen; althans, professor [psycholoog] , dan wel een door de rechtbank te benoemen deskundige, die deskundig is op het gebied van intieme terreur en als psycholoog met behulp van de MASIC-methode een onderzoek kan doen, waarna nader onderzoek kan worden gedaan naar het huiselijk geweld en de rechtbank kan adviseren of eenhoofdig gezag dan wel gezamenlijk gezag in het belang van [het kind] is, welke hoofdverblijfplaats en zorgregeling in haar belang is en iedere beslissing ten aanzien van het gezag aan te houden in afwachting van de uitkomst van dit onderzoek; en
VI. indien de rechtbank het verzoek voor een deskundigenonderzoek afwijst, en de rechtbank niet reeds ambtshalve een bijzondere curator benoemt, een bijzondere curator te benoemen die onderzoekt welk geweldspatroon aanwezig is en welke maatregelen ten aanzien van gezag en omgang nodig zijn die het belang van [het kind] dienen, waarbij tevens een MASIC-onderzoek plaatsvindt en iedere beslissing ten aanzien van het gezag aan te houden in afwachting van de uitkomst van het onderzoek;
Gezag en hoofdverblijfplaats
VII. primair te bepalen dat de moeder met het eenhoofdig ouderlijk gezag wordt belast; en
VIII. subsidiair te bepalen dat [het kind] haar hoofdverblijf(plaats) bij de moeder zal hebben in Turkije; en
IX. voor zover de gewone verblijfplaats van [het kind] niet in Turkije is, aan de moeder
vervangende toestemming te verlenen om met [het kind] naar Turkije te verhuizen;
Omgang
X. te bepalen dat de omgang tussen [het kind] en de vader onder toezicht plaatsvindt;
XI. te bepalen dat de vader en [het kind] tenminste 3 maal per week kunnen videobellen;
Alimentatie
XII. te bepalen dat de vader met ingang van datum indiening verzoek, althans vanaf een door de rechtbank in goede justitie te bepalen datum een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [het kind] betaalt van € 697,- per maand, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag bij vooruitbetaling te voldoen, waarbij de moeder tevens aanspraak maakt op kinderbijslag en kindgebonden budget en de vader de reeds ontvangen kinderbijslag en kindgebonden budget aan de moeder dient te voldoen;
kosten rechtens.
3.4.
De ouders voeren over en weer verweer. Op de stellingen van de ouders zal hierna, voor zover voor de beoordeling van belang, nader worden ingegaan.

4.Het advies van de Raad

4.1.
De Raad adviseert om het gezamenlijk gezag van de ouders te beëindigen en de vader te belasten met het eenhoofdig gezag over [het kind] . Het lukt de ouders - samengevat - niet om goed met elkaar te communiceren en samen beslissingen over [het kind] te nemen. Ook zijn de opvoedvisies van de ouders verschillend en wantrouwen en beschuldigen zij elkaar. Het in stand laten van het gezamenlijk gezag is volgens de Raad niet in het belang van [het kind] . De ouders zijn het nergens over eens en de moeder betrekt de vader niet in beslissingen die zij neemt over [het kind] en informeert hem niet over [het kind] . De moeder verblijft met [het kind] in Turkije, zonder toestemming van de vader, en heeft de vader daarmee op grote afstand gezet van [het kind] . Als de moeder wordt belast met het eenhoofdig gezag, is de grote zorg dat de vader zijn betrokkenheid bij [het kind] verder verliest en dat is niet in het belang van [het kind] . Aan de zijde van de vader heeft de Raad geen signalen gezien van misbruik van gezag of van het nemen van beslissingen die niet in het belang van [het kind] zijn. De Raad benadrukt dat sprake is van een dilemma en dat geen van de twee situaties eigenlijk voor [het kind] gewenst is. Als de vader met het eenhoofdig gezag wordt belast, zal de hoofdverblijfplaats van [het kind] logischerwijs bij de vader zijn. De Raad adviseert om daar ook bij aan te sluiten. Vaststaat dat [het kind] in haar jonge leven al veel heeft meegemaakt en zij zal door een wijziging van haar hoofdverblijfplaats opnieuw een contactbreuk ervaren. Het is daarom belangrijk dat zij een sensitieve opvoeder heeft die haar kan begeleiden. Het is van belang dat de vader na terugkeer van [het kind] hulpverlening daarvoor accepteert.
4.2.
Zo lang [het kind] nog in Turkije verblijft adviseert de Raad om het videobellen (van dagelijks vijftien minuten) tussen haar en de vader door te laten gaan. Er zijn tussen de ouders veel spanningen tijdens en over deze videobelmomenten, zodat de Raad aanwezigheid van een professional in het belang van [het kind] nodig vindt. Het is echter niet afhankelijk van de professional of het videobelmoment doorgang kan vinden. De Raad kan op dit moment niet adviseren over een omgangsregeling tussen de moeder en [het kind] voor het moment dat [het kind] in Nederland is. De Raad zal daar opnieuw onderzoek naar moeten doen op het moment dat [het kind] in Nederland verblijft.
4.3.
Verder brengt de Raad in het raadsrapport naar voren dat het onderzoek is uitgebreid naar een beschermingsonderzoek en dat de Raad concludeert op basis van dat onderzoek dat een ondertoezichtstelling van [het kind] nodig is. Een ondertoezichtstelling kan echter niet worden uitgevoerd als [het kind] in Turkije verblijft. De Raad heeft daarom ervan afgezien een ondertoezichtstelling te verzoeken. Wel benadrukt de Raad dat er grote zorgen zijn over (de ontwikkeling van [het kind] ), nu zij - samengevat - niet met allebei haar ouders opgroeit en al ruim een jaar geen fysiek contact met de vader heeft gehad. Ook voelt [het kind] ongetwijfeld de spanningen tussen de ouders. Tot slot vindt de Raad het zorgelijk dat [het kind] wordt belast met de vele (medische) onderzoeken op initiatief van de moeder en vraagt de Raad zich af of de oorzaak van de achterstand in de taal- en spraakontwikkeling van [het kind] wellicht het plotselinge vertrek uit haar vertrouwde omgeving kan zijn. De indruk van de Raad is dat dit niet wordt onderzocht, zodat de problematiek mogelijk niet bij de kern wordt aangepakt.

5.De verdere beoordeling

De bevoegdheid ten aanzien van het gezag
5.1.
De moeder heeft zich na de zitting van 27 maart 2025 op het standpunt gesteld dat de rechtbank niet bevoegd is om de zaak (verder) te behandelen. De rechtbank zal daarom eerst het bevoegdheidsverweer (exepties van onbevoegdheid) en het beroep op litispidentie van de moeder bespreken.
5.2.
De rechtbank wijst het verzoek van de moeder tot onbevoegdheidsverklaring ten aanzien van de verzoeken over het gezag af. Ook houdt de rechtbank de beslissing niet aan in afwachting van een uitspraak van de Turkse rechter over het gezag. De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot deze beslissing komt.
5.3.
De moeder verzoekt de rechtbank om zich onbevoegd te verklaren ten aanzien van het gezag. Zij beroept zich op artikel 5 van Pro het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 (hierna: HKV 1996) en artikel 15 van Pro de Uitvoeringswet internationale kinderontvoering (hierna: Uitvoeringswet). Als de rechtbank zich wel bevoegd acht, dan stelt de moeder zich op het standpunt dat de rechtbank de beslissing op grond van litispendentie op basis van artikel 12 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) moet aanhouden tot er door de Turkse rechter een definitieve beslissing over het gezag is genomen. De vader voert verweer en stelt dat deze rechtbank wel bevoegd is en dat er ook geen grond is voor aanhouding, gelet op het bepaalde in artikel 128, derde lid en artikel 11 en Pro artikel 12 Rv Pro.
5.4.
Uit de artikelen 11, 12 en 128, derde lid, Rv volgt dat de exceptie van onbevoegdheid en de exceptie van litispendentie moeten worden opgeworpen vóór alle weren ten gronde [1] . De rechtbank constateert dat de moeder beide excepties niet tijdig vóór alle weren heeft ingediend, maar pas voor het eerst in haar brief van 10 september 2025.
5.5.
Artikel 5 lid 1 is Pro de hoofdregel van de bevoegdheidsregeling van het HKV 1996. Als gevolg van deze bepaling zijn de rechterlijke of administratieve autoriteiten van de verdragsluitende staat waar het kind zijn gewone verblijfplaats heeft, internationaal bevoegd maatregelen te nemen die strekken tot de bescherming van zijn persoon of vermogen. Bij aanvang van deze procedure had [het kind] haar gewone verblijfplaats in Nederland.
Voor zover hier van belang geldt op grond van artikel 7 lid 1 HKV Pro 1996 dat de rechter van de verdragsstaat waar het kind voor de overbrenging of het niet doen terugkeren zijn gewone verblijfplaats had bevoegd blijft, totdat het kind een gewone verblijfplaats heeft verworven in een andere staat, en (sub a) de gezagsdrager in de overbrenging of het niet doen terugkeren heeft berust, of (sub b) het kind in die andere staat zijn verblijfplaats heeft gehad gedurende een periode van ten minste een jaar nadat de gezagsdrager kennis heeft gekregen of had moeten krijgen van de verblijfplaats van het kind, geen verzoek tot terugkeer, dat binnen die periode is ingediend, nog in behandeling is, en het kind in zijn nieuwe omgeving is geworteld. Beide situaties doen zich hier niet voor zodat de rechtbank (nog steeds) bevoegd is over het gezag te oordelen.
5.6.
Over artikel 15 van Pro de Uitvoeringswet overweegt de rechtbank het volgende. Uit de memorie van toelichting bij artikel 15 van Pro de Uitvoeringswet [2] volgt dat dit artikel in de wet is opgenomen om te voorkomen dat de ouder die het kind heeft ontvoerd of heeft vastgehouden onmiddellijk na de ontvoering een gezagsvoorziening te zijnen of haren gunste kan krijgen om de gedwongen teruggeleiding van het kind te voorkomen. Met dit artikel is beoogd dat, indien door de ontvoerende ouder een gezagsvoorziening wordt verzocht over een ontvoerd kind ten aanzien van wie een verzoek tot teruggeleiding is gedaan, de rechter de gezagsbeslissing aanhoudt totdat op het verzoek tot teruggeleiding is beslist. Aldus wordt getracht te voorkomen dat de ontvoerende ouder nog voor er over de teruggeleiding is beslist een voor hem gunstige beslissing inzake het gezagsrecht verkrijgt. Deze situatie doet
zich niet voor ten aanzien van het gezagsverzoek van de vader, omdat hij niet de ontvoerende ouder is. Artikel 15 van Pro de Uitvoeringswet is dan ook niet van toepassing op zijn verzoek met betrekking tot het gezag.
5.7.
Dit alles brengt mee dat deze rechtbank bevoegd is over het gezag te oordelen en er geen grond is voor aanhouding van een beslissing hierover. De rechtbank zal dus overgaan tot een inhoudelijke beoordeling.
De inhoudelijke beoordeling
-
Het gelasten van deskundigenonderzoek en benoeming bijzondere curator
5.8.
De rechtbank wijst het (primaire) verzoek van de moeder over het benoemen van een deskundige en het laten verrichten van deskundigenonderzoek (met gebruik van de MASIC-methode) af. Ook het (subsidiaire) verzoek tot benoeming van een bijzondere curator voor [het kind] wijst de rechtbank af. De rechtbank legt deze beslissingen hierna uit.
5.9.
Uit artikel 810a Rv volgt dat de rechter alleen in procedures die betrekking hebben op kinderbeschermingsmaatregelen - en waarin dus geen sprake is van ‘equality of arms’ - in beginsel verplicht is om op verzoek van een ouder een deskundige te benoemen, waarbij de kosten daarvan op grond van het derde lid van artikel 810a Rv (deels) ten laste van de Staat komen. In dit geval is geen sprake van een dergelijke procedure, zodat de rechtbank - anders dan moeder stelt - niet is gehouden tot het benoemen van een deskundige en het gelasten van onderzoek door die deskundige.
5.10.
Daarnaast ziet de rechtbank geen aanleiding voor een nieuw onderzoek. De Raad heeft in opdracht van de rechtbank een onderzoek verricht naar de vragen die zijn gesteld in de beschikking van 8 mei 2025. Daarnaast heeft de Raad onderzoek gedaan naar de vraag of een kinderbeschermingsmaatregel noodzakelijk is. De rechtbank volgt de moeder niet in haar stelling dat de Raad ondeugdelijk onderzoek heeft verricht door geen rekening te houden met het door haar naar voren gebrachte huiselijk geweld, geen invulling te geven aan het contact tussen haar en [het kind] en door geen rekening te houden met de achterstand en de zorgen over de ontwikkeling van [het kind] . Ook volgt de rechtbank de moeder niet in haar stelling dat de Raad alles wat zij in dat kader naar voren heeft gebracht heeft genegeerd. De rechtbank constateert dat de Raad voor het raadsonderzoek de beschikbare informatie van de vader en de moeder heeft ontvangen en tijdens het raadsonderzoek (verdere) informatie heeft vergaard bij verschillende informanten uit het professionele en/of sociale netwerk van de ouders. Allebei de ouders, de (eerder) bij hen betrokken hulpverleners en een vriendin van de moeder zijn door de Raad gesproken. Ook de logopediste van [het kind] in Turkije en de huisarts van [het kind] in Nederland zijn bij het onderzoek betrokken. Daarnaast heeft de Raad geprobeerd om in contact te komen met de ontwikkelingsspecialist die in Turkije bij [het kind] is betrokken, maar dat is na vier pogingen (zowel telefonisch als via de email) niet gelukt. Verder bevatten de bijlagen bij het raadsrapport vier schriftelijke reacties van de moeder op gespreksweergaves, het conceptrapport en het raadsadvies waarin zij onderwerpen naar voren heeft gebracht. De Raad heeft dus wel degelijk informatie ontvangen over de ontwikkeling van [het kind] en heeft dit ook meegenomen in het onderzoek. Dat de Raad in het raadsrapport nog niet heeft geadviseerd over een zorg-/omgangsregeling tussen de moeder en [het kind] , maakt niet dat op een ondeugdelijke wijze onderzoek is verricht. Te meer nu de Raad in het raadsrapport en tijdens de zitting heeft gemotiveerd waarom zij de rechtbank over dat onderwerp nog niet kan adviseren en daarbij heeft aangegeven daar, op het moment dat [het kind] in Nederland verblijft, (opnieuw) onderzoek naar te kunnen doen. Verder beschrijft de Raad in het raadsrapport dat er in de thuissituatie van [het kind] sprake is geweest van huiselijk geweld en dat dit mogelijk gevolgen voor [het kind] heeft, waaruit de rechtbank - samen met wat zij hierna overweegt - concludeert dat er in het onderzoek aandacht voor dit onderwerp is geweest.
5.11.
Dat de Raad de MASIC-methode niet heeft toepast maakt naar het oordeel van de rechtbank ook niet dat sprake is van ondeugdelijk onderzoek door de Raad. De rechtbank heeft de Raad bij beschikking van 8 mei 2025 verzocht om onderzoek te doen, waarbij aan de Raad is meegegeven dat intieme terreur een onderwerp is dat tussen de ouders speelt en dat de standpunten van de ouders daarover sterk uiteenlopen. Ook heeft de rechtbank in die beschikking overwogen dat er bij de Raad voldoende kennis en ervaring aanwezig is over intieme terreur en dat de Raad, indien nodig, expertise van buitenaf kan inschakelen. In het raadsrapport en tijdens de zitting heeft de Raad toegelicht dat er na multidisciplinair overleg is besloten om in het onderzoek geen gebruik te maken van de MASIC-methode. Ter onderbouwing licht de Raad toe dat die methode een indicatie geeft of er mogelijk sprake is geweest van intieme terreur, maar dat het geen middel is om daadwerkelijk vast te kunnen stellen of er intieme terreur heeft plaatsgevonden. Wel blijkt dat de Raad in het onderzoek aandacht heeft gehad voor de partnerrelatie en het onderwerp intieme terreur. De ouders zijn bevraagd over hun relatie, of zij partnergeweld hebben ervaren, wat er volgens hen concreet is gebeurd, wat het effect op hen is geweest en wat er nodig is om het vertrouwen in de ex-partnerrelatie en ouderrelatie te herstellen. In dat kader overweegt de rechtbank opnieuw dat de Raad over voldoende deskundigheid beschikt om goed in te schatten of er - indien dat naar aanleiding van de gestelde vragen nodig was gebleken - verder onderzoek naar het onderwerp intieme terreur moest plaatsvinden.
5.12.
Daarnaast overweegt de rechtbank dat in de kern als uitgangspunt voor (signalen die wijzen op) intieme terreur geldt dat er binnen de relatie sprake was van ongelijkheid in de onderlinge machtsverhouding en van een patroon van controle en dwang van één partner naar de andere partner. De ouders beschuldigen elkaar echter over en weer van controlerend gedrag en ander gedrag dat samenhangt met intieme terreur. Zij onderbouwen dit ook over en weer met meerdere voorbeelden. Op basis van deze informatie en overige gegevens uit de stukken stelt de rechtbank vast dat er een patroon zichtbaar was waarbij beide ouders elkaar in steeds heftiger vorm controleren. Van signalen die erop zouden duiden dat er sprake is van een ongelijkwaardige machtsverhouding en een patroon van controle en dwang van een van de ouders naar de andere is - voor zover de rechtbank daarover kan oordelen – geen sprake (geweest). Wel is het de rechtbank duidelijk geworden dat in de relatie sprake is van veel strijd en discussie tussen de ouders en dat dit een onveilige en gespannen thuissituatie heeft veroorzaakt. Maar dat is niet hetzelfde als intieme terreur.
5.13.
Onder verwijzing naar wat hiervoor is overwogen, is er naar het oordeel van de rechtbank bovendien geen aanleiding voor het benoemen van een bijzonder curator voor [het kind] .
-
Het gezag en de hoofdverblijfplaats
5.14.
De rechtbank wijst het verzoek van de vader toe om het gezamenlijk gezag van de ouders te beëindigen en de vader met het eenhoofdig gezag over [het kind] te belasten. Zij legt deze beslissing hierna uit.
5.15.
Op grond van artikel 1:253n van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kan de rechtbank op verzoek van de niet met elkaar gehuwde ouders of een van hen het gezamenlijk gezag beëindigen, als de omstandigheden zijn gewijzigd of bij het nemen van een eerdere beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. In dat geval bepaalt de rechtbank aan wie van de ouders voortaan het gezag over de minderjarige toekomt. Artikel 1:251a lid 1 en 3 BW zijn van overeenkomstige toepassing.
5.16.
Tussen de ouders is niet in geschil dat er een wijziging van omstandigheden is opgetreden, zodat de ouders ontvankelijk zijn in hun verzoeken over het gezag.
5.17.
De rechter kan het verzoek tot beëindiging van het gezamenlijk gezag op grond van artikel 1:251a BW toewijzen als er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren raakt tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering komt, of als wijziging van het gezag om andere redenen in het belang van het kind noodzakelijk is.
5.18.
Uit de overgelegde stukken en wat is besproken tijdens de zitting blijkt dat sprake is van een situatie waarin er een onaanvaardbaar risico is dat [het kind] bij instandhouding van het gezamenlijk gezag klem of verloren raakt tussen de ouders. De moeder is in de periode van 27 december 2024 tot 3 januari 2025 met toestemming van de vader samen met [het kind] naar Turkije gereisd om bij haar ouders te verblijven. De moeder is echter tegen de afspraken in na 3 januari 2025 niet teruggekeerd uit Turkije en verblijft tot op heden – ook zonder toestemming van de vader – met [het kind] in Turkije. Hierdoor kan de voorlopige zorgregeling [3] niet uitgevoerd worden. Inmiddels is bovendien duidelijk geworden dat de moeder met [het kind] in Turkije wil blijven wonen en niet van plan is om terug te keren naar Nederland. [het kind] heeft hierdoor al ruim een jaar geen fysiek contact met de vader gehad, op twee omgangsmomenten in december 2025 na toen de vader voor de teruggeleidingsprocedure in Turkije was. De eenzijdige keuze van de moeder om niet terug te keren naar Nederland en op grote afstand van de vader te gaan wonen, zorgt ervoor dat [het kind] geen kans krijgt om tijd met haar vader door te brengen en om een band met hem op te bouwen. Er is in de huidige situatie in het geheel geen zicht op toekomstig fysiek contact tussen [het kind] en de vader. Het huidige dagelijkse videobellen weegt niet op tegen het hebben van fysiek contact. Daar komt nog bij dat uit het raadrapport blijkt dat [het kind] tijdens het videobelcontact fors wordt overvraagd door de spanningen die tussen de ouders bestaan tijdens deze belmomenten. Dit maakt dat contactverlies tussen [het kind] en de vader dreigt in zowel de situatie van instandhouding van het gezamenlijk gezag als de situatie waarin de moeder met het eenhoofdig gezag zou worden belast. Dat is niet in het belang van [het kind] . Daarbij komt dat [het kind] een achterstand heeft opgelopen in haar taal- en spraakontwikkeling. Daarover bestaat geen discussie tussen de ouders. Wel verschillen zij van mening over de oorzaak van deze achterstand. De moeder lijkt met name te kijken naar oorzaken die voortkomen uit kindeigen problematiek zoals een autismespectrumstoornis, terwijl de vader zich zorgen maakt over de invloed van het plotseling weghalen van [het kind] uit haar vertrouwde omgeving. De vader heeft tijdens de zitting toegelicht dat uit de verslagen van de Denver-onderzoeken in Turkije juist blijkt dat de achterstand van [het kind] in haar taal en spraak sinds haar verblijf in Turkije steeds groter is geworden. In het raadsrapport beschrijft de Raad dat voor zover er verder zorgelijke signalen bij [het kind] zichtbaar zouden zijn, zoals de moeder stelt, dit kan samenhangen met het feit dat [het kind] van de ene op de andere dag uit haar vertrouwde omgeving in Nederland is weggehaald. Overigens merkt de Raad op dat deze signalen niet objectief zijn vastgesteld door deskundigen. De rechtbank deelt de zorg van de Raad dat er op dit moment mogelijk niet adequaat wordt ingezet op de problematiek van [het kind] , omdat de onderzoeken die [het kind] op initiatief van de moeder ondergaat enkel gericht zijn op het vinden van een oorzaak die is gelegen in kindeigenproblematiek. Deze nadruk op het aanwijzen van signalen die mogelijk kunnen duiden op kindeigenproblematiek bij [het kind] en de nadruk op het steeds verder onderzoeken hiervan met als inzet het vaststellen van kindeigenproblematiek bij [het kind] is een patroon dat ook al zichtbaar was bij de moeder voor haar vertrek met [het kind] naar Turkije. Echter met dit verschil dat de vader in Nederland toestemming moest geven. In Turkije is de moeder in staat om ook zonder enige toestemming vele onderzoeken te laten uitvoeren. Als de moeder het gezag over [het kind] behoudt, is de zorg groot dat (mogelijk) niet adequaat wordt ingezet op de problematiek in de taal- en spraakontwikkeling van [het kind] , omdat er enkel naar factoren wordt gekeken die niet volgen uit de situatie waarin de moeder [het kind] heeft geplaatst. Een ander risico is dat [het kind] zonder noodzaak wordt blootgesteld aan onderzoeken.
5.19.
Ondanks dat de vader gezag heeft over [het kind] , betrekt de moeder hem niet bij [het kind] ’s ontwikkeling. Hij heeft op geen enkele manier invloed op de keuzes die de moeder maakt voor [het kind] . De moeder stelt in Turkije zelfs dat zij eenhoofdig gezag heeft, waardoor de vader ook niet betrokken hoeft te worden. Omdat de moeder niet met [het kind] terugkeert naar Nederland, is de onderlinge verhouding tussen de ouders verder ontwricht. De ouders verkeren in een patstelling, omdat de vader wil dat [het kind] naar Nederland terugkomt zodat hij een rol kan vervullen in haar dagelijkse verzorging en opvoeding en de moeder dat niet wil. Het lukt de ouders daardoor niet om op een constructieve manier met elkaar te communiceren en om samen beslissingen over [het kind] te nemen. Dat was ook al zo toen de moeder nog in Nederland was. De rechtbank is in die periode om vervangende toestemming gevraagd voor deelname van [het kind] aan het Rijksvaccinatieprogramma en voor verhuizing van de moeder en [het kind] naar [plaatsnaam] in december 2024. Ook hebben allebei de ouders zorgen over de manier waarop de andere ouder vorm geeft aan de verzorging en opvoeding van [het kind] . Er is een grote mate van wantrouwen en dat neemt steeds verder toe nu de moeder niet met [het kind] terugkeert uit Turkije. Daar komt bij dat de ouders elkaar allebei beschuldigen van gebeurtenissen die volgens hen beiden moeten worden gekwalificeerd als intieme terreur. Ook blijkt dat de moeder de vader niet, althans onvoldoende, betrekt bij en informeert over gezagsbeslissingen over [het kind] die zij in Turkije neemt. De vader kan in de huidige situatie op geen enkele wijze invloed uitoefenen op de verzorging en opvoeding van [het kind] en de te nemen gezagsbeslissingen. Ondertussen lopen er zowel in Nederland als in Turkije verschillende juridische procedures die de onderlinge verhoudingen steeds verder op scherp zetten. Ook het contact tussen de vader en [het kind] via videobellen leidt tot conflicten tussen de ouders, omdat zij elkaar allebei verdenken van het maken van opnames. [het kind] zal deze spanningen logischerwijs voelen en naarmate zij ouder wordt zal zij dit alleen maar meer bewust meekrijgen. Met de Raad is de rechtbank van oordeel dat de basis voor gezamenlijk gezag ontbreekt en dat in de huidige situatie van een behoorlijke gezagsuitoefening door beide ouders geen sprake is. De rechtbank verwacht ook niet dat er binnen afzienbare tijd voldoende verbetering komt gelet op de juridische procedures die nog lopen.
5.20.
Gelet op het voorgaande, in samenhang met het feit dat aan de zijde van de vader tijdens het raadsonderzoek geen zorgen naar voren zijn gekomen over de wijze waarop hij zijn gezag uitoefent, vindt de rechtbank het belasten van de vader met het eenhoofdig gezag het meest in het belang van [het kind] . Omdat de vader wordt belast met het eenhoofdig gezag, komt de rechtbank niet meer toe aan een beslissing over de hoofdverblijfplaats van [het kind] . Deze is dan logischerwijs bij de vader. Hoewel de rechtbank begrijpt dat het voor [het kind] ingrijpend zal zijn om weer naar Nederland terug te keren en dan weer bij de vader te gaan verblijven, is gebleken dat de vader daar oog voor heeft en bereid is om hulpverlening te accepteren om [het kind] hierin te begeleiden. Bovendien is het van belang dat [het kind] de nodige hulpverlening voor haar taal-/spraakachterstand, zoals logopedie, ook in Nederland kan krijgen. De rechtbank vertrouwt erop dat de vader dat ook voor haar zal inzetten.
-
De omgang tussen de moeder en [het kind] en het videobelcontact met de vader
5.21.
Omdat de vader met het eenhoofdig gezag over [het kind] wordt belast, worden de verzoeken van de ouders over de omgang en het videobelcontact met [het kind] getoetst aan artikel 1:377e BW en wordt er verder worden gesproken over een “omgangsregeling” en niet over een “zorgregeling”.
5.22.
De rechtbank wijst het verzoek van de vader over de (begeleide) omgang tussen de moeder en [het kind] toe, waarbij zij bepaalt dat de omgang ingaat vanaf het moment dat [het kind] is teruggekeerd in Nederland en de omgangsmomenten (dus) in Nederland plaatsvinden. Ook legt de rechtbank een regeling vast voor de videobelmomenten tussen de vader en [het kind] voor de periode dat [het kind] nog in Turkije verblijft. De rechtbank legt deze beslissingen hierna uit.
5.23.
Op grond van artikel 1:377a BW heeft een kind recht op omgang met zijn ouders en met degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot hem staat. De niet met het gezag belaste ouder heeft het recht op en de verplichting tot omgang met zijn kind. De rechter stelt op verzoek van de ouders of van een van hen, al dan niet voor bepaalde tijd, een regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht vast.
5.24.
Hoewel het voor de rechtbank niet duidelijk is of de moeder ook zelf zal terugkeren naar Nederland als [het kind] is teruggekeerd in Nederland, vindt de rechtbank het belangrijk om in ieder geval een regeling voor de omgang tussen de moeder en [het kind] vast te stellen. De moeder heeft inhoudelijk ook geen verweer gevoerd tegen dit verzoek van de vader. De moeder is, net als de vader, een primair hechtingsfiguur van [het kind] en het is van belang dat zij ook in Nederland een rol blijft vervullen bij haar verzorging en opvoeding. Omdat er sprake is van een groot wantrouwen tussen de ouders is de rechtbank het met de vader eens dat de omgang onder begeleiding van een professionele instantie dient plaats te vinden. De begeleidende instantie bepaalt de frequentie en duur van het contact. De Raad streeft, zoals blijkt uit het raadsrapport, het liefst naar een evenredige verdeling van de zorg- en opvoedingstaken. Dit stelt een kind namelijk in de gelegenheid om met beide ouders een gelijkwaardige relatie op te bouwen en doet een zo’n klein mogelijk beroep op de loyaliteit van een kind. De rechtbank gunt dit [het kind] ook, zodat zij zal bepalen dat dit het uitgangspunt moet zijn als de moeder terug naar Nederland komt en de omgang in Nederland start.
5.25.
De moeder stelt zich op het standpunt dat zij geen verblijfsstatus in Nederland meer heeft, zodat reizen naar Nederland en verblijven in Nederland voor haar niet mogelijk is. Uit productie 15 van mr. Vullings, zoals overgelegd op 28 januari 2026, blijkt echter dat de moeder in Nederland een verblijfsrecht heeft op basis waarvan zij in Nederland mag wonen en werken en op basis waarvan zij naar Nederland kan terugkeren. Ook stelt de vader dat de moeder over een verblijfsvergunning beschikt, geldig tot - in ieder geval - 13 februari 2027. Dit is door de moeder niet onderbouwd weersproken. De moeder en [het kind] staan in de Basisregistratie Personen allebei nog ingeschreven in Nederland op het adres van de vader. De rechtbank gaat er daarom van uit dat de moeder de mogelijkheid heeft om naar Nederland te komen en om in Nederland te verblijven, zodat de omgangsregeling met [het kind] in de praktijk ook kan worden uitgevoerd. De moeder heeft tijdens de zitting gesteld dat zij grote gevoelens van onveiligheid ervaart jegens de vader waardoor zij niet naar Nederland wil terugkeren. De rechtbank stelt vast dat er veel is gebeurd tussen de ouders, maar het is de rechtbank niet gebleken dat er een verhoogd, specifiek veiligheidsrisico voor de moeder is als zij naar Nederland komt. Daarbij komt dat de vader tijdens de zitting heeft toegelicht dat hij de rol van de moeder in het leven van [het kind] belangrijk vindt en dat hij ook wil meewerken aan wat er nodig is om de omgang tussen de moeder en [het kind] op een verantwoorde en veilige manier mogelijk te maken. Ook uit het raadsonderzoek komt naar voren dat de vader belang hecht aan het contact tussen de moeder en [het kind] en dat hij er alles aan wil doen om dit tot stand te brengen. Het is aan de moeder om het belang van [het kind] voorop te stellen en passende hulpverlening in te schakelen om aan haar gevoelens van onveiligheid te werken. De rechtbank spreekt de hoop uit dat [het kind] in de toekomst de kans krijgt om op een fijne manier met allebei haar ouders in Nederland op te groeien en dat de beide ouders zich daarvoor gaan inzetten.
5.26.
Ondanks dat duidelijk is dat het huidige videobelcontact met de vader spanningen meebrengt voor [het kind] , vindt de rechtbank het belangrijk dat het videobelcontact tussen de vader en [het kind] tot de daadwerkelijke terugkeer van [het kind] naar Nederland door blijft gaan. Het belang van [het kind] bij het onderhouden van contact met de vader is groot. Dit geldt nog sterker nu hij alleen met het gezag wordt belast. De vader en [het kind] videobellen op dit moment dagelijks vijftien minuten, zodat de rechtbank deze frequentie en duur ook zal vastleggen. Met de Raad vindt de rechtbank het verder wenselijk dat de videobelmomenten gaan plaatsvinden onder de begeleiding van een professionele hulpverlener. Een professionele hulpverlener kan het welzijn van [het kind] tijdens de videobelmomenten monitoren en zal, naar de rechtbank hoopt, bijdragen aan het verminderen van de spanningen tussen de ouders. De ouders kunnen zich tot het wijkteam van de gemeente [woonplaats] wenden en daar om passende ondersteuning vragen. Totdat er begeleiding beschikbaar is, dienen de contacten onbegeleid voortgezet te worden. Dit geldt ook voor de momenten waarop er geen begeleider beschikbaar is nadat die is gestart. De rechtbank wijst het verzoek van de moeder over het videobelcontact af, omdat de rechtbank geen aanleiding ziet om het huidige, dagelijkse videobelcontact terug te brengen naar (ten minste) drie keer per week zoals de moeder heeft verzocht.
-
De overige verzoeken van de moeder
5.27.
Gelet op wat onder 5.14. tot en met 5.26. is overwogen, komt de rechtbank niet meer toe aan een (verdere) inhoudelijke beoordeling van de verzoeken van de moeder over (wijziging van) de voorlopige voorziening ex artikel 223 Rv Pro, het gezag, de hoofdverblijfplaats, vervangende toestemming voor verhuizing en de kinderalimentatie. Deze overige verzoeken van de moeder wijst de rechtbank af, gelet op haar beslissingen.
De proceskosten
5.28.
Gelet op de (familie)relatie tussen partijen bepaalt de rechtbank dat iedere partij de eigen proceskosten betaalt.

6.De beslissing

De rechtbank
in de bodemprocedure
6.1.
beëindigt het gezamenlijk gezag van de ouders en bepaalt dat het gezag over [naam kind] , geboren op [geboortedatum] in [geboorteplaats] wordt uitgeoefend door de vader;
6.2.
stelt vast als omgangsregeling dat [het kind] en de moeder, vanaf het moment dat [het kind] is teruggekeerd in Nederland, begeleide omgang hebben bij een professionele instantie, waarbij geldt dat die instantie de frequentie en duur van de omgangsmomenten bepaalt en de omgangsmomenten in Nederland plaatsvinden en waarbij het uitgangspunt is dat wordt toegewerkt naar een evenredige verdeling van de zorg en opvoedingstaken tussen de ouders;
6.3.
stelt vast dat de vader en [het kind] , zolang [het kind] nog in Turkije verblijft, dagelijks voor de duur van (minimaal) vijftien minuten met elkaar videobellen om 17:00 uur Nederlandse tijd, zoveel als mogelijk onder begeleiding van een professionele instantie;
6.4.
verklaart de onder 6.1., 6.2. en 6.3. genoemde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad;
6.5.
bepaalt dat iedere partij de eigen kosten betaalt;
6.6.
wijst de overige verzoeken af;
in de voorlopige voorziening
6.7.
wijst de verzoeken van de moeder af.
Deze beschikking is gegeven door mr. C.M. Koopman, (kinder)rechter, als voorzitter, en mr. dr. drs. E.L. de Jongh en mr. J.P. Mesman, kinderrechters en in tegenwoordigheid van mr. L. Weijsters als griffier en in het openbaar uitgesproken op 18 maart 2026.
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.

Voetnoten

1.Zie ook Hoge Raad 29 september 2023, ECLI:NL:HR:2023:1265.
2.Kamerstukken II 1987/88, 20462, nr. 3.
3.Vastgelegd bij beschikking van deze rechtbank van 24 januari 2025 en gewijzigd bij beschikking van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 11 november 2025.