Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2026:3392

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
30 april 2026
Publicatiedatum
29 april 2026
Zaaknummer
ARN 25/638
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.12 WaboArt. 2.14 WaboArt. 2.22 WaboArt. 3.2.1 planregelsArt. 3.4.1 planregels
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging omgevingsvergunning uitbreiding vleeskalverenhouderij wegens onbevoegde binnenplanse afwijking

De rechtbank Gelderland heeft op 30 april 2026 uitspraak gedaan in een bestuursrechtelijke zaak over een omgevingsvergunning die het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Ede had verleend voor de uitbreiding van een vleeskalverenhouderij. Eiseres, een stichting die opkomt voor het leefmilieu, had beroep ingesteld tegen deze vergunning.

De kern van het geschil betrof de bevoegdheid van het college om met een binnenplanse afwijkingsbevoegdheid af te wijken van het bestemmingsplan, met name de functieaanduiding 'intensieve veehouderij'. De rechtbank oordeelde dat het college weliswaar bevoegd was om af te wijken van het bouwvlak, maar niet om de functieaanduiding intensieve veehouderij te wijzigen. Deze bevoegdheid ontbrak in de planregels, waardoor het besluit onrechtmatig was.

Daarnaast werden diverse andere beroepsgronden behandeld, zoals de toepassing van het relativiteitsvereiste, milieueffectrapportage, ammoniakemissies, geurbelasting en natuurwaarden. Deze werden door de rechtbank grotendeels verworpen. De rechtbank vernietigde het bestreden besluit en droeg het college op een nieuw besluit te nemen. Tevens werd het college veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van eiseres.

Uitkomst: De rechtbank vernietigt de omgevingsvergunning wegens onbevoegde afwijking van de functieaanduiding intensieve veehouderij en draagt het college op een nieuw besluit te nemen.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 25/638
uitspraak van de enkelvoudige kamer van
in de zaak tussen
Stichting Milieuwerkgroepen Ede, uit Bennekom, eiseres
(gemachtigde: mr. M.T. Hoen)
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Ede, het college
(gemachtigde: H. Landeweerd).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel:
[derde-partij] V.O.F.uit [plaats] (de veehouderij)
(gemachtigde: mr. Tj. P. Grünbauer).
Partijen worden hierna genoemd: eiseres, het college en de veehouderij.
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over een omgevingsvergunning die het college heeft verleend aan de veehouderij. Eiseres is het niet eens met deze omgevingsvergunning. De rechtbank beoordeelt het beroep aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.
1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Eiseres krijgt dus gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Op 27 december 2024 heeft het college een omgevingsvergunning verleend aan de veehouderij voor het bouwen van een vleeskalverenstal. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen deze omgevingsvergunning. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.1. De rechtbank heeft het beroep op 2 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: namens eiseres [persoon A], [persoon B] en de gemachtigde, de gemachtigde van het college, [persoon C] en [persoon D] namens het college en namens de veehouderij [persoon E], [persoon F], de gemachtigde en [persoon G].
Beoordeling door de rechtbank

I. Totstandkoming van het bestreden besluit

3. De veehouderij exploiteert een vleeskalverenhouderij aan de [locatie] in [plaats]. Op 7 juli 2021 heeft de veehouderij bij het college een omgevingsvergunning aangevraagd voor de nieuwbouw van een vleeskalverenstal die is voorzien van een chemische luchtwasser (stal H) en voor een toename van het vergunde aantal vleeskalveren met 576 naar in totaal 1.772 stuks. De aangevraagde veebezetting ziet er als volgt uit:
De aanvraag ziet op de vergunningplichtige activiteiten ‘bouwen’, ‘strijdig gebruik’ en ‘milieu.’ [1]
3.1.
Op de aanvraag is de uitgebreide voorbereidingsprocedure [2] van toepassing. Het ontwerpbesluit om de vergunning te verlenen heeft vanaf 1 maart 2023 ter inzage gelegen. Eiseres is een stichting die, kort gezegd, opkomt voor de bescherming en verbetering van het leefmilieu in de gemeente Ede en heeft op 6 april 2023 een zienswijze ingediend op het ontwerpbesluit. Het college heeft de omgevingsvergunning op 27 december 2024 verleend.
Het toepasselijke recht
4. Op 1 januari 2024 is de Omgevingswet in werking getreden, maar in deze zaak geldt nog het oude recht omdat de aanvraag om de omgevingsvergunning vóór 1 januari 2024 is ingediend. [3]

III. De beroepsgronden

Opmerking vooraf
4.1.
De rechtbank heeft op 17 december 2025 [4] uitspraak gedaan in een vergelijkbare zaak tussen eiseres en het college over een omgevingsvergunning voor de uitbreiding van een andere kalverhouderij met nagenoeg identieke beroepsgronden. Het college en vergunninghouder zijn het niet eens met overweging 7 uit deze uitspraak waarin wordt ingegaan op de bevoegdheid van het college om toepassing te geven aan de binnenplanse afwijking van het bestemmingsplan [5] , die ook in deze zaak is toegepast. Het college heeft hier hoger beroep tegen ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) [6] en het hoger beroepschrift toegezonden met daarin de motivering waarom ze het niet eens zijn met de uitspraak.
Vergunninghouder heeft daarnaast op de zitting aangevoerd dat volgens haar het relativiteitsvereiste aan inhoudelijke behandeling in de weg staat van deze beroepsgrond gelet op de statutaire doelstelling van eiseres. De andere uitspraak is daarom volgens vergunninghouder ook in zoverre onjuist.
De rechtbank zal hierna eerst op het relativiteitsvereiste ingaan. Daarna zal de rechtbank onder “strijdig gebruik” ingaan op het standpunt van het college over de toepassing van de binnenplanse afwijking van het bestemmingsplan.
Relativiteit
4.2.
Het relativiteitsvereiste houdt in dat de bestuursrechter een besluit niet vernietigt op grond van een rechtsregel die kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept. [7]
4.2.1.
Eiseres is een rechtspersoon die volgens haar statuten onder andere opkomt voor de belangen van
“het bevorderen van alle aktiviteiten en maatregelen die dienen ter bescherming en verbetering van het leefmilieu in de ruimste zin, in eerste instantie gericht op het gebied van de gemeente Ede”en
“het bestrijden van alle aantastingen van het leefmilieu in de gemeente Ede en voor zoveel nodig of wenselijk haar omgeving; met name ook die aantastingen welke veroorzaakt worden door lawaai, lucht-, water- en bodemverontreiniging.” [8]
4.2.2.
De rechtbank is van oordeel dat het relativiteitsvereiste niet aan eiseres kan worden tegengeworpen, omdat zij zich beroept op de norm van een goede ruimtelijke ordening [9] en deze norm strekt tot bescherming van een veelheid van ruimtelijk relevante belangen, zoals het belang van individuele eisers bij het behoud en/of herstel van een goed leef-, woon- werk en ondernemingsklimaat, maar ook algemene belangen. [10] De belangen waarvoor eiseres volgens haar statuten opkomt, te weten de bescherming van en het bestrijden van aantasting van het leefmilieu in de gemeente Ede, vallen daar naar het oordeel van de rechtbank onder. Dat in de statuten het woord “leefmilieu” staat en niet “goede ruimtelijke ordening”, zoals vergunninghouder op de zitting heeft aangegeven, maakt het voorgaande niet anders. Een stichting die opkomt voor het leefmilieu kan zich beroepen op de norm van een goede ruimtelijke ordening uit 2.12 van de Wabo, en overigens ook op de norm uit artikel 2.14 van de Wabo (de gevolgen voor het milieu).
Dat betekent dat de rechtbank de beroepsgronden inhoudelijk zal beoordelen.
1. Strijdig gebruik
De vergunde afwijking
5. Met de omgevingsvergunning is afgeweken van het bestemmingsplan Agrarisch Buitengebied Ede 2012. [11] Op grond van dit bestemmingsplan heeft de veehouderij de bestemming ‘Agrarisch’ met een bouwvlak dat samenvalt met een functieaanduidingen “intensieve veehouderij” en “specifieke vorm van agrarisch – agrarisch bedrijf groot”. De functieaanduiding “intensieve veehouderij” maakt het mogelijk dat naast een grondgebonden agrarisch bedrijf ook een intensieve veehouderij [12] als hoofdtak is toegestaan (artikel 3.1, onder b, van de planregels).
Op grond van artikel 3.2.1, onder a, van de planregels zijn bouwwerken alleen binnen het bouwvlak toegestaan. Omdat de nieuwe stal deels buiten het bouwvlak is gesitueerd is het bouwplan op dit punt in strijd met het bestemmingsplan. Het college is op dit punt afgeweken van het bestemmingsplan met toepassing van artikel 3.4.1 van de planregels.
Op grond van artikel 3.2.1, onder d, van de planregels mag de totale oppervlakte aan gebouwen en overkapping per bouwvlak ter plaatse van de aanduiding “specifieke vorm van agrarisch – agrarisch bedrijf groot” maximaal 5.000 m² bedragen. Omdat door de nieuwe stal deze oppervlakte wordt overschreden is het bouwplan ook op dit punt in strijd met het bestemmingsplan. Het college is op dit punt afgeweken van het bestemmingsplan met toepassing van artikel 3.4.8 van de planregels.
Afwijking van functieaanduiding “intensieve veehouderij”?
6. Eiseres stelt dat het vergunde plan niet alleen deels buiten het bouwvlak, maar ook deels buiten de functieaanduiding “intensieve veehouderij” ligt, terwijl daar geen vergunning voor is verleend. Dit betekent volgens eiseres dat de nieuw te bouwen stal voor dat deel niet gebruikt mag worden als vleeskalverenstal. Het college had de aanvraag om die reden moeten afwijzen, althans voor het aangevraagde plan een procedure buitenplanse afwijking of bestemmingsplanwijziging moeten toepassen.
De afwijking van het bestemmingsplan
6.1.
Een binnenplanse afwijking kan alleen worden verleend als de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en met toepassing van de in het bestemmingsplan opgenomen regels inzake afwijking. [13] In dit geval heeft de gemeenteraad bij het opstellen van het bestemmingsplan bepaald dat het college op grond van artikel 3.4.1 van de planregels met de volgende binnenplanse afwijkingsbevoegdheid van het bestemmingsplan kan afwijken:
3.4.1
Overschrijding van het bouwvlak
Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in lid 3.2.1 onder a voor het bouwen van een gebouw dat de grenzen van het bouwvlak overschrijdt, met inachtneming van de volgende bepalingen:
a.
de overschrijding is alleen toelaatbaar voor zover plaatsing in het bouwvlak niet mogelijk of niet doelmatig is;
b.
de overschrijding mag niet meer bedragen dan 5 meter;
c.
het overschrijden van het bouwvlak mag niet leiden tot onevenredige aantasting van de gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van de naastgelegen percelen;
d.
er is sprake van een zorgvuldige landschappelijke inpassing op basis van een landschapsinpassingsplan.
6.2.
Vast staat dat de veehouderij een intensieve veehouderij is, dat de stal buiten deze functieaanduiding wordt gerealiseerd en dat afwijking van de functieaanduiding “intensieve veehouderij” niet in artikel 3.4.1 wordt omschreven. Het toestaan van de uitbreiding van een intensieve veehouderij valt dus niet binnen de reikwijdte van de binnenplanse afwijkingsbevoegdheid van artikel 3.4.1 van de planregels. Die afwijkingsbevoegdheid geldt alleen voor een afwijking voor het bouwen buiten het bouwvlak voor grondgebonden veehouderijen en bevat geen uitdrukkelijke mogelijkheid om ook de uitbreiding van een intensieve veehouderij te vergunnen. Artikel 3.4.1 is ook opgenomen onder “afwijking van de bouwregels” en niet onder “afwijking van de gebruiksregels”. Het college was naar het oordeel van de rechtbank dus niet bevoegd om op basis van deze afwijkingsbevoegdheid een uitbreiding van de intensieve veehouderij buiten de functieaanduiding toe te staan.
6.3.
Het standpunt van het college dat de afwijkingsmogelijkheid om het bouwvlak te vergroten anders zinledig zou worden omdat het bouwvlak strak om de functieaanduiding “intensieve veehouderij” is gelegd, volgt de rechtbank niet. De gronden buiten het bouwvlak zouden in dit geval met toepassing van artikel 3.4.1 in overeenstemming met de agrarische bestemming mogen worden bebouwd. Voor grondgebonden agrarische bedrijven kan dus nog steeds toepassing worden gegeven aan de binnenplanse afwijking, maar voor niet-grondgebonden agrarische bedrijven (intensieve veehouderijen) dus niet.
Dat het standpunt van het college vaste praktijk is, maakt niet dat die praktijk juridisch ook juist is. Het college heeft dus niet onderkend dat naast een toestemming voor de afwijking van het bouwvlak óók toestemming voor de afwijking van de functieaanduiding intensieve veehouderij was vereist. Deze binnenplanse bevoegdheid voorziet daar niet in.
Over het aanvullende standpunt van het college dat het de bedoeling van de planwetgever is om met deze afwijking ook de uitbreiding van intensieve veehouderijen te vergunnen, en dat de bepaling in samenhang met de plansystematiek en de toelichting bij het bestemmingsplan moet worden bezien [14] overweegt de rechtbank dat de aangehaalde jurisprudentie ziet op de uitleg van planregels. In het voorliggende geval gaat het echter niet over de uitleg van een planregel, maar over de toepassing van een binnenplanse afwijkingsbevoegdheid. In dat geval gaat de door het college genoemde jurisprudentie niet op, maar dient te worden gekeken naar de letterlijke tekst van de bepaling. De rechtbank verwijst daarvoor naar overweging 3.2 uit de uitspraak van de Afdeling van 19 september 2018. [15] Omdat de toepasselijkheid van de binnenplanse afwijking de voorbereidingsprocedure bepaalt (regulier of uitgebreid) én de bevoegdheid van het college (bij toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3o van de Wabo kan een VVGB van de gemeenteraad vereist zijn), ziet de rechtbank ook geen aanleiding om af te wijken van deze jurisprudentie. Omdat de systematiek van de planregels en de toelichting niet van belang zijn, laat de rechtbank wat het college daarover heeft aangevoerd buiten beschouwing.
De rechtbank ziet dus geen aanleiding om anders te oordelen dan in de uitspraak van 17 december 2025.
6.4.
De beroepsgrond slaagt. De rechtbank gaat in de conclusie in op de gevolgen daarvan. De rechtbank zal hierna de andere beroepsgronden beoordelen in het kader van finale geschillenbeslechting.
De binnenplanse afwijkingsvoorwaarden
Afwijking van het bouwvlak (artikel 3.4.1 van de planregels)
7. Eiseres betoogt dat niet is voldaan aan de voorwaarden voor overschrijding van het bouwvlak zoals opgesomd in artikel 3.4.1 van de planregels.
Met betrekking tot voorwaarde a voert eiseres aan dat er een motivering ontbreekt waarom plaatsing in het bouwvlak niet mogelijk of niet doelmatig is.
Met betrekking tot voorwaarde b voert eiseres aan dat niet is onderbouwd dat het bouwvlak niet met meer dan 5 meter wordt overschreden.
Met betrekking tot voorwaarde c voert eiseres aan dat niet is gemotiveerd dat de afwijking niet leidt tot een onevenredige aantasting van de gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende percelen.
Met betrekking tot voorwaarde d voert eiseres aan dat er geen sprake kan zijn van een zorgvuldige landschappelijke inpassing van een illegale stal buiten de functieaanduiding “intensieve veehouderij”.
7.1.
Het college heeft in de omgevingsvergunning het volgende overwogen over de toepassingsvoorwaarden:
“De gevraagde nieuwbouw is deels buiten het bouwvlak gesitueerd. Het bestaande bouwvlak wordt met niet meer dan 5 meter overschreden. De afwijkende situering van de nieuwbouw is noodzakelijk voor een efficiënte bedrijfsvoering en er zijn vanwege de reeds aanwezige bebouwing geen realistische alternatieven voorhanden. De nieuwbouw is op verantwoorde wijze in de omgeving ingepast. Aan deze vergunning zijn de noodzakelijke voorschriften verbonden waarmee de aanleg en duurzame instandhouding van dit inrichtingsplan zijn geborgd.
Er is in totaal 5000 m2 aan agrarische bedrijfsbebouwing toegestaan. Na de realisering van de nieuwe stal zal er circa 5500 m2 aanwezig zijn. Het betreft een relatief kleine overschrijding van 10% die noodzakelijk is voor een toekomstbestendige ontwikkeling van het bedrijf. Zoals hierboven reeds aangegeven wordt de nieuwbouw op een goede manier in het landschap ingepast. Vergunning is mogelijk op basis van artikel 3.4.5 van het bestemmingsplan.
Het toestaan van deze afwijkingen leidt niet tot een onevenredige aantasting van de gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende percelen. Daarom kunnen wij u op grond van artikel 2.12 lid 1 onder a sub 1 van de Wabo de gevraagde omgevingsvergunning verlenen.”
7.2.
De rechtbank stelt vast dat het college, zij het summier, is ingegaan op de toepassingsvoorwaarden in artikel 3.4.1. Eiseres heeft deze motivering niet betwist. De landschappelijke inpassing is bovendien geborgd in voorschrift 1.1 en 1.2.
De beroepsgrond slaagt niet.
Afwijking van de oppervlakte (artikel 3.4.8 van de planregels)
8. Eiseres betoogt dat met deze binnenplanse afwijking alleen een grotere oppervlakte aan gebouwen en overkappingen binnen het bouwvlak kan worden vergund, terwijl in dit geval de vergunde stal deels buiten het bouwvlak wordt gebouwd.
8.1.
Het college stelt zich op het standpunt dat het op basis van artikel 3.4.8 een omgevingsvergunning kan verlenen voor maximaal 6.500 m2 aan gebouwen en overkappingen binnen het bouwvlak en dat het op basis van artikel 3.4.1 vervolgens onder voorwaarden kan toestaan dat niet alle gebouwen en overkappingen binnen het bouwvlak worden gebouwd. Met het cumulatief toepassen van deze afwijkingsbevoegdheden kan dus, zo stelt het college, zowel worden toegestaan worden dat de oppervlakte aan gebouwen en overkappingen wordt vergroot én dat de uitbreiding voor een klein deel buiten het bouwvlak komt te staan.
8.2.
Artikel 3.4.8 luidt als volgt:
“Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in lid 3.2.1 onder d sub 1 en 2 voor het vergroten van de oppervlakte aan gebouwen en overkappingen binnen het bouwvlak ter plaatse van de aanduiding ‘reconstructiewetzone – verwevingsgebied’, met inachtneming van de volgende bepalingen:
ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch –agrarisch bedrijf middelgroot’ mag de totale oppervlakte aan gebouwen en overkappingen niet meer bedragen dan 3.250 m²;
ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch – agrarisch bedrijf groot’ mag de totale oppervlakte aan gebouwen en overkappingen niet meer bedragen dan 6.500 m²;
indien een bouwvlak gedeeltelijk is gelegen binnen de aanduiding 'reconstructiewetzone - extensiveringsgebied', kan de vergroting alleen plaatsvinden in het gedeelte met de aanduiding 'reconstructiewetzone - verwevingsgebied'. Daarbij wordt voor de berekening van de totale oppervlakte het gehele bouwvlak betrokken.
e levensvatbaarheid van het agrarisch bedrijf is aangetoond door middel van een bedrijfsplan;
r is sprake van een zorgvuldige landschappelijke inpassing op basis van een landschapsinpassingsplan;
het vergroten van de oppervlakte leidt niet tot onevenredige aantasting van de gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van de naastgelegen percelen;
ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - twee inrichtingen' wordt de resterende bouwruimte evenredig (50/50) verdeeld over de inrichtingen, tenzij de eigenaren een andere verdeling overeenkomen.”
8.3.
De toepassing van deze binnenplanse afwijking is beperkt tot het bouwvlak. Vast staat dat de uitbreiding van de gebouwen deels plaatsvindt buiten het bouwvlak. Deze binnenplanse bevoegdheid voorziet daar niet in. Dat artikel 3.4.1 een overschrijding van het bouwvlak toestaat maakt dat niet anders.
De beroepsgrond slaagt.
Aantasting natuurwaarden
9. Eiseres betoogt dat het college in het kader van de toets aan een goede ruimtelijke ordening nader onderzoek had moeten verrichten naar de gevolgen van de uitbreiding van de veehouderij op de natuurwaarden van het Natura 2000-gebied “Veluwe” door middel van een ecologische toets. Ook in de motivering van de omgevingsvergunning voor de activiteit “milieu”, waarnaar wordt verwezen, wordt op dit aspect niet nader ingegaan, aldus eiseres.
9.1.
Het is juist dat de aantasting van natuurwaarden een aspect is dat dient te worden beoordeeld in het kader van een goede ruimtelijke ordening. Uit de stukken die onderdeel uitmaken van de omgevingsvergunning blijkt dat het bedrijf op ruim 1,4 kilometer van de Veluwe ligt en dat de stikstofdepositie op de Veluwe fors afneemt. Deze afname heeft eiseres niet betwist. De rechtbank ziet gelet op deze afname niet in waarom het bouwplan zou leiden tot een aantasting van natuurwaarden en daarom in strijd zou zijn met een goede ruimtelijke ordening. De uitspraken van 18 december 2024 maken dit niet anders nu deze betrekking hebben op de natuurvergunning en niet op de omgevingsvergunning om af te wijken van het bestemmingsplan.
Voor zover eiseres heeft willen betogen dat vanwege deze gewijzigde jurisprudentie geen natuurvergunning kan worden verleend en dat de omgevingsvergunning daarom onuitvoerbaar is, overweegt de rechtbank dat dit niet op voorhand vast staat.
De beroepsgrond slaagt niet.
Milieu
Milieueffectrapport
10. Eiseres betoogt dat bij de beoordeling of de drempelwaarde uit categorie D 14 uit bijlage 1 bij het Besluit m.e.r. wordt overschreden moet worden gekeken naar het totaal aantal vergunde vleeskalveren (1.772 stuks) en niet naar de toename ten opzichte van de vergunde situatie. Dat betekent volgens eiseres dat er sprake is van een MER-beoordelingsplicht en niet van een vormvrije MER-beoordeling zoals het college die heeft verricht.
10.1.
Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen moet bij beantwoording van de vraag of de drempelwaarden wordt overschreden, gekeken worden naar de toename van het aantal dieren in vergelijking met de vergunde situatie. [16] Als die toename onder de drempelwaarde blijft, is het college niet verplicht om een MER te maken, ook niet als er net onder de drempelwaarde wordt gebleven. In dit geval blijft de toename onder de drempelwaarde, zodat er geen verplichting stond tot het opstellen van een milieueffectrapport. Verder merkt de rechtbank op dat in het m.e.r.-beoordelingsbesluit de te verwachten milieubelasting van de gehele inrichting in ogenschouw is genomen, en niet alleen gekeken is naar de milieubelasting van het toenemende aantal kalveren.
De beroepsgrond slaagt niet.
Ammoniak
11. Eiseres betwijfelt of aan de maximale emissie-eis van 2,5 kg NH₃/dier/jaar wordt voldaan omdat in de nieuwe stal H een luchtwasser wordt toegepast met emissiefactor 0,18 kg NH₃/dier/jaar. Volgens eiseres kan niet worden gegarandeerd dat de luchtwassers op de juiste manier worden gebruikt en onderhouden, waardoor het onzeker is of de emissiereductie zal worden gehaald. Eiseres verwijst hiervoor naar recente uitspraken over emissiearme stalsystemen. [17]
11.1.
De beroepsgrond slaagt niet. Eiseres heeft met de enkele stelling dat zij twijfelt aan de juistheid van de onderbouwing op dit punt geen begin van onderbouwing voor haar standpunt gegeven dat het systeem niet op de juiste manier zou worden gebruikt of onderhouden. De verwijzing naar de genoemde uitspraken is hiertoe onvoldoende omdat die uitspraken niet gaan over het type luchtwasser dat in deze zaak is vergund.
Geur
12. Eiseres voert aan dat een berekening van de voorgrondbelasting van geur kennelijk ontbreekt. De vergunning maakt hier ook geen melding van. Hierdoor is onbekend of de voorgrondbelasting al dan niet toeneemt ten opzichte van de vergunde situatie.
Daarnaast maakt de vergunning geen melding van extra maatregelen om de geurbelasting laag te houden, zoals een verhoging van uitstroom of verticale uitstroom.
Eiseres verwijst hiervoor naar uitspraken van de Afdeling [18] waarin het rapport van de Wageningen Universiteit van maart 2018 aan de orde komt. In dat onderzoek is geconcludeerd dat de geurreductie van gecombineerde luchtwassystemen in de praktijk veel lager is dan de reductie waarvan in de Regeling geurhinder en veehouderij is uitgegaan. Daarom is de Rgv op 20 juli 2018 ook gewijzigd. Deze vergunning is na die wijziging verleend. Er is niet gebleken dat de gewijzigde geuremissiefactoren zijn toegepast. In ieder geval is het college niet op dit punt ingegaan en is onduidelijk of bij de berekening van de geurbelasting is aangenomen dat de luchtwasser een lagere geurreductie heeft.
12.1.
De beroepsgrond mist feitelijke grondslag omdat er wel degelijk een geurberekening ten grondslag aan de milieuvergunning ligt waarin wordt geconcludeerd dat de maximaal toegestane geurbelasting niet wordt overschreden. Het college heeft toegelicht dat er hierom geen aanleiding is om (de door eiseres genoemde) maatregelen in de vergunning voor te schrijven. Verder geldt dat, nog daargelaten dat de door eiseres genoemde uitspraken zien op gecombineerde luchtwassystemen en het hier over chemische luchtwassystemen gaat, het college de aanvraag heeft getoetst aan de Wet geurhinder en veehouderij en de Regeling geurhinder en veehouderij en eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat daarbij is uitgegaan van verouderde regels.
Luchtkwaliteit
13. Eiseres voert aan dat ongemotiveerd wordt gesteld dat de aangevraagde situatie onder de drempel voor niet in betekenende mate (NIBM) van 1,2 µg/m³ fijnstof blijft. Hierdoor is er geen zekerheid dat de aanvraag daadwerkelijk onder die drempel blijft en had een verspreidingsberekening moeten worden uitgevoerd. Dit is ten onrechte niet gebeurd, temeer nu het een van de NIBM-uitzonderingsgebieden betreft en het college de vergunning heeft verleend ondanks de toename van fijnstof. Verder wijst eiseres op het rapport “2021-0018 Bijlage bevolkingsgewogen gemiddelden per gemeente” waaruit blijkt dat in de gemeente Ede fijnstof (PM10) uitkomt op 17,1 ten opzichte van het landelijke gemiddelde van 15,9. Eiseres wijst hierbij op de WHO-advieswaarde van 15,0.
13.1.
De beroepsgrond slaagt niet omdat het college in de vergunning heeft onderbouwd dat het aspect fijnstof niet in de weg staat aan verlening van de vergunning. Het college heeft in die onderbouwing toegelicht dat een verspreidingsberekening in dit geval niet nodig is omdat de toename blijft onder de drempel voor NIBM van 1,2 µg/m³ en dat weliswaar sprake is van een uitzonderingsgebied, maar dat dat niet betekent dat geen ontwikkelingen mogen plaatsvinden. Dat mag in dit geval namelijk wel omdat geen sprake is van een overschrijding van de ondergrens van 800 kilogram fijnstof per jaar en in de aangevraagde situatie sprake is van een totale fijnstof emissie van 48,55 kilogram. Dat uit een rapport, zonder nadere duiding, volgt dat fijnstof in de gemeente Ede hoger uitkomt dan het landelijke gemiddelde, is onvoldoende voor het oordeel dat het college deze vergunning, waarin is beoordeeld dat fijnstof in dit specifieke geval niet in betekenende mate bijdraagt, niet kon verlenen. Verder geldt dat de advieswaarden van de WHO juridisch niet bindend zijn. [19]
Vergunningvoorschriften
Extra voorschriften
14. Eiseres verzoekt om voorschrift 5.6 aan te vullen met
“en andere gevelopeningen”omdat voorkomen moet worden dat het bedrijf gebruik maakt van geperforeerde wanden, of iets dergelijks. In voorschrift 5.2 is daarnaast volgens eiseres ten onrechte niet opgenomen gedurende maximaal hoeveel uren incidentele afwijkingen zijn toegestaan. Het college neemt dit in andere omgevingsvergunningen wel op. Tot slot verzoekt eiseres om een bodem-bepaling toe te voegen die wel in andere vergunningen zit.
14.1.
Het college heeft toegelicht dat het voorschrift over het nulsituatie-bodemonderzoek niet nodig is omdat daarvoor de bodemvoorschriften uit hoofdstuk 2 en 3 uit het Activiteitenbesluit milieubeheer gelden. Ook toevoegingen aan voorschrift 5.7 zijn niet nodig nu er geen andere gevelopeningen zijn waardoor ongewenst geluid zou kunnen ontsnappen.
14.2.
Aan een omgevingsvergunning voor milieu worden voorschriften verbonden die nodig zijn met het oog op het belang van de bescherming van het milieu. [20]
14.3.
De rechtbank is van oordeel dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat deze voorschriften in dit concrete geval bij deze veehouderij nodig zijn in het belang van de bescherming van het milieu. Dat een deel van deze voorschriften ook in andere omgevingsvergunningen staan, betekent niet dat die ook in dit geval nodig zijn in het belang van de bescherming van het milieu. De beroepsgrond slaagt daarom niet.
Natuur
Aanhaakverplichting gebiedsbescherming?
15. Eiseres betoogt dat het college er ten onrechte van uitgaat dat de vergunning kan worden verleend nu deze overeen zou komen met de aanvraag voor de natuurvergunning. Zij onderbouwt dit met verschillende beroepsgronden die zijn gericht tegen de AERIUS-berekening, de stelling dat nog onzeker is dat een natuurvergunning wordt verleend en verschillende beroepsgronden over de manier van salderen en het overschatte rendement van de luchtwassers.
15.1.
De aanvraag in deze zaak ziet op bouwen, strijdig gebruik en milieu. Als voor zulke activiteiten ook een natuurvergunning [21] nodig is, kan de aanvrager er voor kiezen om deze trajecten afzonderlijk of gecoördineerd te doorlopen. Dit betekent dat de aanvrager een afzonderlijke natuurvergunning op grond van de Wet natuurbescherming voor de activiteiten kan aanvragen. Als de aanvrager hiervoor niet kiest, dan geldt de verplichting om alle activiteiten in één vergunning aan te vragen en moet voor dit deel gedeputeerde staten een verklaring van geen bedenkingen verlenen. [22]
15.2.
Uit de omgevingsvergunning volgt dat de veehouderij op het moment van verlenen van de omgevingsvergunning voor dit project een separate natuurvergunning heeft aangevraagd. In dat geval is een aanhaakverplichting niet aan de orde en kunnen deze beroepsgronden over natuur in deze zaak niet aan de orde komen. Dat de aangevraagde natuurvergunning het bouwplan niet zou dekken is niet aannemelijk gemaakt. De rechtbank bespreekt deze beroepsgrond daarom niet inhoudelijk nu zij in deze procedure alleen een oordeel kan geven over de omgevingsvergunning.
Aanhaakverplichting soortenbescherming in verband met lichthinder?
16. Eiseres betoogt dat in de omgevingsvergunning ongemotiveerd wordt gesteld dat maatwerkvoorschriften ter voorkoming van lichthinder niet nodig zijn. Er ontbreekt ecologisch onderzoek waaruit blijkt dat geen sprake is van verstoring van bijvoorbeeld vleermuizen als gevolg van de nieuwe stal. Vooral omdat deze buiten het bouwvlak, en dus in het meer donkere gebied, komt.
16.1.
De rechtbank vat deze beroepsgrond zo op dat eiseres heeft bedoeld te stellen dat ten onrechte niet is aangehaakt in verband met een benodigde ontheffing voor soortenbescherming. De beroepsgrond slaagt niet omdat het college heeft toegelicht dat sprake is van gesloten stallen met een beperkte lichthinder en daardoor voorschriften niet zinvol zijn. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat desondanks, als er al vleermuizen aanwezig zijn, sprake zal zijn van relevante lichthinder op basis waarvan een aanhaakverplichting zou gelden voor soortenbescherming.
Conclusie en gevolgen
17. Omdat het beroep gegrond is wordt het bestreden besluit vernietigd.
De rechtbank heeft het college verzocht om aan te geven of de gemeenteraad met toepassing van artikel 6.5, derde lid, van het Besluit omgevingsrecht categorieën van gevallen heeft aangewezen waarin een VVGB niet is vereist. Als deze zaak namelijk valt onder een aangewezen categorie waarvoor geen VVGB is vereist, dan zou de rechtbank zelf in de zaak kunnen voorzien door de rechtsgevolgen in stand te laten. Het college heeft op de zitting echter aangegeven dat het aan deze vraag niet toekomt, omdat het zich op het standpunt stelt dat de afwijking binnenplans kan worden vergund.
Het college heeft daarmee geen duidelijkheid verschaft over de vraag of de gemeenteraad categorieën van gevallen heeft aangewezen waarin een VVGB niet is vereist. Omdat mogelijk een VVGB van de gemeenteraad is vereist [23] , ziet de rechtbank geen mogelijkheden om de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten of om een bestuurlijke lus toe te passen. Het college zal een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak.
17.1.
Omdat het beroep gegrond is, moet het college de proceskosten van eiseres vergoeden. De proceskosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde verleende beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1). De rechtbank bepaalt verder dat het college het door eiseres betaalde griffierecht van € 385,- aan haar vergoedt.
17.2.
Omdat het beroep van eiseres gegrond is ziet de rechtbank geen aanleiding om eiseres te veroordelen in de proceskosten van de veehouderij.
Beslissing
De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit;
  • draagt het college op om een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak;
  • veroordeelt het college tot vergoeding van de proceskosten van eiseres van € 1.868,- ;
  • draag het college op het griffierecht van eiseres van € 385,- te betalen.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Emaus, voorzitter, in aanwezigheid van mr. E. Mengerink, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op:
griffier
voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
BIJLAGE
Bestemmingsplan Agrarisch buitengebied Ede 2012
3.2.1
Algemeen
Voor het bouwen van bouwwerken gelden de volgende bepalingen:
a. bouwwerken mogen uitsluitend in het bouwvlak worden gebouwd, met dien verstande dat:
1. terreinafscheidingen tot een hoogte van 1,5 meter buiten het bouwvlak zijn toegestaan;
2. tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen tevens ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch – tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen’ zijn toegestaan;
3. bestaande hulpgebouwen en schuilgelegenheden buiten het bouwvlak zijn toegestaan, inclusief noodzakelijke keerwanden met een maximale hoogte van 1 meter ten behoeve van kleinschalige aan het gebruik gerelateerde opslag;
4. groeibegeleidende voorzieningen buiten het bouwvlak zijn toegestaan, met dien verstande dat:
a. de bouwhoogte niet meer mag bedragen dan 4 meter;
b. de voorziening is slechts toegestaan zolang de teelt dit vereist;
c. de voorziening staat ten dienste van het grondgebonden agrarische bedrijf.
de afstand van bebouwing tot de as van de weg mag niet minder bedragen dan 15 meter;
de afstand van bebouwing tot de zijdelingse en achterste bouwperceelsgrenzen mag niet minder bedragen dan 3 meter, met uitzondering van terreinafscheidingen;
de totale oppervlakte aan gebouwen en overkappingen per bouwvlak of een gekoppeld bouwvlak mag, met uitzondering van het bepaalde in lid 3.2.3, 3.2.4 en 3.2.5. niet meer bedragen dan:
1. 2.500 m² ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch – agrarisch bedrijf middelgroot’, tenzij anders op de verbeelding is aangegeven;
2. 5.000 m² ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch – agrarisch bedrijf groot’, tenzij anders op de verbeelding is aangegeven;
(…)
3.4
Afwijken van de bouwregels
3.4.1
Overschrijding van het bouwvlak
Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in lid 3.2.1 onder a voor het bouwen van een gebouw dat de grenzen van het bouwvlak overschrijdt, met inachtneming van de volgende bepalingen:
de overschrijding is alleen toelaatbaar voor zover plaatsing in het bouwvlak niet mogelijk of niet doelmatig is;
de overschrijding mag niet meer bedragen dan 5 meter;
het overschrijden van het bouwvlak mag niet leiden tot onevenredige aantasting van de gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van de naastgelegen percelen;
er is sprake van een zorgvuldige landschappelijke inpassing op basis van een landschapsinpassingsplan.
3.4.7
Oppervlak aan gebouwen en overkappingen in landbouwontwikkelingsgebied
Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in lid 3.2.1 onder d sub 1 en 2 voor het vergroten van de oppervlakte aan gebouwen en overkappingen binnen het bouwvlak ter plaatse van de aanduiding ‘reconstructiewetzone – landbouwontwikkelingsgebied’, met inachtneming van de volgende bepalingen:
ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch –agrarisch bedrijf middelgroot’ mag de totale oppervlakte aan gebouwen en overkappingen niet meer bedragen dan 3.750 m²;
ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch – agrarisch bedrijf groot’ mag de totale oppervlakte aan gebouwen en overkappingen niet meer bedragen dan 7.500 m²;
de levensvatbaarheid van het agrarisch bedrijf is aangetoond door middel van een bedrijfsplan;
er is sprake van een zorgvuldige landschappelijke inpassing op basis van een landschapsinpassingsplan;
het vergroten van de oppervlakte leidt niet tot onevenredige aantasting van de gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van de naastgelegen percelen;
ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - twee inrichtingen' wordt de resterende bouwruimte evenredig (50/50) verdeeld over de inrichtingen, tenzij de eigenaren een andere verdeling overeenkomen.
Besluit omgevingsrecht (Bor)
Artikel 6.5. Afwijken bestemmingsplan of beheersverordening
1. Voor zover een aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de wet, wordt de omgevingsvergunning, waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3°, van de wet wordt afgeweken van het bestemmingsplan of de beheersverordening, niet verleend dan nadat de gemeenteraad van de gemeente waar het project geheel of in hoofdzaak zal worden of wordt uitgevoerd, heeft verklaard dat hij daartegen geen bedenkingen heeft, tenzij artikel 3.2, aanhef en onder b, van dit besluit of artikel 3.36 van de Wet ruimtelijke ordening van toepassing is.
2 De verklaring kan slechts worden geweigerd in het belang van een goede ruimtelijke ordening.
3 De gemeenteraad kan categorieën gevallen aanwijzen waarin een verklaring niet is vereist.
4 In gevallen waarin artikel 3.1, aanhef en onder b, van dit besluit of artikel 3.34 van de Wet ruimtelijke ordening van toepassing is, wordt in het eerste lid in plaats van «gemeenteraad van de gemeente» gelezen «provinciale staten van de provincie» en wordt in het derde lid in plaats van «De gemeenteraad kan» gelezen: De provinciale staten kunnen.

Voetnoten

1.Als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, c en e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).
2.Als bedoeld in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht.
3.Dit staat in artikel 4.3 van de Invoeringswet Omgevingswet.
5.Artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 1, van de Wabo in combinatie met de binnenplanse afwijking uit artikel 3.4.1 van de planregels.
6.Zaaknummer 202600115/1/R4
7.Artikel 8:69a van de Algemene wet bestuursrecht.
8.Artikel 2, eerste lid, onder I en II van de statuten van eiseres van 5 oktober 1972.
9.Als bedoeld in artikel 2.12, eerste lid, van de Wabo.
10.Zie bijvoorbeeld de overzichtsuitspraak van de Afdeling van 11 november 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2706, r.o. 10.14.
11.Er gelden ook nog aanvullingen in latere parapluplannen, maar die zijn voor deze afwijkingen niet van belang. Het college heeft voor de afwijking artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 1o van de Wabo toegepast, de zogenaamde binnenplanse afwijkingsmogelijkheid.
12.Dit is in de planregels gedefinieerd als een “niet-grondgebonden agrarisch bedrijf voor het houden van vee en pluimvee – zelfstandig of als neventak – waarbij dit houden van vee en pluimvee geheel of nagenoeg plaatsvindt in gebouwen. Het houden van melkrundvee, schapen of paarden wordt niet aangemerkt als intensieve veehouderij.”
13.Zie artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 1, van de Wabo.
14.Het college verwijst daarvoor naar overweging 4.1 uit de uitspraak van de Afdeling van 19 augustus 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:2636) en overweging 5.1 van de uitspraak van 7 augustus 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:3201).
16.Zie de uitspraken van 30 maart 2011 (ECLI:NL:RVS:2011:BP9585) en 23 juni 2021 (ECLI:NL:RVS:2021:1332).
17.Uitspraken van de Afdeling van 7 september 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2622 en ECLI:NL:RVS:2022:2624.
20.Artikel 2.22 en artikel 2.14 van de Wabo.
21.Als bedoeld (toen) in artikel 2.7, tweede lid, van de Wet natuurbescherming.
22.Zie bijvoorbeeld AbRvS 2 november 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3159, r.o. 20.3.
23.Zie artikel 2.27 van de Wabo in combinatie met artikel 6.5 van het Besluit omgevingsrecht.