Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het UWV omdat het niet tijdig een besluit heeft genomen over de Eerstejaars Ziektewet-beoordeling (EZWb) van een (ex-)werkneemster. Na ingebrekestelling en het verstrijken van de beslistermijn heeft het UWV nog steeds geen besluit genomen. De rechtbank oordeelt dat het beroep ontvankelijk en gegrond is.
De rechtbank stelt vast dat een EZWb een ambtshalve beoordeling betreft waarop het UWV uiterlijk in week 52 van de ziekte van de (ex-)werkneemster moet beslissen. Omdat de (ex-)werkneemster per 26 mei 2024 ziekgemeld was, was de beslistermijn op 26 mei 2025 verstreken zonder besluit. Het UWV heeft als reden voor de vertraging een tekort aan verzekeringsartsen en een toename van aanvragen opgegeven.
De rechtbank verwijst naar haar eerdere uitspraak van 15 april 2025, waarin zij een onderscheid maakt in beslistermijnen bij herbeoordelingen en werkgeversberoepen. Gezien het structurele tekort aan verzekeringsartsen en het ontbreken van informatie over een geplande spreekuurafspraak, legt de rechtbank een nadere beslistermijn van vier maanden na verzending van deze uitspraak op.
Daarnaast legt de rechtbank een dwangsom van €100 per dag op met een maximum van €15.000 voor elke dag dat het UWV de beslistermijn overschrijdt. Het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen omdat schade niet in dit geding kan worden beoordeeld. Het UWV wordt veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht en proceskosten aan eiseres.