ECLI:NL:RBGEL:2026:332

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
16 januari 2026
Publicatiedatum
15 januari 2026
Zaaknummer
ARN 24/3341
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen voortzetting WGA-vervolguitkering en urenbeperking werknemer

In deze uitspraak van de Rechtbank Gelderland, gedateerd 16 januari 2026, wordt het beroep van Kwik-Fit tegen de voortzetting van de WGA-vervolguitkering van een werknemer behandeld. De werknemer, die eerder arbeidsongeschikt was verklaard, had een uitkering op basis van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Eiseres, Kwik-Fit, was het niet eens met de voortzetting van de uitkering naar de arbeidsongeschiktheidsklasse van 45 tot 55%. De rechtbank oordeelt dat het UWV niet deugdelijk heeft gemotiveerd waarom de werknemer een urenbeperking van vier uur per dag en twintig uur per week zou hebben. De rechtbank stelt vast dat de aangenomen urenbeperking niet voldoende is onderbouwd, vooral omdat niet is aangetoond dat de bijeenkomsten die de werknemer in de avonduren bijwoont, een zodanige verstoring van de energiehuishouding veroorzaken dat een urenbeperking gerechtvaardigd is. De rechtbank concludeert dat het bestreden besluit in strijd is met de wet en vernietigt dit. Het UWV wordt opgedragen om binnen zes weken een nieuw besluit te nemen, rekening houdend met deze uitspraak. Tevens wordt het UWV veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht en de proceskosten van eiseres.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Zutphen
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 24/3341

uitspraak van de enkelvoudige kamer

in de zaak tussen

Kwik-Fit, uit [plaats], eiseres

(gemachtigde: mr. J.P.M. van Zijl),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen,het UWV
(gemachtigde: J. van Dalfsen).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het beroep van eiseres tegen de voortzetting per 23 mei 2024 van de WGA [1] -vervolguitkering aan haar werknemer [naam werknemer] (hierna: de werknemer) naar de arbeidsongeschiktheidsklasse 45 tot 55%. Eiseres is het met de voortzetting van de vervolguitkering naar die klasse niet eens. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of het UWV terecht tot voorzetting van de WGA-vervolguitkering naar de arbeidsongeschiktheidsklasse van 45 tot 55% is gekomen.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het bestreden besluit niet deugdelijk is gemotiveerd. Het beroep is gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Bij besluit van 24 november 2022 heeft het UWV de loongerelateerde uitkering van de werknemer op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) per 9 februari 2023 voortgezet als een vervolguitkering, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 65 tot 80%.
2.1.
Bij besluit op bezwaar van 10 april 2024 heeft het UWV het bezwaar van eiseres tegen het besluit van 24 november 2022 gegrond verklaard en de WGA-vervolguitkering van de werknemer voortgezet naar de arbeidsongeschiktheidsklasse van 45 tot 55%
2.2.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Het UWV heeft op het beroep gereageerd met verweerschriften.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 3 juni 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres, bijgestaan door arts-gemachtigde
E. Khoe en de gemachtigde van het UWV.
2.4.
Bij beslissing van 4 juli 2025 heeft de rechtbank partijen bericht dat naar het oordeel van de rechtbank het onderzoek in deze procedure niet volledig is geweest. De rechtbank heeft om die reden het onderzoek heropend en de verzekeringsarts b&b verzocht te reageren op een drietal door de arts-gemachtigde Khoe tijdens de zitting naar voren gebrachte gronden en op dat wat Khoe in het rapport van 19 mei 2024 al naar voren heeft gebracht in zijn hoedanigheid van door eiseres ingeschakelde medische adviseur.
2.5.
De verzekeringsarts b&b heeft daarop gereageerd in het rapport van 24 juli 2025, dat het UWV bij brief van 29 juli 2025 aan de rechtbank heeft gestuurd.
2.6.
Bij brief van 10 augustus 2025 heeft eiseres op het rapport gereageerd en een rapport van Khoe van 10 augustus 2025 aan de rechtbank gestuurd.
2.7.
Geen van de partijen heeft, nadat zij zijn gewezen op hun recht nogmaals op de zitting te worden gehoord, binnen de gestelde termijn verklaard gebruik te willen maken van dit recht. De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek gesloten.

Totstandkoming van het bestreden besluit

3. De werknemer is werkzaam geweest als manager van een filiaal van eiseres voor 38 uur per week. Op 12 februari 2019 heeft de werknemer zich ziekgemeld wegens belemmerende gezondheidsklachten. Bij besluit van 20 januari 2021 is aan de werknemer per 9 februari 2021 een loongerelateerde uitkering op grond van de Wet WIA toegekend. Het arbeidsongeschiktheidspercentage is destijds vastgesteld op 66,05%. Bij besluit van 24 november 2022 heeft het UWV de loongerelateerde uitkering per 9 februari 2023 gewijzigd in een vervolguitkering, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 65 tot 80%. Eiseres heeft, als eigen risicodrager, daarvan een afschrift ontvangen.
3.1.
Eiseres heeft tegen het besluit van 24 november 2022 op 27 december 2022 bezwaar gemaakt. Naar aanleiding van het bezwaar heeft een herbeoordeling plaatsgevonden.
3.2.
Verzekeringsarts T. Pols heeft in het rapport van 15 mei 2023 geconcludeerd, dat gelet op de onderzoeksbevindingen er geen reden is om de belastbaarheid te wijzigen. De beperkingen zoals bekend bij de beoordeling in het kader van het einde van de wachttijd, zijn nog altijd van toepassing. Pols heeft een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) gedateerd 15 mei 2023 opgesteld. Arbeidsdeskundige M. Kostermans heeft in het rapport van 17 mei 2023 de mate van arbeidsongeschiktheid vastgesteld op 67,85%.
3.3.
Dit heeft geleid tot het voornemen van het UWV van 26 mei 2023 om het besluit van 24 november 2022 te wijzigen en aan de werknemer per 9 februari 2023 een WGA-vervolguitkering toe te kennen op basis van een arbeidsongeschiktheidspercentage van 67,85%.
3.4.
Eiseres heeft bij brief van 9 juni 2023 haar zienswijze gegeven op het voornemen van 26 mei 2023 en een rapport van medisch adviseur Khoe van 26 juni 2023 ingebracht.
3.5.
Verzekeringsarts bezwaar en beroep (b&b) R.N. Cinqualbré heeft naar aanleiding daarvan op 12 september 2023 een rapport opgemaakt, waarin een verbetering van de belastbaarheid wordt aangenomen en heeft een FML opgesteld. In het rapport van 27 september 2023 heeft arbeidsdeskundige b&b P. Jonkman de mate van arbeidsongeschiktheid vastgesteld.
3.6.
Dit heeft geleid tot het voornemen van 5 oktober 2023, waarin wordt aangegeven dat het UWV van plan is aan de werknemer per 9 februari 2023 ongewijzigd een WGA-vervolguitkering gebaseerd op de arbeidsongeschiktheidsklasse van 65 tot 80 % toe te kennen. Het UWV is voornemens het arbeidsongeschiktheidspercentage gewijzigd vast te stellen op 47,44% en de vervolguitkering daarom te verlagen, waarbij een uitlooptermijn van twee maanden in acht zal worden genomen, gerekend vanaf de datum aanzegging van de functies. De wijziging van de resterende verdiencapaciteit heeft ook gevolgen voor de inkomenseis. De inkomenseis wordt herzien nadat de wijziging in de resterende verdiencapaciteit twee kalendermaanden heeft voortgeduurd. De verlaging zal echter niet eerder ingaan dan zes weken na de dag waarop de definitieve beslissing op bezwaar zal worden genomen.
3.7.
Eiseres heeft een zienswijze gedateerd 19 oktober 2023 ingediend tegen het voornemen van 5 oktober 2023.
3.8.
In het rapport van 28 november 2023 heeft verzekeringsarts b&b Cinqualbré daarop gereageerd.
3.9
Op 30 januari 2024 heeft medisch adviseur Khoe gereageerd op het rapport van verzekeringsarts b&b Cinqualbré van 28 november 2023. Het rapport van Khoe van 30 januari 2024 heeft eiseres bij aanvullende zienswijze van 31 januari 2024 ingediend.
3.1
In het rapport van 14 februari 2024 heeft de verzekeringsarts b&b Cinqualbré gereageerd op het rapport van Khoe van 30 januari 2024 en de zienswijze van 31 januari 2024.
3.11
Arbeidsdeskundige b&b P. Jonkman heeft in het rapport van 20 december 2023 gereageerd op de zienswijze van 19 oktober 2023 en geen aanleiding gezien om af te wijken van het arbeidsdeskundig oordeel van 27 september 2023.
3.12
Eiseres heeft een rapport van arbeidsdeskundige F.A.M.H. Severijnen, werkzaam bij Van Zijl Casemanagement en Advies, van 12 februari 2024 in de procedure gebracht. Deze arbeidsdeskundige heeft geconcludeerd tot een arbeidsongeschiktheidspercentage van 35,57%.
3.13
Op 2 april 2024 heeft de arbeidsdeskundige b&b Jonkman gerapporteerd naar aanleiding van de zienswijze van eiseres op het voornemen en de aanzegging van de geduide functies van 5 oktober 2023. De arbeidsdeskundige b&b is bij het arbeidsongeschiktheidspercentage van 47,44% gebleven.
3.14.
Bij besluit op bezwaar van 10 april 2024 is het bezwaar van eiseres gegrond verklaard. De WGA-vervolguitkering wordt met ingang van 23 mei 2024 voortgezet als WGA-vervolguitkering naar de arbeidsongeschiktheidsklasse van 45 tot 55%. Bij verlaging van de arbeidsongeschiktheidsklasse wordt een uitlooptermijn van twee maanden in acht genomen vanaf het aanzeggen van de voorbeeldfuncties. Omdat bij een werkgeversbezwaar de verlaging niet eerder ingaat dan zes weken na de definitieve beslissing op bezwaar, wordt de WGA-vervolguitkering per 23 mei 2024 verlaagd.

Beoordeling van het beroep

Vooraf
4. Alvorens de rechtbank overgaat tot de beoordeling van het beroep, merkt zij op dat de werknemer geen toestemming heeft verleend voor kennisneming door eiseres van de stukken die medische gegevens bevatten. De rechtbank heeft daarom, onder toepassing van artikel 8:32, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaald dat kennisneming van de in de beslissingen van 6 december 2024, 7 maart 2025, 7 augustus 2025 en 15 augustus 2025 genoemde stukken voorbehouden is aan de gemachtigde van eiseres.
Om recht te doen aan het doel en de strekking van artikel 8:32 van de Awb en te voorkomen dat eiseres alsnog kennisneemt van de medische situatie van de werknemer, zal de rechtbank in de beoordeling van het beroep zo weinig mogelijk medische informatie opnemen.
Bestreden besluit
5. Het bestreden besluit berust wat betreft de medische grondslag op de rapporten van verzekeringsarts b&b Cinqualbré van 12 september 2023, 28 november 2023 en 14 februari 2024. Uit deze rapporten komt in hoofdlijnen het volgende naar voren. Om overbelasting te voorkomen en terugval tegen te gaan, bieden de beperkingen in de rubrieken 1 en 2 (persoonlijk functioneren en sociaal functioneren) accurate preventie ten aanzien van de beschreven aandoeningen en klachten. In rubriek 6 (werktijden) zijn beperkingen aangenomen voor ’s nachts werken en wisselende diensten. De werknemer voldoet aan alle drie de redenen voor een urenbeperking, die vermeld staan in de Standaard “Duurbelastbaarheid in arbeid” (hierna: de Standaard), namelijk verminderde beschikbaarheid, preventie en een stoornis in de energiehuishouding. De omvang van de urenbeperking van vier uur per dag, twintig uur per week, zoals aangenomen bij het einde van de wachttijd is echter niet meer plausibel. Ten tijde van de beoordeling in het kader van het einde van de wachttijd volgde de werknemer nog een intensief programma en was er sprake van een ernstige terugval bij overbelasting. Op de datum in geding is daarvan geen sprake meer en is er al twee jaar geen sprake van terugval meer geweest. Ook zijn in het dagverhaal geen aanwijzingen meer voor aperte recuperatieperioden en is er sprake van een volledige dag met diverse activiteiten. Er is echter nog wel sprake van één dagdeel per week behandeling en drie keer per week bijeenkomsten ter begeleiding en ter voorkoming van terugval. Omdat deze regulier en essentieel zijn, kunnen deze niet geheel op de eigen tijd van de werknemer worden verdisconteerd. In het kader van de urenbeperking is een dag van zes uur plausibel in verband met preventie op terugval. Op de datum in geding, 9 februari 2023, is van de gestelde diagnoses immers nog sprake, liggen er de ervaringen uit het nabije verleden, is er gelet op de behandeling en begeleiding kennelijk een reëel gevaar voor terugval en kent de werknemer zijn eigen grenzen slecht, is er bij de werknemer sprake van zelfoverschatting en heeft hij een beperkt ziektebesef. Het is niet redelijk dat de werknemer acht uur kan werken, vijf dagen per week, en daarna drie avonden in de week begeleidingsbijeenkomsten moet volgen en een dagdeel behandeling. Bovendien is recuperatie van deze ontegenzeggelijk vermoeiende behandeling en bijeenkomsten ook zeer wenselijk, aldus de verzekeringsarts b&b.
5.1.
Wat betreft de arbeidsdeskundige grondslag berust het bestreden besluit op de rapporten van de arbeidsdeskundige b&b P. Jonkman van 27 september 2023, 20 december 2023 en 2 april 2024. In verband met de aanpassing van de FML in bezwaar, is de arbeidsdeskundige b&b tot de conclusie gekomen dat niet alle in de primaire fase geduide functies kunnen worden gehandhaafd. De arbeidsdeskundige b&b heeft de schatting in bezwaar op de volgende functies gebaseerd: assemblagemedewerker elektrotechnische producten (SBC-code: 267041), medewerker postverzorging (intern) (SBC-code: 315140) en medewerker kleding en textielreiniging (SBC-code: 111161). De arbeidsdeskundige b&b heeft geen aanleiding gezien om hiervan af te wijken.
Medische grondslag
6. Eiseres komt in beroep op tegen zowel de medische als de arbeidsdeskundige grondslag. Wat betreft de medische grondslag betoogt eiseres dat ten onrechte, dan wel ontoereikend gemotiveerd, een urenbeperking is aangenomen tot maximaal zes uur per dag en maximaal dertig uur per week. Ter onderbouwing hiervan heeft Khoe in zijn rapport van 19 mei 2024 en tijdens de zitting naar voren gebracht dat de werknemer niet voldoet aan de voorwaarden die de Standaard stelt om op grond van verminderde beschikbaarheid, preventie en/of een stoornis in de energiehuishouding een urenbeperking voor hem aan te nemen in de mate die nu in het bestreden besluit is aangenomen. Khoe stelt zich op het standpunt dat een urenbeperking van vier uur per week (één dagdeel), voor de behandeling die de werknemer heeft, afdoende is.
Indicatiegebied verminderde beschikbaarheid
7. Uit de Standaard volgt dat in geval de verminderde beschikbaarheid het gevolg is van een behandeling, het moet gaan om behandeling in een ziekenhuis of AWBZ [2] (lees: WLZ [3] )-erkende instelling, bestaande uit langdurige poliklinische behandeling of dagbehandeling, dan wel behandeling op indicatie van een medisch of paramedisch beroepsbeoefenaar (BIG [4] -geregistreerd). Daarnaast is in de Standaard vastgelegd dat het moet gaan om een erkende medische behandeling, die bovendien noodzakelijk is. Verwacht mag worden dat de cliënt een behandeling zo veel mogelijk buiten de meest gebruikelijke arbeidsuren ondergaat en dat hij zich maximaal flexibel opstelt bij de planning van het tijdstip van een behandeling
7.1.
Niet in geschil is dat de werknemer op de datum in geding, 9 februari 2023, behandeling van één dagdeel per week ondergaat en dat die behandeling op de grondslag van verminderde beschikbaarheid voor verdiscontering in een urenbeperking in aanmerking komt.
Evenmin is in geschil dat de werknemer naast de hiervoor bedoelde behandeling drie maal per week in de avonduren naar bijeenkomsten gaat die een begeleidend karakter hebben en gericht zijn op het voorkomen van terugval. Over de vraag of deze bijeenkomsten op grond van verminderde beschikbaarheid in de urenbeperking kunnen worden verdisconteerd, bestaat tussen partijen verschil van mening.
7.2.
Khoe voert aan dat de bijeenkomsten waarvan in het geval van de werknemer sprake is, niet kunnen worden gekwalificeerd als ‘behandeling’ in de zin van de Standaard. De bijeenkomsten vinden niet plaats in een ziekenhuis of in een AWBZ-(lees: WLZ-) erkende instelling. Daarnaast zijn deze bijeenkomsten niet geïndiceerd door een medisch of paramedisch beroepsbeoefenaar die BIG-geregistreerd is. Om die reden kunnen de bijeenkomsten niet op de grondslag van verminderde beschikbaarheid worden meegenomen bij het vaststellen van een urenbeperking. Daar komt volgens Khoe nog bij dat op grond van de Standaard van de werknemer mag worden verwacht dat hij de bijeenkomsten (zo veel mogelijk) buiten werktijd bezoekt en dat daarvan in dit geval met de bijeenkomsten in de avonduren ook sprake is.
7.3.
De rechtbank begrijpt uit het rapport van de verzekeringsarts b&b van 24 juli 2025, in reactie op de in de heropeningsbeslissing gestelde vragen, en uit algemene informatie die op internet is te vinden, dat de met bijeenkomsten die in het geval van de werknemer in de avonduren plaatsvinden, een vangnet wordt geboden door lotgenoten met soortgelijke ervaringen. Daaruit kan door de betrokkenen (in dit geval de werknemer) kracht worden geput en daarmee kan tevens terugval worden voorkomen en kunnen de mogelijkheden voor essentiële therapieën open worden gehouden.
De rechtbank neemt dit aan, net zoals dat het bijwonen van deze bijeenkomsten in vervolg op, dan wel voorafgaand aan een (nieuwe) medische behandeling wordt of kan worden geadviseerd, ook door BIG-geregistreerde behandelaren. Echter, hiermee heeft de verzekeringsarts b&b naar het oordeel van de rechtbank niet voldoende gemotiveerd dat wordt voldaan aan de voorwaarde(n) bedoeld in de Standaard, dat de bijeenkomsten een erkende en noodzakelijke medische behandeling zijn.
Het doel van de bijeenkomsten lijkt namelijk een uitwerking, dan wel toepassing in de praktijk te zijn van de eerder ondergane medische behandeling. Met de bijeenkomsten lijkt daarom geen sprake te zijn van behandeling maar van een vorm van begeleiding. Dat is ook als doel van deze bijeenkomsten benoemd in de rapporten van de verzekeringsarts b&b. Zonder andersluidende en/of aanvullende motivering van de verzekeringsarts b&b, kan de rechtbank niet anders concluderen, dan dat deze bijeenkomsten een wezenlijk ander karakter en een andere functie hebben dan de medisch geïndiceerde behandeling tegen acute dreiging van terugval, waarvan rond einde wachttijd in intensieve mate sprake was en die op de datum in geding één dagdeel bestrijkt. Eiseres betwist ook niet dat op de datum in geding op grond van de behandeling (nog steeds) een urenbeperking kan worden aangenomen.
De bijeenkomsten vinden bovendien niet plaats in een ziekenhuis of AWBZ/WLZ-erkende instelling en ook niet op indicatie – in plaats van op advies – van een medisch of BIG-geregistreerde paramedisch beroepsbeoefenaar. Gelet hierop kan op basis van de door de verzekeringsarts b&b gegeven motivering niet worden aangenomen dat sprake is van ‘behandeling’ als bedoeld in de Standaard, op basis waarvan in verband met verminderde beschikbaarheid een urenbeperking kan worden aangenomen. De beroepsgrond van eiseres slaagt.
Nu geen sprake is van behandeling in de zin van de Standaard, kan de beroepsgrond van Khoe dat het plaatsvinden in de avonduren c.q. privétijd in de weg staat aan het aannemen van een urenbeperking op grond van verminderde beschikbaarheid, onbesproken blijven.
Indicatiegebied preventief
8. In de Standaard is opgenomen dat de duurbelastbaarheid alleen op preventieve gronden wordt beperkt bij bepaalde typen aandoeningen. Het gaat om aandoeningen die gepaard gaan met:
• een patroon van overschrijding van de eigen grenzen met recidief of toename van
symptomen;
• zelfoverschatting door de cliënt;
• een beperkt ziektebesef.
De effectiviteit van een maatregel als vermindering van de duurbelasting als middel ter
preventie van overbelasting is vaak niet bekend. Daarom betrekt de verzekeringsarts bij
zijn oordeelsvorming altijd in het verleden opgedane ervaringen, vooral die welke een
aanwijzing kunnen zijn dat de duurbelasting te groot is geweest.
8.1.
Khoe voert aan dat er geen sprake is van een valide dan wel toereikende onderbouwing om de bijeenkomsten op preventieve gronden mee te nemen. Uit de wetenschappelijke literatuur blijkt dat in de medische situatie die bij de werknemer aan de orde is, er altijd een risico op terugval is. Uit het enkele feit dat de werknemer naar de bijeenkomsten gaat, valt op zichzelf daarom geen reëel gevaar op terugval op te maken. Conform de Standaard wordt de duurbelastbaarheid alleen op preventieve gronden beperkt bij bepaalde typen aandoeningen. Eén categorie van aandoeningen waar het daarbij om gaat, zijn de aandoeningen die gepaard gaan met een patroon van overschrijding van de eigen grenzen met recidief of toename van symptomen (zelfoverschatting). De werknemer heeft al twee jaar geen terugval gehad, zodat volgens Khoe van een recidief niet kan worden gesproken. Anamnestisch en tijdens het oriënterend onderzoek via een beeldbelcontact zijn er geen aanwijzingen (meer) voor de evidente aanwezigheid van de aandoening, waarop hier in het geval van de werknemer wordt gedoeld. Preventief meegaan in de door de werknemer ervaren belastbaarheid is in dat geval als anti-revaliderend te beschouwen.
8.2.
Volgens de verzekeringsarts b&b in het rapport van 24 juli 2025, moet in het kader van een preventieve urenbeperking nog altijd worden gesproken van recidief. Het is algemeen bekend dat zelfs na jaren, één keer genoeg kan zijn voor terugval. Bovendien vormen niet enkel de bijeenkomsten, maar de bijeenkomsten sàmen met de behandeling en het doel om psychische overbelasting te voorkomen, de basis voor de aangenomen urenbeperking.
8.3.
De rechtbank kan het standpunt van Khoe niet volgen.
Uit de verklaring van PsyQ van 17 april 2023 blijkt dat op de datum van deze verklaring onverkort sprake is van de diagnose waarop Khoe doelt. De rechtbank leidt hieruit af dat op de datum in geding, gelegen twee maanden vóór de datum van deze verklaring, van deze diagnose ook nog sprake moet zijn geweest. Bovendien volgt de werknemer op de datum in geding ook nog steeds behandeling daartegen. Naast de behandeling, bezoekt de werknemer de bijeenkomsten. Dat het op preventieve gronden aannemen van een urenbeperking als anti-revaliderend is te beschouwen, zoals Khoe stelt, acht de rechtbank alleen al om die reden niet toereikend onderbouwd. Er zijn in het dossier ook overigens geen aanknopingspunten te vinden die deze stelling van Khoe onderbouwen.
8.3.1.
Khoe stelt verder dat van recidief niet kan worden gesproken, omdat de werknemer al twee jaar geen terugval heeft gehad. Eiseres heeft in beroep in dit kader het rapport van verzekeringsarts N. Toepitsina van 21 december 2024, dat ten grondslag ligt aan het beëindigen van de WIA-uitkering van de werknemer per 11 april 2025, ingebracht. Eiseres betoogt dat niet valt in te zien waarom per datum in geding, 9 februari 2023, wel een urenbeperking is aangenomen, maar in het rapport van 21 december 2024 geen urenbeperking is opgenomen.
8.3.2.
De rechtbank stelt vast dat in het rapport van verzekeringsarts Toepitsina de diagnose zoals hiervoor in 8.3 bedoeld, niet meer is opgenomen en de werknemer op dat moment daarvoor ook niet meer onder behandeling staat. Dit is dus anders dan ten tijde van de datum in geding. Wel gaat de werknemer ook ten tijde van het onderzoek door Toepitsina, net als op 9 februari 2023, nog altijd drie maal per week naar de bijeenkomsten.
8.3.3.
De rechtbank kan de opmerking van de verzekeringsarts b&b volgen dat voor de werknemer geldt dat zelfs na jaren, één keer genoeg kan zijn voor terugval. Deze kwetsbaarheid is daarom onvoldoende om het verschil tussen het wel per 9 februari 2023 en het niet per 21 mei 2024 aannemen van een urenbeperking op preventieve gronden te verklaren. De verzekeringsarts b&b heeft in het rapport van 24 juli 2025 daaraan evenwel toegevoegd dat per datum in geding, 9 februari 2023, de bijeenkomsten samen met de behandeling de basis vormen voor de aangenomen urenbeperking. Daarmee acht de rechtbank in beginsel voldoende inzichtelijk en navolgbaar waarom de verzekeringsarts b&b per datum in geding wèl recidief aanneemt (diagnose aanwezig en behandeling gaande, zie 8.3), en op grond daarvan in de urenbeperking de behandeling èn de bijeenkomsten op de preventieve gronden verdisconteert, maar in het kader van de herbeoordeling in het rapport van 21 december 2024 (diagnose niet meer opgenomen en behandeling beëindigd, zie 8.3.2.) niet langer tot een urenbeperking op grond van preventieve gronden is gekomen, terwijl de bijeenkomsten nog altijd worden bijgewoond.
8.4.
Khoe stelt in beroep dat in verband met de behandeling een urenbeperking van een dagdeel volstaat. Deze stelling kan de rechtbank echter niet zonder meer volgen, omdat daarvan uitgaande, enkel acht lijkt te worden geslagen op de verminderde beschikbaarheid vanwege behandeling. Dit terwijl in 8.3.3. is overwogen dat voldoende inzichtelijk is gemaakt dat er daarnaast ook preventieve gronden voor de urenbeperking zijn. Wel brengt de stelling van Khoe de rechtbank tot de conclusie dat de verzekeringsarts b&b niet op navolgbare wijze heeft gemotiveerd wat het aandeel van het indicatiegebied preventief is in de totale urenbeperking. Hierbij speelt ook mee, dat wat de rechtbank hierna in overweging 9.3 overweegt over de weging van (het aandeel van) het indicatiegebied stoornis in de energiehuishouding. Om die reden slaagt de beroepsgrond gericht tegen de (motivering van de) preventieve grondslag van de urenbeperking.
Indicatiegebied stoornis in de energiehuishouding
9. In de Standaard is vastgelegd dat een stoornis in de energiehuishouding op vrij eenduidige wijze vastgesteld kan worden, door de toegenomen noodzaak tot recuperatie vast te stellen. De stelling daarbij is dat een stoornis in de energiehuishouding altijd gepaard gaat met toename van de noodzaak tot recuperatie.
De energiehuishouding van het organisme kan, zo is in de Standaard beschreven op drie manieren verstoord zijn:
a. als gevolg van een tekort aan energie;
b. als gevolg van een te groot energieverbruik;
c. bij verminderde mogelijkheden om te kunnen recupereren.
Als de verzekeringsarts op grond van een stoornis in de energiehuishouding heeft vastgesteld dat bij cliënt sprake is van een toegenomen noodzaak tot recuperatie kunnen in de beoordelingspraktijk de volgende uitkomsten aan de orde zijn:
 Een duurbelastbaarheid van gemiddeld ongeveer acht uur per dag (of meer) is aan de orde als er geen zodanig toegenomen recuperatienoodzaak bestaat dat cliënt niet binnen dezelfde dag in totaal ongeveer acht uur (of meer) kan werken.
 Een duurbelastbaarheid van gemiddeld ongeveer zes uur per dag is aan de orde als er na ongeveer vier uur werken een zodanige recuperatietijd nodig is dat binnen dezelfde dag niet nogmaals gedurende ongeveer vier uur een arbeidsprestatie kan worden geleverd.
 Een duurbelastbaarheid van gemiddeld ongeveer vier uur per dag is aan de orde als er na ongeveer vier uur werken een zodanige recuperatietijd nodig is dat binnen de zelfde dag (vrijwel) in het geheel geen arbeidsprestatie meer kan worden geleverd.
 Een duurbelastbaarheid van gemiddeld ongeveer twee uur per dag is aan de orde als ruim binnen een periode van vier uur werken een zodanige recuperatietijd nodig is dat binnen de zelfde dag niet nogmaals gedurende ongeveer twee uur een arbeidsprestatie kan worden geleverd.
Uiteraard zijn, zo is in de Standaard vermeld, – in ieder geval in theorie – nog meer varianten mogelijk, zoals bijvoorbeeld twee plus twee plus twee. De verzekeringsarts beschrijft deze mogelijkheden als hiervan sprake is.
De verzekeringsarts beperkt zich tot het bepalen van de duurbelastbaarheid als zodanig. Het is niet zijn taak om zijn oordeel mede te baseren op de inpasbaarheid van cliënt in concrete arbeid noch op de inpasbaarheid in een gebruikelijk arbeidspatroon, zo is in de Standaard opgenomen.
9.1.
Khoe voert aan dat de verzekeringsarts b&b niet heeft onderbouwd waarom er sprake zou zijn van een energetische stoornis zoals in de Standaard bedoeld (als gevolg van een tekort aan energie, als gevolg van een te groot energieverbruik, bij verminderde mogelijkheden om te recupereren) om op basis daarvan een urenbeperking aan te nemen.
Daarbij is volgens Khoe van belang dat niet is onderbouwd waarom het bijwonen van de bijeenkomsten in het kader van begeleiding en de behandeling “ontegenzeggelijk” vermoeiend zou zijn. Khoe leest wel dat de werknemer goed slaapt, dat hij vrij is om wel of niet naar de bijeenkomsten te gaan, dat hij zich daar goed bij voelt en dat hij daar praat over zijn problematiek en erkenning ervaart. Khoe ziet dit als positieve energie vergelijkbaar met zoals mensen in hun vrij tijd meerdere dagen per week sporten om positieve energie op te doen en in balans te blijven. De bijeenkomsten vallen volgens Khoe daarom binnen adequaat herstel- en balansgedrag en zijn geen reden voor een medische urenbeperking. Ze leveren de werknemer energie op en de werknemer gaat er naar toe voor zijn sociale contacten. De werknemer verricht ook nog vrijwilligerswerk bij de organisatie waarbij hij de bijeenkomsten volgt. Dat zou hij niet hoeven doen als de organisatie hem negatieve energie zou opleveren. De verzekeringsarts b&b heeft niet concreet en inzichtelijk onderbouwd waarom het niet redelijk zou zijn dat de werknemer de bijeenkomsten in eigen tijd bijwoont. De behandeling die de werknemer heeft, is geen behandeling die veel energie kost en waarvoor na de behandeling enige recuperatietijd nodig is.
9.2.
De verzekeringsarts b&b heeft in het rapport van 24 juli 2025 overwogen dat de bijeenkomsten essentieel zijn voor verdere behandelingen van de werknemer. Het is essentieel dat de werknemer een vangnet heeft dat wordt gevormd door lotgenoten. Er is sprake van een energetische stoornis door de combinatie van aandoeningen. Daardoor kan niet zomaar gesteld worden dat de werknemer weer genoeg energie krijgt om volledige dagen te kunnen werken.
9.3.
Allereerst merkt de rechtbank naar aanleiding van het betoog van Khoe weergegeven in 9.1 op, dat de omstandigheid dat de werknemer vrijwilligerswerk verricht bij (een onderdeel van) de organisatie waarvan hij ook de wekelijks drie bijeenkomsten bijwoont, naar haar oordeel niet zonder meer betekent dat de werknemer van de bijeenkomsten energie krijgt in de zin zoals bij dit indicatiegebied bedoeld, dan wel geen behoefte aan recuperatie heeft. De rechtbank is echter op basis van wat Khoe naar voren heeft gebracht wel van oordeel, dat de verzekeringsarts b&b niet inzichtelijk heeft gemaakt in hoeverre deze bijeenkomsten in de avonduren, de energiehuishouding van de werknemer zodanig verstoren, dat om die reden een beperking in de uren werktijd dient te worden aangebracht. De rechtbank is verder van oordeel dat de verzekeringsarts b&b heeft verzuimd om de aangenomen stoornis in de energiehuishouding, op inzichtelijke wijze te vertalen naar een duurbelastbaarheid per dag, zoals is bepaald in de Standaard en hierboven onder 9. weergegeven. Daarmee is de weging van (het aandeel van) het indicatiegebied stoornis in de energiehuishouding in de totale urenbeperking niet inzichtelijk gemaakt. De beroepsgrond van eiseres slaagt.
9.4.
Wat is overwogen in 7.3, 8.4 en 9.3 brengt de rechtbank tot het oordeel dat de urenbeperking in het bestreden besluit niet op deugdelijke wijze is gemotiveerd. Het bestreden besluit is daarmee in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb. Het beroep is gegrond.
Ten overvloede zal de rechtbank nog ingaan op naar voren gebrachte arbeidsdeskundige beroepsgronden.
Arbeidsdeskundige grondslag
10. Ten aanzien van de arbeidsdeskundige grondslag betoogt de door eiseres ingeschakelde arbeidsdeskundige F.A.M.H. Severijnen in het rapport van 12 februari 2024, dat de functies van medewerker klantenservice en schadeadviseur ten onrechte ongeschikt zijn geacht voor de werknemer en niet aan de schatting ten grondslag zijn gelegd.
10.1.
De arbeidsdeskundige b&b P. Jonkman heeft in zijn rapport van 2 april 2024 uiteengezet dat de functie van medewerker klantenservice niet kan worden aangemerkt als passend, omdat in deze functie sprake is van omgaan met conflicthantering een paar keer per week, waarvan enkele keren face to face. De werknemer is beperkt op dit punt en kan dus niet omgaan met conflicten face tot face.
De oplossing die eiseres hiervoor heeft voorgesteld vindt de arbeidsdeskundige b&b niet passend, omdat de werknemer in de functie het eerste aanspreekpunt is en bij een conflict direct wordt betrokken. Daarnaast wordt gewerkt met twee tot zes collega’s, waardoor het voor kan komen dat er maar één collega is en deze hoeft niet altijd beschikbaar te zijn op het moment van het voorval. Niet kan niet worden voorkomen dat de werknemer wordt geconfronteerd met een conflict face tot face en hiervoor wordt een beperking gesteld door de verzekeringsarts b&b.
Ten aanzien van de functie van medewerker contactcenter claimbehandeling heeft de arbeidsdeskundige b&b overwogen dat deze niet passend is en is verworpen, omdat de opleiding wordt gevolgd tijdens werktijd. Nieuwe werknemers moeten de eerste vijf weken van de opleiding minimaal 32 uur per week werken, daarna mag men weer minder werken. De verzekeringsarts b&b heeft een urenbeperking gesteld van 30 uur per week. Deze maximale duur wordt in deze weken van de opleiding overschreden en dat is niet toegestaan.
10.2
Arbeidsdeskundige Severijnen betoogt in een rapport van 22 mei 2024, dat eiseres in beroep heeft ingebracht, dat in de functie van medewerker klantenservice de werknemer de eerste contactpersoon is, maar niet de enige contactpersoon. Van de werkgever kan verlangd worden dat de afspraak wordt gemaakt, dat in geval van een incidenteel face tot face conflict, de werknemer een collega kan inschakelen. De functie is derhalve ten onrechte verworpen.
10.2.1
Naar het oordeel van de rechtbank slaagt deze beroepsgrond niet, reeds omdat eiseres op geen enkele wijze aannemelijk heeft gemaakt dat voor de functie van medewerker klantenservice te allen tijde een achtervang aanwezig is. Dat van de werkgever verwacht mag worden dat hij dat organiseert, is op zich genomen niet onjuist, maar niet aannemelijk is dat deze vooronderstelling ook in de praktijk realistisch is.
10.3.
Ten aanzien van de functie van schadeadviseur betoogt Severijnen in het rapport van 22 mei 2024 dat het wat betreft de opleiding gaat om een minimale overschrijding van twee uur per week en voor zeer beperkte duur van vijf weken. Bovendien is de werkgever sinds 1 augustus 2022 op grond van artikel 7:611a, eerste en tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek verplicht om scholing die noodzakelijk is voor de uitoefening van de functie, onder werktijd te laten plaatsvinden. Dat maakt volgens Severijnen dat niet kan worden geëist dat de werknemer gedurende vijf weken 32 uur per week werkzaam is.
10.3.1.
Ook deze beroepsgrond slaagt naar het oordeel van de rechtbank niet. Dat scholing onder werktijd moet plaatsvinden neemt niet weg dat de scholing 32 uur per week bedraagt en dat de werknemer daaraan, in geval van een urenbeperking tot 30 uur per week, niet kan voldoen. Dat het een in tijd beperkte periode betreft waarin de overschrijding plaatsvindt, die in de ogen van Severijnen minimaal genoemd moet worden, maakt het oordeel van de rechtbank niet anders.

Conclusie en gevolgen

11. Uit hetgeen in 9.4 is overwogen volgt dat het beroep gegrond is. Het bestreden besluit zal worden vernietigd wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb. De rechtbank geeft aan het UWV de opdracht om, met inachtneming van deze uitspraak, opnieuw te beslissen op het door eiseres gemaakte bezwaar. Dat moet gebeuren binnen zes weken nadat de termijn om hoger beroep in te stellen, is verstreken of indien wel hoger beroep wordt ingesteld, binnen zes weken nadat daarop is beslist.
12. Omdat het beroep gegrond is, moet het UWV het griffierecht van € 371 aan eiseres vergoeden en krijgt eiseres ook een vergoeding van haar proceskosten. Wat betreft de vergoeding van de proceskosten overweegt de rechtbank het volgende.
12.1.
Eiseres heeft gevraagd om vergoeding van de kosten van rechtsbijstand en daarbij het verzoek gedaan om Khoe voor zijn optreden op de zitting als arts-gemachtigde aan te merken. Daarnaast heeft eiseres verzocht om het UWV te veroordelen tot vergoeding van de in bezwaar en beroep gemaakte kosten voor de ingebrachte rapporten van de door haar als partijdeskundigen ingeschakelde medisch adviseur Khoe en arbeidsdeskundige Severijnen.
12.1.1.
De rechtbank stelt de kosten voor door een derde verleende rechtsbijstand op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (BRP) vast op € 2.335 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen van de gemachtigde op zitting en een halve punt voor het verschijnen van de arts-gemachtigde op de zitting [5] , met een waarde per punt van € 934 en een wegingsfactor 1).
12.2.
Met betrekking tot de kosten van de door eiseres ingeschakelde deskundigen, overweegt de rechtbank het volgende.
12.2.1.
Op grond van artikel 1, aanhef en onder b, van het BPB kan een veroordeling in de kosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb ook betrekking hebben op kosten van een deskundige die aan een partij verslag heeft uitgebracht. Volgens vaste rechtspraak van de CRvB komen de kosten van inschakeling van een deskundige voor vergoeding in aanmerking als deze inschakeling redelijk was en ook de deskundigenkosten zelf redelijk zijn. Dit is het geval indien degene die een niet-juridisch deskundige heeft ingeroepen, ten tijde van die inroeping, ervan uit mocht gaan dat de deskundige een bijdrage zou leveren aan een voor hem gunstige beantwoording door de rechter van een voor de uitkomst van het geschil mogelijke relevante vraag. Daarbij moet een verband bestaan tussen de ingeroepen deskundigheid en de specifieke vragen die in de procedure aan de orde zijn. [6] Naar het oordeel van de rechtbank is hiervan zowel ten aanzien van medisch adviseur Khoe als arbeidsdeskundige Severijnen sprake.
12.2.2.
Zoals tijdens de zitting al door de rechtbank is vastgesteld, heeft het UWV de door eiseres gedeclareerde kosten van de door haar ingeschakelde partijdeskundigen die betrekking hebben op de fase van bezwaar al vergoed. Deze kosten komen daarom in beroep niet (nogmaals) voor vergoeding in aanmerking.
12.2.3.
Volgens artikel 2, eerste lid, aanhef en onder b, van het BPB en artikel 8:36, tweede lid, van de Awb wordt de vergoeding van de kosten van een deskundige die aan een partij verslag heeft uitgebracht, vastgesteld overeenkomstig het bepaalde bij en krachtens de Wet tarieven in strafzaken (Wts) en het daarop gebaseerde Besluit tarieven in strafzaken (Btis). De vergoeding moet worden gebaseerd op de tarieven genoemd in het Btis, zoals geldend ten tijde van het verstrekken door eiseres van de opdrachten aan de deskundigen. Het verstrekken van de opdrachten aan beide deskundigen om rapport uit te brengen hangende beroep, moet hebben plaatsgevonden in 2024. De rechtbank hanteert daarom de tarieven geldend in 2024. [7] Op grond van het Btis gold in 2024 voor de hier ingeschakelde partijdeskundigen een maximaal uurtarief van € 154,50. Op grond van artikel 9, eerste lid, van het Btis geldt een gedeelte van een uur gelijk aan een half uur of korter als een half uur en een gedeelte van een uur langer dan een half uur als een heel uur. Voor het rapport van Khoe van 19 mei 2024 wordt een vergoeding van 1 x € 154,50 en voor het rapport van Severijen van 22 mei 2024 wordt een vergoeding van 1,5 x € 154,50, zijnde € 231,75, in totaal een bedrag van € 386,25 toegekend.
Het rapport van Khoe van 10 augustus 2025 merkt de rechtbank aan als een schriftelijke inlichtingen, waarvoor ingevolge het puntensysteem van het BPB een halve punt wordt toegekend [8] , zijnde een bedrag van € 467. De totale vergoeding voor de deskundige rapporten komt daarmee uit op € 853,25.
12.2.4.
Gelet op 12.1.1 en 12.2.3 bedraagt het bedrag aan te vergoeden proceskosten in totaal € 3.188,25. Het UWV moet deze vergoeding aan eiseres betalen.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit;
  • draagt het UWV op om binnen zes weken na de dag nadat de termijn om hoger beroep in te stellen ongebruikt is verstreken of, indien hoger beroep is ingesteld, binnen zes weken nadat op dit hoger beroep is beslist, een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak;
  • bepaalt dat het UWV aan eiseres het griffierecht van € 371 vergoedt;
  • veroordeelt het UWV in de proceskosten van eiseres in beroep tot een bedrag van
€ 3.188,25.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Klein Egelink, rechter, in aanwezigheid van
mr. B. de Vries, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Werkhervatting gedeeltelijk arbeidsgeschikten.
2.Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten.
3.Wet langdurige zorg.
4.Beroepen in de Individuele Gezondheidszorg.
5.Zie Centrale Raad van Beroep (CRvB) 22 april 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1564, overweging 5.2.
6.Zie CRvB 7 april 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:887.
7.Zie Staatsblad 2023, 449.
8.Vgl. CRvB 22 april 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1564, overweging 5.3.