Uitspraak
RECHTBANK Gelderland
[naam gedaagde 1],
3.
[naam gedaagde 2],
4.
[naam gedaagde 3],
5.
DE ONTVANGER DER BELASTINGEN/BELASTINGDIENST,
1.De procedure
2.Beknopte weergave van de zaak
3.3. De feiten
4.De vordering
5.De beoordeling
Het hof concludeert dat de vorderingen van de aanvragers summierlijk aannemelijk zijn, dat sprake is van pluraliteit van schuldeisers waarbij minstens één vordering op [de eiser] opeisbaar is en dat [de eiser] verkeert in de toestand dat hij heeft opgehouden te betalen.” Deze overweging blijft ook staan zonder de steunvordering van de Ontvanger en is daarvan dus niet afhankelijk. Als [de eiser] schade lijdt doordat het hof hem failliet heeft verklaard, is die schade dus niet het gevolg van het bericht van de Belastingdienst aan de bank dat zij een vordering op [de eiser] had die de bank als steunvordering zou mogen gebruiken. Daarom is de Belastingdienst niet aansprakelijk voor die schade (art. 6:162 lid 1 BW Pro).